NJB 2025/2090
Afwijzing verzoek verdediging tot het horen van jonge slachtoffers als getuigen omdat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen ondervragen, art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Sv: de Hoge Raad herhaalt diens relevante rechtspraak hierover. In casu heeft het hof aan de afwijzing van het getuigenverzoek ten grondslag gelegd dat de gedragsdeskundige heeft gerapporteerd dat het welzijn van de twee slachtoffer ernstig kan worden geschaad als zij in deze strafzaak als getuigen een verklaring moeten afleggen. In verband met het tijdsverloop sinds de voormelde rapporten heeft het hof overwogen dat het geen aanleiding heeft om te veronderstellen dat de (psychische) gezondheidsrisico’s voor de slachtoffers bij een nieuw verhoor niet meer aanwezig of sterk verminderd zijn. Dit oordeel is niet zonder meer begrijpelijk gezien het tijdsverloop van bijna vier jaren sinds de totstandkoming van de genoemde rapporten en in aanmerking genomen dat het hof niet is nagegaan of de in de rapporten beschreven belemmeringen om als getuigen te kunnen worden gehoord nog actueel waren en of er mogelijkheden waren deze belemmeringen weg te nemen of te beperken zodat de verdediging het ondervragingsrecht ten aanzien van deze getuigen zou kunnen uitoefenen. Volgt vernietiging en terugwijzing.
HR 08-07-2025, ECLI:NL:HR:2025:1046
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
8 juli 2025
- Magistraten
Mrs. V. van den Brink, T.B. Trotman en R. Kuiper
- Zaaknummer
23/04062
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1046, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:382, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑03‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑07‑2024
- Wetingang
(art. 288 Sv)
Essentie
Afwijzing verzoek verdediging tot het horen van jonge slachtoffers als getuigen omdat het gegronde vermoeden bestaat dat de gezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op de terechtzitting in gevaar wordt gebracht en het voorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzitting te kunnen ondervragen, art. 288 lid 1, aanhef en onder b, Sv: de Hoge Raad herhaalt diens relevante rechtspraak hierover. In casu heeft het hof aan de afwijzing van het getuigenverzoek ten grondslag gelegd dat de gedragsdeskundige heeft gerapporteerd dat het welzijn ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.