Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/4.2.11
4.2.11 Fusie en splitsing (2:330 BW en 2:334ee BW)
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS370597:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van Eck 2015, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, artikel 2:330, aant. C1 en Volders 2015, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, artikel 2:334ee, aant. C2. Voor een aantal bijzondere varianten van de splitsing gelden nog zwaardere besluitvormingseisen.
Boschma & Schutte-Veenstra, T&C Ondernemingsrecht, artikel 2:330 BW, aant. 3 (online, bijgewerkt 1 juli 2017).
Kamerstukken II 1981, 16453, 5. Zie ook nog Kamerstukken II 1981, 16453, 6.
Ook hier is derhalve HR 30 juni 2006, JOR 2006/206, m.nt. M. Brink (Unilever/Mellon) relevant. Zie over ‘afbreuk aan rechten’ ook Van Eck 2015, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, artikel 2:330, aant. C2.
Ten aanzien van zowel de NV als de BV bepaalt de wet dat voor een besluit tot fusie of splitsing van de algemene vergadering in elk geval een meerderheid van ten minste twee derde is vereist, indien minder dan de helft van het kapitaal ter vergadering is vertegenwoordigd (2:330/334ee lid 1 BW). Voor de ruziesplitsing voorziet artikel 2:334 cc lid 1 sub d nog in een besluit tot splitsing genomen met een meerderheid van drie vierden van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin 95% van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is. Dit zijn minimumeisen. Statuten kunnen een verzwaarde meerderheid voorschrijven.1 Deze meerderheid mag bij een besluit tot fusie bij beleggingsinstellingen niet statutair worden verhoogd boven drie vierden van de uitgebrachte stemmen (2:330 lid 1 BW). Zijn er aandelen van een bepaalde soort of aanduiding, dan is er naast het besluit tot fusie of splitsing van de algemene vergadering vereist een voorafgaand of gelijktijdig goedkeurend besluit van elke groep houders van aandelen van eenzelfde soort of aanduiding aan wier rechten de fusie afbreuk doet. De goedkeuring kan niet tijdens de termijn van het crediteurenverzet worden verleend (2:330/334ee lid 2 BW). Naar mag worden aangenomen gelden voor de besluitvorming omtrent goedkeuring van groepen houders van aandelen van eenzelfde soort of aanduiding geen bijzondere meerderheids- en quorumeisen, tenzij de statuten anders bepalen.2
Het zal niet altijd eenvoudig zijn vast te stellen of, en in hoeverre sprake zal zijn van een afbreuk van rechten van houders van aandelen van een bepaalde soort of aanduiding. De parlementaire geschiedenis3 geeft aan dat de rechter over geschillen omtrent een dergelijke interpretatie een oordeel zal moeten geven. Maar in de praktijk zal toch vooral de notaris zich hier een oordeel over moeten vormen. Hij dient immers in de voetverklaring onder de akte te verklaren dat alle benodigde besluiten met inachtneming van de wettelijke en statutaire voorschriften zijn genomen. Aangenomen wordt dat hier het begrip ‘afbreuk aan rechten’ eenzelfde betekenis heeft als in artikel 2:96 lid 2 BW en artikel 2:99 lid 5 BW.4
Ten aanzien van de BV geldt dat op een besluit tot fusie of splitsing de regeling van artikel 2:231 lid 4 BW niet van toepassing is, zodat de instemmingsvereiste niet zal gelden. Betreft het een grensoverschrijdende fusie dan geldt het vereiste van algemene stemmen dat artikel 2:226 lid 2 BW verbindt aan besluiten tot aanwijzing van de plaats waar algemene vergaderingen worden gehouden buiten Nederland niet (2:330 lid 2 BW).