Einde inhoudsopgave
Cessie (O&R nr. 70) 2012/IX.3.4
IX.3.4 Het ‘criterium van Kleijn’: interne en externe elementen
mr. M.H.E. Rongen, datum 01-10-2011
- Datum
01-10-2011
- Auteur
mr. M.H.E. Rongen
- JCDI
JCDI:ADS356431:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie zijn noot onder het arrest SOS/ABN (NJ 1982, 615), alsmede zijn annotaties van de arresten Staal Bankiers/Ambags q.q. (NJ 1989, 200) en Frima q.q./Blankers (NJ 1994, 229).
Zie Kortmann 1989a, p. 59. In (soort)gelijke zin: Bloembergen in zijn conclusie voor het arrest WUH/Emmerig q. q. (NJ 1987, 530), onder nr. 3.3; Van Mierlo 1988, p. 92; Pitlo/Cahen 1992, p. 59; Blom 1988b, p. 300; Vermeulen 1988, p. 647; Mok in zijn conclusie (nr. 5.1) voor het arrest Staal Bankiers/Ambags q.q. (NJ 1989, 200); Strikwerda in zijn conclusie (nrs. 2.3 en 2.4) voor het arrest Dubbeld/Laman (NJ 1990, 325); Tekstra 1990, p. 742; Hartkamp in zijn conclusies voor de arresten Veenendaal q.q./Hogeslag (NJ 1992, 605), onder nr. 6, Ontvanger/Amro (NJ 1992, 246), onder nr. 7 en NJ 1989, 700 onder nr. 5. Vgl. nog de conclusie van Wuisman voor het arrest ING Bank/Nederend q.q. (NJ 2010, 653), onder nrs. 2.6 t/m 2.8. Vgl. ook: Winter 1992, p. 213, die meent dat er sprake is van een toekomstige vordering, indien de vordering afhankelijk is van een binnen de vrije invloedssfeer van partijen gelegen handelen. Hij lijkt van een bestaande vordering uit te gaan, indien de vordering afhankelijk is van een verplicht handelen van een van de partijen. Op deze grond zou de regresvordering van een hoofdelijk schuldenaar op zijn draagplichtige medeschuldenaar een bestaande vordering zijn; de hoofdelijk schuldenaar is jegens de schuldeiser immers tot betaling verplicht. Deze opvatting staat echter op gespannen voet met het arrest WUH/Emmerig q.q. Het ontstaan van een huurvordering is volgens de Hoge Raad afhankelijk van het verschaffen van het huurgenot door de verhuurder. Het feit dat de verhuurder daartoe op grond van de huurovereenkomst verplicht is, doet aan de toekomstigheid van de huurvordering niet af. Zie voorts: Hof Leeuwarden 11 juni 1986, NJ 1987, 333, waar werd geoordeeld dat het ontstaan van de vordering afhankelijk was van een handeling van de faillissementscurator van de schuldeiser. Vgl. tot slot nog: Rb. Utrecht 8 maart 2006, JOR 2006/166, m.nt. Loesberg, voor een geval waar eveneens werd geoordeeld dat het ontstaan van de vordering afhankelijk was van een gedraging van de schuldeiser.
Vgl. ook: Blom 1989, p. 9 en Den Tonkelaar 1994, p. 49. Overigens zullen schuldenaar en schuldeiser zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkaar dienen te gedragen, zodat het handelen van de schuldenaar of de schuldeiser in veel gevallen nooit geheel willekeurig mag zijn (zie art. 6:2 BW).
De arresten Ontvanger/Amro en Zürich Versicherungsgesellschaft/Lebosch (zie nr. 865) laten zich niet verklaren aan de hand van het genoemde criterium. Het intreden van schade kan op zichzelf – anders dan het begaan van wanprestatie of een onrechtmatige daad – in veel gevallen niet worden beschouwd als een ‘intern element’ dat in de invloedssfeer van de schuldenaar (of de schuldeiser) ligt. Hetzelfde geldt voor het arrest Gomez/Joral: hoewel de betaling door de borg een ‘intern’ element betreft, is de regresvordering van de borg een bestaande, voorwaardelijke vordering.
