Rb. Den Haag, 03-11-2026, nr. NL26.43725
ECLI:NL:RBDHA:2026:32317
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
03-11-2026
- Zaaknummer
NL26.43725
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:32317, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 03‑11‑2026; (Voorlopige voorziening)
Uitspraak 03‑11‑2026
Inhoudsindicatie
Plakvovo.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43725
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[naam] , verzoeker
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H. Meijerink),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. F. Schoot).
Procesverloop
Bij besluit van 28 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter (/ meervoudige kamer) heeft het verzoek, samen met het beroep (zaaknummer NL26.43724), op 7 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
De minister heeft, na de sluiting van het onderzoek, op 17 oktober 2026 een bericht geplaatst in het digitale dossier waaruit blijkt dat verzoeker op 13 oktober 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
De rechtbank heeft het onderzoek op 19 oktober 2026 heropend. Hierbij heeft de rechtbank de gemachtigde van verzoeker verzocht om aan te geven of zij nog contact heeft met verzoeker.
De gemachtigde van verzoeker heeft op 26 oktober 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek van de rechtbank. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Een voorlopige voorziening is alleen mogelijk als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.43724, heeft de meervoudige kamer van de rechtbank op het beroep beslist. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer mogelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. J. van der Veen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.