Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.2.2
6.3.2.2 Terminologie
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS584055:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 80-81: “De geëxecuteerde behoeft niet steeds ook de schuldenaar te zijn. Zoals blijkt uit art. 435 lid 2 kan het zijn dat hij degene is op wiens goed verhaal wordt genomen voor de schuld van een ander.”
HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2749, NJ 1999/130, r.o. 3.4. Zie kritisch over dit arrest: Tuil 2010, p. 737, die van mening is dat de echtgenoot- schuldenaar als de geëxecuteerde moet worden aangemerkt.
HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2749, NJ 1999/130, r.o. 3.4.
Zie over art. 438 lid 5 Rv Oudelaar 1992, p. 203-206.
Zie over dit onderscheid ook par. 6.1.2.
Zie bijv. Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 83 en Stein 1981, p. 106.
272. Het feit dat de retentor niet de schuldenaar maar de derde uitwint, roept de vraag op, of de gebruikelijke terminologie van Rv ter aanduiding van de bij de executie betrokken partijen zich ook leent voor gebruik in het geval dat de retentor zich verhaalt op een derde.
De gebruikelijke terminologie bij beslag en executie duidt de schuldeiser aan als beslaglegger,1 of executant.2 Bij verhaal op goederen van derden verandert dit aspect niet. De retentor kan dus, ook als verhaal plaatsvindt op goederen van derden, nog met deze termen worden aangeduid.
De beslagene, of beslagdebiteur, is normaal gesproken de schuldenaar van de beslaglegger. Ingeval van executoriaal beslag wordt deze persoon aangeduid als ge ë xecuteerde.3 Waar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering spreekt van beslagene, beslagdebiteur of geëxecuteerde, wordt naar mijn mening niet per definitie de schuldenaar bedoeld, maar in de regel degene die verhaalsaansprakelijk is. Dat kán de schuldenaar zelf zijn – en die zal het in de meeste gevallen ook zijn – maar het kan ook een derde zijn. Ten eerste volgt dit expliciet uit de memorie van toelichting.4
Uit art. 708 lid 1 Rv volgt bovendien dat de bepalingen voor conservatoir beslag van overeenkomstige toepassing zijn wanneer de schuldeiser zich kan verhalen op een goed van een derde. Ten derde strookt dit met een arrest van de Hoge Raad dat ging over verhaal door een privéschuldeiser (dat was in dat geval de Ontvanger) op de huwelijksgoederengemeenschap; meer specifiek op de bankrekening die op naam van de vrouw-niet-schuldenaar stond.5 De vraag was ten laste van welke echtgenoot de ontvanger derdenbeslag moest leggen. De Hoge Raad oordeelde dat de ontvanger beslag ten laste van de echtgenoot-niet-schuldenaar moest leggen, “omdat de vrouw de geëxecuteerde of beslagene is.”6 Volgens de Hoge Raad is dit onder meer op zijn plaats omdat het haar in de gelegenheid stelt voor haar belangen op te komen, bijvoorbeeld wanneer het beslag is gelegd op haar privégoederen. Bovendien speelt mee dat de vrouw in een contractuele verhouding tot de bank (als derde-beslagene) staat en de bank zo nodig inlichtingen kan verschaffen.
En ten slotte is de benadering waarin degene die verhaalsaansprakelijk is, de beslagene of geëxecuteerde is, de juiste benadering in het licht van het doel en de functie van het verhaalsrecht. Het beslagrecht stelt de schuldeiser in staat tot verhaal voor zijn vordering. Het verhaalsrecht van de retentor heeft geen betrekking op de schuldenaar, maar op de derde. Zoals ik in de vorige paragraaf beschreef, is niet de schuldenaar maar de derde de relevante partij voor het beslagrecht. Vrijwel overal waar in de bepalingen van Rv de ‘beslagene’ of ‘geëxecuteerde’ staat, heeft de wet het oog op degene wiens vermogen kan worden uitgewonnen, ongeacht wie dit is. Het gaat immers in Boek 2 en 3 van Rechtsvordering om procesrechtelijke bevoegdheden en verplichtingen om verhaal te verwezenlijken. Wanneer het goed van een derde wordt uitgewonnen, is de derde – ook letterlijk – de beslagene of geëxecuteerde.
Ik geef een aantal voorbeelden, waaruit blijkt dat het beslagrecht het oog heeft op degene op wie de schuldeiser verhaal zoekt. Art. 430 lid 3 Rv formuleert het neutraal: executoriale titels kunnen pas ten uitvoer worden gelegd, wanneer zij zijn betekend aan de partij tegen wie de executie zich zal richten. Dit kan de schuldenaar zijn, maar ook een derde, wanneer de executie zich tegen die derde richt. In art. 440 lid 1 sub a Rv wordt vermeld dat het exploot onder meer de woonplaats van de geëxecuteerde vermeldt. Dat is dan de woonplaats van de derde. De geëxecuteerde ontleent bescherming aan art. 447 en 448 Rv, welke artikelen bepalen dat op bepaalde persoonlijke spullen geen beslag kan worden gelegd. In geval van verhaal op goederen van de derde, ligt het voor de hand dat juist hij wordt beschermd. In art. 702 lid 2 Rv staat dat het verlof tot conservatoir beslag met het verzoekschrift en het beslagexploot aan de beslagene worden betekend. Dat is degene op wiens goed de schuldeiser zich verhaalt, ook als dit een derde-niet-schuldenaar is.
Een bepaling in Rechtsvordering waarmee deze benadering van de verhaalsaansprakelijke daarentegen moeilijk te verenigen lijkt, is art. 438 lid 5 Rv. Art. 438 Rv gaat over executiegeschillen. In lid 5 is bepaald dat verzet tegen de executie door een derde geschiedt door dagvaarding van zowel de executant als de geëxecuteerde.7 Art. 438 lid 5 Rv bouwt voort op art. 456 (voor executoriaal beslag op roerende zaken) en art. 538 (voor executoriaal beslag op onroerende zaken), welke beide artikelen gaan over de mogelijkheid van verzet tegen het beslag door derden die eigenaar, of beperkt of persoonlijk gerechtigd tot de zaak zijn. Toch zou ik denken dat deze beperkte incongruentie niet afdoet aan het hierboven uiteengezette standpunt. Zij kan makkelijk worden opgelost: de derde die zich verzet tegen de executie van zijn goed, richt zijn dagvaarding alleen tegen de executant.
De derde-eigenaar moet worden onderscheiden van de derde-beslagene. Deze laatste is de schuldenaar van de beslagdebiteur. Bij derdenbeslag wordt beslag gelegd onder de derde, op hetgeen de debiteur nog van deze derde te vorderen heeft (zie art. 475 Rv).8 In de parlementaire geschiedenis en ook in de literatuur worden deze twee soorten beide wel onder de noemer derdenbeslag gebracht.9 Dat is naar mijn mening verwarrend, omdat het – ook al is bij beide vormen een derde betrokken – om twee geheel verschillende vormen van beslag gaat.