Zie wat betreft vorderingen die afhankelijk zijn van een wilsverklaring van de schuldenaar of de schuldeiser in het bijzonder: HR 25 maart 1988, NJ 1989, 200, m.nt. WMK (Staal Bankiers/Ambags q.q.); HR 29 oktober 2004, NJ 2006, 203, m.nt. HJS (Van den Bergh/Van der Walle en ABN-AMRO) en HR 3 december 2010, NJ 2010, 653 (ING Bank/Nederend q.q.).
Zo ook, maar voorzichtig: Blom 1988b, p. 300 en Blom 1989, p. 9.
Zie hiervoor en ook hierna.
Zie Verhagen & Rongen 2000, p. 45; J.J. van Hees 1997, p. 126; Faber 1995, p. 38; Blom 1989, p. 9-10. Vgl. Out 2002, p. 90 e.v.
Zie Verhagen & Rongen 2000, p. 45-46.
Overigens lijkt de Hoge Raad in het arrest Zürich Versicherungsgesellschaft/Lebosch (HR 19 april 2002, NJ 2002, 456, m.nt. MMM) met betrekking tot een schadeverzekering te oordelen dat het ontstaan van de vordering op de verzekeraar afhankelijk is van het intreden van de schade.
Zie met betrekking tot rentevorderingen ook hierna: nr. 896.
Zie nrs. 882 en 888.
Zie Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nrs. 162 e.v. en de daar genoemde voorbeelden, alsmede Den Tonkelaar 1994, p. 20 en p. 49 e.v. Vgl. Verbintenissenrecht (Busch), Art. 21, aant. 13 en 20.
Dit blijkt ook uit de regeling van art. 6:23 BW. Vgl. verder bijvoorbeeld de regeling van art. 7:45 BW. Zie voorts: art. 1292 BW (oud) dat een regeling bevatte van de zogeheten potestatieve voorwaarde. De bepaling luidde als volgt: “Alle verbindtenissen zijn nietig, indien derzelver vervulling alleenlijk afhangt van den wil van dengenen die verbonden is. Indien echter de verbindtenis afhangt van eene daad, waarvan de vervulling in zijne macht staat, en die daad heeft plaats gehad, is de verbindtenis van kracht”.
Vgl. ook: Out 2002, p. 93, die terecht spreekt van een “glijdende schaal met problemen”.
Zo ook: Blom 1989, p. 9. Vgl. Verbintenissenrecht (Busch), Art. 21, aant. 20, waar wordt opgemerkt dat een verbintenis waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van de wil van de schuldeiser een bestaande verbintenis is. Mogelijk anders: Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 236, waar wordt opgemerkt: “Het afleggen van een wilsverklaring kan niet in de zin van art. 6:21 als een onzekere gebeurtenis worden aangemerkt, afhankelijk als zij is van een wilsverklaring van degene die de verklaring aflegt”.
Zie HR 3 mei 2002, NJ 2002, 393, m.nt. PvS (Gomez/Joral) en HR 9 juli 2004, NJ 2004, 618, m.nt. PvS (Bannenberg q.q./NMB-Heller).
Het zou merkwaardig zijn, indien men de regresvordering van de borg als een bestaande voorwaardelijke vordering beschouwt, maar de vordering van de begunstigde op de borg als een toekomstige.
Vgl. Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-I* 2008, nrs. 147 e.v. Vgl. ook art. 6:19 lid 3 BW waaruit blijkt dat de wetgever de vordering ter zake van een alternatieve verbintenis als een bestaande vordering beschouwd.
Zie hierna: § IX.3.5.3.
Zie ook: nrs. 888 en 893.
877. Het onderscheid tussen interne en externe elementen. In de literatuur is getracht aan de hand van de jurisprudentie van de Hoge Raad een nadere invulling te geven aan het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen. Een criterium dat in de literatuur vaak wordt genoemd is het ‘criterium van Kleijn’.
