Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/10.4.3
10.4.3 Zonering: het zonebeheerplan en geluidreductieplan
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
Bijlage 1 bij de Kabinetsnotitie Stelselwijziging Omgevingsrecht d.d. 9 maart 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 33 118, nr. 3).
Artikel 40 WGH.
Artikel 163 WGH.
Artikel 164 WGH.
Zie uitgebreid: C.A.H. van de Sanden, ’Wonderpil of placebo? Het zonebeheerplan in de nieuwe Wet geluidhinder’, TO 2008, afl. 1, p. 3-12 en C.A.H. van de Sanden, ’Van placebo naar nieuwe wonderpil? Toetsing van vergunningaanvragen aan het zonebeheerplan’, TO 2012, afl. 2, p. 45-49.
ABRvS 2 november 2011, BR 2012/33, m.nt. C.A.H. van de Sanden.
De meningen zijn hierover verdeeld. Zo stelt Brouwer dat getwijfeld kan worden of deze geluidsregels in verband met ‘een goede ruimtelijke ordening’ in een bestemmingsplan kunnen worden opgenomen, omdat zonebeheer niet rechtstreeks betrekking heeft op het gebruik van grond en bebouwing en zonebeheer niet los kan worden gezien van de in het milieuvergunningtraject uit te voeren toetsing aan de zonegrenswaarden (ABRvS 2 november 2011, M en R 2012/25).
Kamerstukken II 2004/05, 29 879, nr. 3, p. 28.
Een voorbeeld kan dit verduidelijken: stel dat de geluidsruimte op het terrein ’op’ is en drie bedrijven graag zouden willen uitbreiden, maar dit momenteel niet kunnen. Vervolgens wordt de milieuvergunning van een ander bedrijf geactualiseerd en worden aan de nieuwe vergunning strengere geluidsnormen verbonden (of worden maatwerkvoorschriften aan een type A-inrichting opgelegd). Er ontstaat nu geluids- en dus ontwikkelingsruimte op het industrieterrein, maar onvoldoende voor de uitbreiding van alle drie bedrijven. Welk bedrijf mag nu uitbreiden? Is dit het bedrijf dat als eerste een aanvraag om een omgevingsvergunning indient? Of is een andere verdeelmethode wenselijk? En hoe kunnen de drie bedrijven erachter komen dat er weer geluidsruimte is? Moeten zij hier zelf achter komen door de nieuwe (ontwerp)vergunning van het andere bedrijf in te zien? Het zou transparanter zijn als B&W op passende wijze zou bekendmaken dat er geluidsruimte is ontstaan en er dus vergunningen kunnen worden aangevraagd.
Zie over de toepassing van het transparantiebeginsel in het subsidierecht: A. Drahmann, ‘Is het strikte onderscheid tussen subsidie- en opdrachtverlening nog houdbaar?’, Gst. 2011/ 115 en A. Drahmann, ‘Kan het subsidierecht transparanter?’, Gst. 2011/124.
Artikel 67 WGH.
Artikel 2.14 lid 1 onder c onder 3 Wabo.
Kamerstukken II 2009/10, 32 127, nr. 3, p. 91-92.
