HR, 22-05-1964
ECLI:NL:HR:1964:41
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
22-05-1964
- Zaaknummer
[22051964/NJ_1964-316]
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1964:41, Uitspraak, Hoge Raad, 22‑05‑1964; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1964:2
- Vindplaatsen
Uitspraak 22‑05‑1964
Inhoudsindicatie
Officier van Justitie requirant van cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof. O. M. als hoofdpartij.
request nr. 3579/376
22 Mei 1964
GdeJ.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Gezien het beroepschrift van den Officier van Justitie, hoofd van het arrondissementsparket in het arrondissement Arnhem, tegen de beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 6 Maart 1964;
Gelet op de conclusie van den Advocaat-Generaal van Oosten, namens den Procureur-Generaal, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep;
Overwegende dat het Gerechtshof bij de bestreden beschikking op het beroep van den Officier van Justitie in het arrondissement Arnhem heeft bekrachtigd de beschikking van de Arrondissements-Rechtbank te Arnhem van 4 December 1963, waarbij genoemde Officier van Justitie niet-ontvankelijk werd verklaard in een verzoek om verbetering te gelasten van het register van huwelijken en echtscheidingen der gemeente Druten van het jaar 1956 en van het register van geboorten der gemeente Druten van het jaar 1945;
dat de Officier van Justitie thans van deze beschikking van het Hof is gekomen in cassatie;
dat echter het aan het "openbaar ministerie", optredende als hoofdpartij, ingevolge artikel 323 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegen de beschikking van het Hof toekomende beroep in cassatie slechts kan worden ingesteld door dengene die bij het Gerechtshof het openbaar ministerie uitoefent; derhalve naar artikel 3 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie door den Procureur-Generaal bij het Gerechtshof;
dat mitsdien verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn beroep;
Verklaart den Officier van Justitie in het arrondissement Arnhem niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beschikking van het Gerechtshof.
Gedaan en gewezen te 's-Gravenhage den twee en twintigsten Mei 1900 vier en zestig bij de Heren Mrs. de Jong, Vice-President, Houwing, Hülsmann, Petit en Beekhuis, Raden, en Reyers, Griffier.