Volgens Kleijn zou er sprake zijn van een toekomstige vordering, indien nog een element van de schuldenaar of de schuldeiser ontbreekt (een ‘intern’ element). Daarentegen zou van een bestaande vordering onder opschortende tijdsbepaling of voorwaarde kunnen worden gesproken, indien de vordering afhankelijk is van een nog te vervullen ‘extern’ element.1 Kortmann heeft dit criterium nader geconcretiseerd. Hij stelt dat volgens de Hoge Raad een vordering in beginsel toekomstig is, indien zij afhankelijk is “van (een) in de toekomst door de debiteur en/of de crediteur te verrichten handeling(en)”. Er zou daarentegen sprake zijn van een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde, indien de werking van de vordering afhankelijk is van een “buiten de invloedssfeer van partijen” liggende toekomstige onzekere gebeurtenis.2
De gedachte lijkt te zijn dat een vordering (verbintenis) als toekomstig moet worden aangemerkt, indien het van handelingen of wilsverklaringen van de schuldenaar of de schuldeiser afhangt of er werkelijk een prestatie door de schuldenaar moet worden verricht. Dit element van (een zekere) willekeur van de schuldenaar en/of de schuldeiser zou de vordering tot een toekomstige bestempelen.3 Op het eerste gezicht lijkt een groot deel van de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad inderdaad aan de hand van dit criterium te kunnen worden verklaard. In de meeste gevallen – maar niet in alle gevallen4 – lijkt er een element afkomstig van de schuldenaar of de schuldeiser te ontbreken,5 zodat de vordering op die grond als een toekomstige moest worden aangemerkt.6 Daar staat tegenover dat in geen van de arresten de Hoge Raad zijn oordeel met zoveel woorden motiveert met een beroep op of een verwijzing naar het genoemde criterium. De arresten laten zich bovendien ook goed op een andere wijze verklaren.7 Het is dan ook niet zeker in hoeverre het ‘criterium Kleijn’ het geldende recht weergeeft.
878. Bezwaren tegen het ‘criterium Kleijn’. Een belangrijk bezwaar van het criterium is dat het nauwelijks onderscheidend vermogen heeft.8 Ter zake van tal van vorderingen leidt toepassing van het criterium niet tot een duidelijk antwoord op de vraag of de vordering bestaand dan wel toekomstig is. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan vorderingen uit hoofde van softwarelicenties, verzekeringsovereenkomsten, leverantiecontracten en aan rentevorderingen.9 Bij deze vorderingen is niet zonder meer duidelijk of de vordering nog afhankelijk is van een handelen van de schuldeiser of de schuldenaar, zoals het ervoor zorgdragen dat de software goed functioneert, het betalen van de verzekeringspremie,10 het verrichten van de leverantie of het niet vervroegd opeisen of aflossen van de lening.11
Bovendien is het criterium naar mijn mening inhoudelijk onjuist. Algemeen wordt aangenomen dat een opschortende voorwaarde waarvan de werking van een bestaande verbintenis afhankelijk is gesteld, (mede) gelegen kan zijn in een handelen (of ruimer: een ‘intern element’ afkomstig) van de schuldenaar of de schuldeiser, mits er geen sprake is van een potestatieve voorwaarde die aan het ontstaan van de verbintenis in de weg staat.12, 13 Het feit dat de schuldenaar of de schuldeiser (enige) invloed kan uitoefenen op de vervulling van de voorwaarde waarvan de vordering afhankelijk is, behoeft dus niet noodzakelijk tot de conclusie te leiden dat de vordering nog niet bestaat.14 Indien niettemin voor het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen betekenis zou toekomen aan het handelen van partijen, rijst de niet eenvoudig te beantwoorden vraag waar de scheidslijn ligt. Welke mate van invloed van de schuldenaar of de schuldeiser op het plaatsvinden van de gebeurtenis waarvan de vordering afhankelijk is, doet de vordering een toekomstige zijn? Het vaststellen van de scheidslijn zal hoogst willekeurig zijn.15
879. Voorbeelden van bestaande vorderingen waarvan de opeisbaarheid afhankelijk is van een ‘intern’ element. Het is niet moeilijk om voorbeelden te vinden waaruit blijkt dat het feit dat voor de opeisbaarheid van de vordering nog een (rechts)handeling van de schuldeiser of de schuldenaar (een intern element) nodig is, er niet aan in de weg staat de vordering als een bestaande vordering aan te merken. Uit de voorbeelden blijkt dat het criterium ‘Kleijn’ hoogstens een richtsnoer is, maar geen “hard” onderscheidend criterium.
