Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/4.2.2
4.2.2 Verhouding tot art. 6 Rv
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS435523:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus M.E. Koppenol-Laforce, 'De rechtsmacht van de Nederlandse rechter in het voorontwerp tot aanpassing van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering', TCR 1994, p. 8. Zie ook Kamerstukken // 1999/00, 26 855, nr. 4, p. 12 (Verslag): 'De leden van de SGP-fractie vragen of het juist is, dat dit artikel alleen betekenis heeft op het terrein van de dagvaardingsprocedure. Immers, artikel 1.1.3 onder c. [art. 3 sub c Rv, Fl] zou in alle in artikel 1.1.5 [art. 6 Rv, Fl] genoemde gevallen reeds tot rechtsmacht leiden, omdat mag worden aangenomen dat er voldoende verbondenheid is met de Nederlandse rechtssfeer.'
In dezelfde zin P. Vlas & F. Ibili, 'De nieuwe commune regels inzake de rechtsmacht van de Nederlandse rechter', WPNR (2003) 6527, p. 316. Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering, Vlas, art. 6 Rv, aant. 2.
Zie ook Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 5, p. 18 (Nota n.a.v. het verslag): 'De leden van de SGP-fractie kan worden geantwoord, dat artikel 1.1.5 [art. 6 Rv, Fl] in principe niet tot dagvaardingsprocedures beperkt is, zodat in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid de artikelen 1.1.3 onder c [art. 3 sub c Rv, Fl] en 1.1.5 cumulatief zijn.'
Art. 3 Rv geeft de hoofdregel voor de commune rechtsmacht van de Nederlandse rechter in verzoekschriftprocedures. Art. 6 Rv geeft extra gronden voor de commune rechtsmacht die gelden voor alle procedures, ongeacht of deze bij dagvaarding dan wel bij verzoekschrift moeten worden ingeleid. Men zou kunnen menen dat de in art. 6 Rv gebezigde aanknopingspunten in verzoekschriftprocedures reeds uit hoofde van art. 3 sub c Rv tot rechtsmacht leiden. Aldus zou geredeneerd kunnen worden dat bijvoorbeeld in een bij verzoekschrift in te leiden procedure betreffende een in Nederland gelegen woning, de zaak voldoende binding met Nederland heeft zodat rechtsmacht volgt uit art. 3 sub c Rv. Art. 6 sub f Rv komt dan verder niet aan de orde.1 Dat zou dan net zo goed gelden voor andere in art. 6 Rv genoemde geschillen, voorzover zij bij verzoekschrift moeten worden ingeleid. Deze zienswijze lijkt mij onjuist, omdat het bereik van art. 6 Rv daarmee beperkt wordt tot dagvaardingsprocedures, hetgeen blijkens het artikel zelf duidelijk niet de bedoeling is geweest.2 Art. 6 Rv geeft extra gronden voor de rechtsmacht, zonder onderscheid te maken tussen dagvaardings- en verzoekschriftzaken. Bovendien blijkt uit de in de Memorie van Toelichting genoemde voorbeelden dat art. 3 sub c Rv met name is bedoeld voor niet-vermogensrechtelijke zaken (zie hierna). Het een en ander rechtvaardigt dan ook om het verbondenheidsvereiste van art. 3 sub c Rv (`anders voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden is' ), zo uit te leggen dat de binding met Nederland moet bestaan in andere dan de in art. 3 sub a en b, en art. 6 Rv neergelegde aanknopingsfactoren.3