Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.4:4.4 Conclusie
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.4
4.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481369:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1971 werd de overlegvergadering geïntroduceerd als instituut waar het overleg van de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers met de ondernemer plaatsvindt. De ondernemer wordt bij dit overleg vertegenwoordigd door de bestuurder van de onderneming. Hoewel er aanwijzingen zijn dat de wetgever daar wel van is uitgegaan, is die bestuurder niet altijd óók bestuurder van de ondernemer. Zeker indien het overleg betrekking heeft op voorgenomen besluiten waarvan, bijvoorbeeld gezien hun aard, verwacht mag worden dat die door het bestuur van de ondernemer worden genomen, en niet door iemand die slechts de bestuurder van de onderneming is, is dat een tekortkoming in de wet. Ik beschouw de bestuurder van de onderneming, indien hij niet tevens bestuurder van de ondernemer is, niet als de meest geschikte persoon om in dergelijke gevallen het overleg met de ondernemingsraad te voeren.
Twee aspecten van de regeling betreffende het overleg kwamen in dit hoofdstuk uitgebreider aan de orde: de gespreksonderwerpen en de aanwezigheid van commissarissen van de ondernemer resp. van bestuurders van vennootschappen die tenminste de helft van de aandelen in de ondernemer houden. Kort gezegd bepalen de artt. 23 en 24 WOR dat in het overleg onderwerpen aan de orde komen die betrekking hebben op de onderneming. Het staat de ondernemingsraad evenwel vrij een onderwerp dat betrekking heeft op de vennootschap aan de orde te stellen, mits dat voldoende verband houdt met de onderneming. Omdat zij zich nogal eens overvallen voelen door besluiten die zijn ingegeven door beleid en besluiten op (met name buitenlands) concernniveau, bestaat bij veel ondernemingsraden de behoefte ook het concernbeleid te bespreken. Probleem daarbij is dat dat beleid goeddeels buiten de ondernemer tot stand komt. Zouden om die reden topholdings verplicht worden dat deel van het overleg voor hun rekening te nemen, dan zien we ons er mee geconfronteerd dat in het buitenland gevestigde topholdings (en daar lijkt de pijn voor een belangrijk deel te zitten) niet onder het bereik van de Wet op de ondernemingsraden vallen. Het ligt dan ook voor de hand de verplichting het concernbeleid te bespreken op de ondernemer te leggen. Deze zal zich op zijn beurt hebben in te spannen om over zodanige informatie te beschikken dat een zinvolle invulling aan dat overleg kan worden gegeven. De verplichte aanwezigheid van bepaalde concernfunctionarissen (art. 24 lid 2 WOR) kan daaraan een belangrijke bijdrage leveren.
Een bijzonder gespreksonderwerp betreft de advies- en de instemmingsplichtige besluiten die de ondernemer in voorbereiding heeft. Daarvan is sprake indien het concrete voornemen bestaat een besluit te gaan nemen; het stadium van beleidsvoornemens is dan inmiddels gepasseerd. De ondernemer heeft niet alleen mededeling van dergelijke besluiten in voorbereiding te doen, hij dient ook afspraken te maken over het moment waarop de ondernemingsraad in het besluitvormingsproces betrokken zal worden. Deze verplichting geldt evenzeer indien een derde een besluit in voorbereiding heeft dat, als het uiteindelijk wordt genomen, aan de ondernemer toegerekend zou moeten worden. Schending van de hier bedoelde verplichtingen maakt een nadien genomen 25 WOR-besluit niet kennelijk onredelijk. Wel zal de ondernemer zich moeilijker kunnen verschonen voor het feit dat hij het advies heeft gevraagd op een zodanig tijdstip dat het niet meer van wezenlijke invloed op het definitieve besluit kon zijn (vgl. art. 25 lid 2 WOR). De regeling bestrijkt niet alle gevallen waar deze voor bedoeld is. Het aantal overlegvergaderingen waar de algemene gang van zaken van de onderneming wordt besproken is namelijk beperkt. In dat licht had de wetgever er beter aan gedaan de regeling op te nemen in art. 23 WOR.