Gedacht kan worden aan een lening die geen bepaalde looptijd heeft, maar die op (schriftelijke) afroep door de schuldeiser opeisbaar is (direct opeisbare lening) of die juist alleen opeisbaar is, indien zich bepaalde van tevoren geformuleerde opeisingsgronden (events of default) voordoen en dan alleen nog maar voor zover de opeisingsgrond door de schuldeiser door middel van een aan de schuldenaar gerichte verklaring wordt ingeroepen (eeuwigdurende lening). Ook kan worden gedacht aan een op afroep opeisbaar deposito. Het lijdt geen twijfel dat de vordering van de schuldeiser tot terugbetaling van de uitgeleende geldsom of tot uitkering van het deposito moet worden aangemerkt als een bestaande vordering, ook al is de opeisbaarheid van de vordering afhankelijk van een wilsverklaring (‘intern element’) van de schuldeiser.16 De vordering is immers al ontstaan als gevolg van het ter leen verstrekken van de geldsom resp. het in depot plaatsen van de geldsom. Daarmee staat vast dat de geldsom op termijn, en al dan niet voorwaardelijk, weer moet worden terugbetaald.
Verder kan worden gewezen op de regresvordering van een borg of hoofdelijk schuldenaar waarvan de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het gaat om een bestaande voorwaardelijke vordering.17 Het feit dat de regresvordering afhankelijk is van een gedraging van de borg (de schuldeiser), te weten betaling onder de borgtocht, doet daaraan niet af. Hetzelfde geldt voor de vordering van de begunstigde van een borgtocht. Ook hier gaat het om een bestaande vordering.18
Tot slot kan worden gewezen op de figuur van de alternatieve verbintenis (art. 6:17 BW). In geval van een alternatieve verbintenis is voor de opeisbaarheid daarvan vereist dat de schuldenaar, de schuldeiser of een derde een keuze maakt voor een van twee of meer verschillende prestaties. Algemeen wordt aangenomen dat een alternatieve verbintenis een bestaande verbintenis is, waarmee een bestaande vordering correspondeert ook reeds voordat de keuze is gemaakt.19 Daarbij is niet van belang of de keuzebevoegdheid toekomt aan de schuldeiser of de schuldenaar (een intern element) dan wel aan een derde (een extern element). Dit is ook juist. Van meet af aan staat immers vast dat een van de prestaties verricht moet worden.
880. Nadere concretisering van het ‘criterium Kleijn’. De hier genoemde voorbeelden maken duidelijk dat het ‘criterium Kleijn’ in ieder geval een verdere bijstelling behoeft. Als men al enige betekenis aan het criterium wil hechten – hetgeen naar mijn mening niet hoeft en ook niet wenselijk is20 –, zou het als volgt moeten luiden:
Een vordering is toekomstig, indien zij afhankelijk is van een handelen van de schuldenaar en/of schuldeiser, tenzij de vordering reeds op grond van een anderrechtsfeit is ontstaan.
Daarmee heeft het criterium nog steeds weinig onderscheidend vermogen. Dat verandert indien men het criterium verder zou aanscherpen door aan te nemen dat een vordering die afhankelijk is van het handelen van de schuldenaar en/of de schuldeiser slechts dan toekomstig is, indien het handelen primair op het in het leven roepen van de vordering is gericht. Is het opeisbaar worden van de vordering slechts een nevengevolg van een handelen van de schuldenaar en/of de schuldeiser, dan betreft het in beginsel een bestaande vordering onder opschortende voorwaarde.21