Eén van de wetten die geïntegreerd zal worden in de Omgevingswet is de Wet geluidhinder (wgh).1 Op grond van de wgh moet er in een bestemmingsplan voor een industrieterrein rondom dat terrein een zone worden vastgesteld. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.2 Binnen een dergelijk gezoneerd industrieterrein bestaat vaak onvoldoende geluidsruimte voor nieuwe ontwikkelingen. b&w moet er daarom voor zorgen dat er ’voldoende informatie beschikbaar is’ over de geluidsruimte binnen de zone.3 Dit kan zij doen door een zonebeheerplan vast te stellen.4 Een zonebeheerplan geeft aan op welke wijze de geluidsruimte binnen een gezoneerd industrieterrein wordt beheerd en verdeeld. De juridische status van het zonebeheerplan is nog niet uitgekristalliseerd.5 De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft geoordeeld dat een zonebeheerplan geen onderdeel vormt van het toetsingskader voor milieuvergunningaanvragen en dus niet kan leiden tot weigering van een milieuvergunning (thans omgevingsvergunning).6 Over de aanvaardbaarheid van het opnemen van het zonebeheerplan in een bestemmingsplan (door middel van een geluidsverkaveling) heeft de Afdeling nog geen uitspraak gedaan.7
In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de minimumeis voor het zonebeheer door b&w is het beschikbaar doen zijn van voldoende informatie over de geluidsruimte binnen de zone. Daarnaast wordt gesteld dat in het zonebeheerplan kan worden aangegeven hoe b&w voornemens is de beschikbare geluidsruimte te verdelen. Hierdoor zouden bedrijven meer duidelijkheid krijgen over de beschikbare geluidsruimte.8 Nu uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling blijkt dat overschrijding van de grenswaarden neergelegd in een zonebeheerplan geen weigeringsgrond voor een omgevingsvergunning kan vormen, kan de vraag worden gesteld hoe het zonebeheerplan kan worden gebruikt als verdeelinstrument.
Het is mij niet bekend in welke vorm het zonebeheerplan zal terugkomen in de Omgevingswet. De Omgevingswet kent wel het plan als één van de centrale rechtsfiguren. Het zonebeheerplan zou dus in beginsel passen binnen het nieuwe stelsel. In het kader van het transparantiebeginsel is het wenselijk dat aan het zonebeheerplan in de Omgevingswet een duidelijke juridische status wordt gegeven. Daarnaast is het van belang dat in het zonebeheerplan wordt aangegeven hoe geluidsruimte in de toekomst zal worden verdeeld. Alleen zo weten de huidige bedrijven (die willen uitbreiden) en eventuele potentiële bedrijven waar zij aan toe zijn.9 Voor het opstellen van een dergelijk verdeelregeling in een zonebeheerplan zou ter inspiratie kunnen worden gekeken naar de subsidieregeling in de Awb over de verdeling van subsidies als een subsidieplafond is vastgesteld10 of naar de regeling in de Telecommunicatiewet voor de verdeling van frequenties.
Met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet is aan de wgh nog een nieuw instrument toegevoegd: het geluidreductieplan.11 Dit plan moet in tegenstelling tot een zonebeheerplan wel bij de beslissing over de aanvraag om een omgevingsvergunning in acht worden genomen.12 In een geluidreductieplan wordt opgenomen hoe binnen vijf jaar de overschrijding van de grenswaarden teniet zal worden gedaan. In de memorie van toelichting wordt gesteld dat een bedrijf dat is gevestigd op het ’volle’ industrieterrein of zich daar wil vestigen b&w kan verzoeken binnen een redelijke termijn een geluidreductieplan op te stellen. Deze verzoeksmogelijkheid is echter niet uitdrukkelijk in dit wetsvoorstel opgenomen, omdat (aldus de memorie van toelichting) het opstellen van een reductieplan al als verplichting is geformuleerd.13 Ook hier doen zich vragen voor over de verdeling van de nieuw ontstane geluidsruimte, want heeft het bedrijf dat dit verzoek heeft ingediend ook het eerste recht op de nieuwe ruimte? Het is dan ook wenselijk dat b&w in het geluidreductieplan niet alleen bepaalt hoe het geluid zal worden gereduceerd, maar ook hoe de nieuwe ontwikkelingsruimte zal worden verdeeld.
Naast geluidszonering bestaan er nog andere vormen van milieuzonering, bijvoorbeeld de veiligheidscontouren uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor al deze vormen van zonering kunnen dezelfde vragen worden gesteld over een transparante wijze van de verdeling van nieuwe ontwikkelingsruimte. In een op de nieuwe Omgevingswet gebaseerde regeling zou een algemene regeling kunnen worden getroffen die betrekking heeft op de verdeling van deze ruimte.