Beursgenoteerde vennootschappen lopen daarnaast een niet te veronachtzamen risico dat de geheimhouding die zij hebben te waarborgen met betrekking tot koersgevoelige informatie in gevaar komt, indien zij de ondernemingsraad in kennis stellen van besluiten in voorbereiding. In het algemeen kan men stellen dat het moment waarop informatie koersgevoelig is niet later in tijd zal liggen dan het moment waarop een concreet voornemen in de zin van art. 24 lid 1 WOR bestaat een besluit te gaan nemen. Onder omstandigheden, en mede in ogenschouw genomen dat de mededelingsplicht er hoofdzakelijk toe strekt de ondernemingsraad op het geëigende moment in de adviesprocedure te betrekken, rechtvaardigen de belangen die met het besluit gemoeid zijn dat een ondernemer de effectenrechtelijke geheimhoudingsplicht laat prevaleren boven de medezeggenschapsrechtelijke mededelingsplicht.
De regeling inzake de verplichte aanwezigheid van commissarissen van de ondernemer dan wel van bestuurders van een vennootschap die tenminste de helft van de aandelen in de ondernemer houdt, pakt niet altijd even gelukkig uit. Dit hangt eerst en vooral samen met het automatisme dat de regeling kenmerkt. Medezeggenschap zou maatwerk moeten zijn. Dat pleit er voor de aanwezigheid van de commissarissen van de ondernemer als uitgangspunt te behouden, maar het vervolgens aan de ondernemingsraad te laten of het overleg in hun plaats wordt bijgewoond door bestuurders van de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder. Daarbij gaat het dan niet altijd en per definitie om de bestuurders van de hoogst gepositioneerde (middellijk) aandeelhouder. De ondernemingsraad kan er ook voor kiezen de bestuurders van een aandeelhouder op een lager niveau uit te nodigen.210 Voorstelbaar is bijvoorbeeld dat de ondernemingsraad er de voorkeur aan geeft de algemene gang van zaken van de onderneming te bespreken met divisie-bestuurders in plaats van met concern-bestuurders. De regeling zou daarnaast in die zin uitgebreid kunnen worden dat de ondernemingsraad in plaats van de bestuurders van de aandeelhouder de commissarissen van de aandeelhouder zou moeten kunnen uitnodigen het overleg bij te wonen. Met name als op de aandeelhouder het structuurregime van toepassing is, en bepaalde besluiten van het bestuur van de ondernemer zijn onderworpen aan de goedkeuring van de raad van commissarissen van de aandeelhouder, zal zowel de gedachtevorming binnen de ondernemingsraad als die binnen de raad van commissarissen daarmee gebaat zijn. In samenhang met het zojuist bedoelde automatisme van de verschijningsregeling, heeft ook de uitzonderingsregeling van art. 24 lid 3 WOR effecten waarvan ik mij moeilijk kan voorstellen dat die bedoeld zijn. Vooropgesteld zij dat het goed is een regeling in de wet op te nemen die er toe strekt te voorkomen dat commissarissen of bestuurders in een te groot aantal overlegvergaderingen zouden moeten verschijnen. Voor commissarissen van de ondernemer volstaat de huidige regeling, waarin de ondernemer aanknopingspunt is: houdt die tenminste vijf ondernemingen in stand waar een ondernemingsraad is ingesteld waarop de WOR van toepassing is, dan komt de verschijningsplicht te vervallen. Het probleem zit hem in de uitzonderingsbepaling voor de bestuurders van de aandeelhouder. Indien deze zich op art. 24 lid 3 WOR kunnen beroepen, heeft dat namelijk niet tot gevolg dat de verschijningspicht weer komt te rusten op de commissarissen van de ondernemer of op de bestuurders van een aandeelhouder op een lager niveau. Voor de bestuurders (en commissarissen) van de middellijk of onmiddellijk aandeelhouder zou het beter zijn de vennootschap waar zij bestuurder zijn tot uitgangspunt te nemen: heeft die deelnemingen waar tenminste vijf ondernemingsraden zijn ingesteld waarop de WOR van toepassing is, dan komt hún verschijningsplicht te vervallen.