Proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 30 maart 2022, p. 8.
HR, 15-10-2024, nr. 22/01533
ECLI:NL:HR:2024:1447
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
15-10-2024
- Zaaknummer
22/01533
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1447, Uitspraak, Hoge Raad, 15‑10‑2024; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1335
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:657
ECLI:NL:PHR:2024:657, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑07‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1447
- Vindplaatsen
Uitspraak 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Opzettelijk aanwezig hebben van 330 kilogram (gedroogde) hennep op zolder van woning (art. 3.C Opiumwet). Bewijsklacht aanwezig hebben. Kon hof oordelen dat verdachte als medebewoner in alle vertrekken van woning kon komen wanneer zij dat wilde en dat zij niet heeft verklaard, en dit ook niet is gebleken, dat zij niet op zolder mocht komen? HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/01533
Datum 15 oktober 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 april 2022, nummer 20-002007-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.P.H. Hameleers, advocaat in Roermond, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 425 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 409 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2024.
Conclusie 02‑07‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Opzettelijk aanwezig hebben hennep (art. 3 en 11 Opw). Middel over oordeel hof dat verdachte niet heeft verklaard dat zij niet op zolder (waar hennep is aangetroffen) mocht komen faalt, nu de daaromtrent gedane mededeling van de raadsman niet als verklaring van de verdachte heeft te gelden. Conclusie strekt, wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase, tot vernietiging van de uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01533
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 13 april 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 425 dagen, waarvan honderd dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en L.P.H. Hameleers, advocaat in Roermond, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.
2.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de verdachte als medebewoner in alle vertrekken van de woning kon komen wanneer zij dat wilde en zij niet heeft verklaard – en zulks ook niet is gebleken – dat zij niet op de zolder mocht komen. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn, omdat de raadsman tijdens de terechtzitting in hoger beroep blijkens de door hem overgelegde pleitnotities naar voren heeft gebracht dat de verdachte niet op zolder kwam, het ook helemaal niet de bedoeling was dat zij op zolder kwam en dat, als jou gezegd wordt dat je niet op zolder moet komen, dat duidelijk is.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op 19 april 2021 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] te [plaats] ) een hoeveelheid van ongeveer 330 kg (gedroogde) hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 maart 2022 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in:
“Uitdrukkelijk betwist [verdachte] dat de middelen zich in haar machtssfeer bevonden.
Ze kwam niet op zolder en het was ook helemaal niet de bedoeling dat zij op zolder kwam.
Als jou gezegd wordt dat je niet op zolder moet komen dan is dat duidelijk [deze zin is met pen tussen haakjes geplaatst, MwW].
Op zolder (hennep) kwam ze dan ook niet: geen machtssfeer”
2.4
Het bestreden arrest bevat – voor zover hier relevant – de volgende bewijsoverweging:
“Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de hennep op de zolder en dat de hennep zich in haar machtssfeer bevond nu zij als medebewoner in alle vertrekken van de woning kon komen wanneer zij dat wilde en zij niet heeft verklaard - en zulks ook niet is gebleken - dat zij niet op de zolder mocht komen.”
2.5
Het hof heeft, kennelijk in reactie op het hiervoor onder 2.3 weergegeven verweer van de raadsman, overwogen dat de verdachte zelf niet heeft verklaard dat zij niet op de zolder mocht komen. De inhoud van bedoeld verweer staat aan de begrijpelijkheid van die overweging geenszins in de weg, nu de daarin vervatte mededeling van de raadsman ingevolge art. 339 jo. art. 341 Sv niet als verklaring van de verdachte heeft te gelden. Het middel faalt in zoverre.
2.6
Voor zover het middel zich, met een beroep op diezelfde pleitnotities, (mede) richt tegen het oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de verdachte niet op zolder mocht komen, faalt het eveneens. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu de in die pleitnotities vervatte mededeling van de raadsman op geen enkele wijze is onderbouwd, de raadsman ter zitting heeft erkend dat de verdachte dit niet heeft gezegd1.en de schriftuur evenmin andere argumenten bevat waaruit de onbegrijpelijkheid van ’s hofs oordeel zou moeten blijken.
2.7
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
Afronding
3.
3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 25 april 2022. Daarmee wordt de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 lid EVRM overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
3.2
Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑07‑2024