AB 2020/163
Voorlopige voorziening. Vanwege het coronavirus wordt uitspraak gedaan zonder zitting.
RvS 25-03-2020, ECLI:NL:RVS:2020:830, m.nt. R. Stijnen
- Instantie
Raad van State
- Datum
25 maart 2020
- Magistraten
Mr. J.A. Hagen
- Zaaknummer
201907532/2/R1
- Noot
R. Stijnen
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS194820:1
- Vakgebied(en)
Corona (V)
Bestuursprocesrecht / Hoger beroep
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2020:830, Uitspraak, Raad van State, 25‑03‑2020
- Wetingang
Art. 8:83 lid 4 Awb
Essentie
Voorlopige voorziening. Vanwege het coronavirus wordt uitspraak gedaan zonder zitting.
Samenvatting
Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 17 maart 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisend belang, uitspraak doen zonder zitting.
Partij(en)
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (art 8:8.1 Awb) hangende het hoger beroep van verzoekster, h.o.d.n bedrijf A, te Aalsmeer, tegen de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 11 september 2019 in zaak nr. 18/3224 in het geding tussen:
Verzoekster,
en
Het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer.
Uitspraak
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college aan JoiN B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een logiesgebouw (short stay) voor arbeidsmigranten, het plaatsen van een erfafscheiding, het overkappen ten behoeve van parkeerplaatsen, stalling fietsen, rokersplaats en containers, en het aanleggen van een in- en uitrit op het perceel Japanlaan 9 te Aalsmeer.
Bij uitspraak van 11 september 2019 heeft de rechtbank het door verzoekster daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoekster hoger beroep ingesteld.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.
Partijen waren uitgenodigd voor een zitting op 17 maart 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus kon deze zitting niet doorgaan. Omdat de overgelegde stukken in deze zaak naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende inzicht bieden in de standpunten van partijen en partijen niet in hun belangen worden geschaad, zal de voorzieningenrechter, gelet op het aanwezige spoedeisend belang, uitspraak doen zonder zitting.
2.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
3.
Het verzoek van verzoekster strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning voor de logiesvoorziening (hierna ook: het Flowerhotel), totdat in de hoofdzaak uitspraak is gedaan. Aan dit verzoek is ten grondslag gelegd dat JoiN met de voorbereidende grondwerkzaamheden voor de bouw van het Flowerhotel is begonnen.
Het bedrijf van verzoekster is gevestigd op het bedrijventerrein Green Park, waar ook het Flowerhotel is voorzien. Verzoekster verzet zich tegen de verleende vergunning, omdat zij vreest dat zij in de bedrijfsvoering zal worden beperkt door de vestiging van een logiesgebouw voor arbeidsmigranten in de nabijheid van haar bedrijf.
4.
De vraag of de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning voor de realisering van het logiesgebouw met bijbehorende bouwwerken en werken heeft kunnen verlenen, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure en zal in de bodemprocedure onderzocht moeten worden.
Dit betekent dat in deze voorzieningenprocedure moet worden beoordeeld of hetgeen verzoekster in hoger beroep naar voren heeft gebracht aanleiding geeft voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat geen omgevingsvergunning voor de bouw van het Flowerhotel mocht worden verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit niet het geval is, zodat het verzoek moet worden afgewezen.
5.
Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat geen grond bestaat voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het college bij gebreke van een verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente Aalsmeer niet bevoegd was om een omgevingsvergunning voor het Flowerhotel te verlenen. In het "Beleid inzake verklaringen van geen bedenkingen door de gemeenteraad van Aalsmeer" heeft de raad bepaald dat geen verklaring van bedenkingen is vereist als de aangevraagde activiteit binnen een door de raad vastgestelde structuurvisie past. Daargelaten of de rechtbank de in dit verband ter zitting aangevoerde beroepsgrond ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen verzoekster heeft aangevoerd op voorhand geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de realisering van een logiesgebouw voor arbeidsmigranten op deze locatie niet binnen de Structuurvisie ‘Greenpark Aalsmeer 2016’ past.
6.
De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om op voorhand aan te nemen dat het Flowerhotel wat betreft de ruimtelijke gevolgen ervan gelijk gesteld moet worden met een woning. Volgens de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften mag in het Flowerhotel uitsluitend nachtverblijf worden verstrekt aan arbeidsmigranten die overwegend werkzaam zijn in Aalsmeer voor een verblijfsperiode van minimaal één week en maximaal zes maanden. Deze vorm van verblijf kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet als voldoende duurzaam worden aangemerkt om een woonkarakter aanwezig te achten.
Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter ook geen reden om op voorhand aan te nemen dat hetgeen verzoekster heeft aangevoerd over het aspect geluidhinder, zonder meer moet leiden tot de conclusie dat de omgevingsvergunning niet verleend mocht worden.
7.
Hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht over de berekening van de parkeerbehoefte van het Flowerhotel acht de voorzieningenrechter op voorhand onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de rechtbank heeft miskend dat met de aanleg van de voorziene 65 parkeerplaatsen op het perceel in onvoldoende parkeerplaatsen wordt voorzien. In de aan het besluit ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing is in § 5.3 ingegaan op het onderwerp parkeren. Het college heeft verder in hoger beroep in zijn schriftelijke uiteenzetting, met verwijzing naar de daarbij overgelegde notitie van parkeeradviesbureau Spark, een nadere toelichting gegeven op de berekening van de parkeerbehoefte van het Flowerhotel. Het college heeft toegelicht dat zowel het bestemmingsplan als de Nota Parkeernormen als de CROW-normen niet voorzien in parkeernormen voor een logiesvoorziening voor arbeidsmigranten zoals hier aan de orde en dat dit betekent dat het berekenen van de parkeerbehoefte maatwerk is. Om die reden heeft het bureau Spark een onderzoek uitgevoerd naar de parkeerbehoefte voor een arbeidsmigrantenhotel in Aalsmeer. Het college heeft de te verwachten parkeerbehoefte van het Flowerhotel mede op basis van de uitkomsten van dit onderzoek vastgesteld. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat het college dit niet heeft kunnen doen.
8.
De overige door verzoekster in hoger beroep aangevoerde gronden, die zien op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking en de deugdelijkheid van de aan het besluit ten grondslag gelegde belangenafweging, bieden naar het oordeel van de voorzieningenrechter eveneens onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het besluit van 13 maart 2018 in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
9.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de betrokken belangen in aanmerking genomen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt, ook als het verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen.
10.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst het verzoek af.
Noot
Auteur: R. Stijnen
1.
In verband met de uitbraak van het coronavirus heeft de Rechtspraak besloten vanaf dinsdag 17 maart de rechtbanken, gerechtshoven en bijzondere colleges te sluiten. Urgente zaken gaan wel door. Publiek is ook niet meer welkom bij rechtszaken. Deze tekst staat op www.rechtspraak.nl. Het is dus even roeien met de riemen die we hebben. Het geluk wil dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de nodige riemen biedt.
2.
In mijn noot bij ABRvS (vzr.) 17 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:772, AB 2020/153) en CRvB 21 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3846, AB 2020/154) ging ik in op de door art. 8:77 lid 3 Awb geboden mogelijkheid dat de uitspraak ongetekend de deur uit gaat met de vermelding dat de rechter en de griffier zijn verhinderd die te tekenen. We zien dat ook in deze uitspraak (zie voorts ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:855 en ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:863). Sommige gerechten maken daar helaas van dat de griffier buiten staat is de uitspraak te ondertekenen, alsof die geveld is door het coronavirus (bijv. Rb. Gelderland 18 maart 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:1040; Rb. Rotterdam 20 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2370; en Rb. Midden-Nederland 24 maart 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:1191). Maar goed, duidelijk zal zijn dat het steeds gaat om verhindering, en dat komt door het coronavirus.
3 .
Maar nu de zitting … ook die gaat vanwege het coronavirus niet door. Omdat er in spoedzaken wel uitspraken de deur uit moeten, wordt er door de rechtspraak gekeken naar out of the box-oplossingen, zij het naar oplossingen die enigszins passen binnen de wet. In bewaringszaken wordt bijvoorbeeld gewerkt met telehoren, wat beperkingen met zich brengt. In dit verband kan worden gewezen op een afgewezen wrakingsverzoek vanwege het door de rechter niet organiseren van een hoorzitting in een zaak betreffende een verzoek voortzetting crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Rb. Rotterdam 20 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2454). Buiten vrijheidsontnemende kwesties zullen zaken in beginsel schriftelijk worden afgedaan. Hoofdzaken en voorzieningen waarbij een “kennelijkheid” speelt worden vereenvoudigd zonder zitting afgedaan (art. 8:54 en 8:83 lid 3 Awb). Die zaken zullen veelal geen haast hebben, zodat die wellicht nu wat langer op de plank blijven liggen. Maar misschien ook niet, want die zaken zijn ideaal om thuiswerkend af te doen. Hoofdzaken die niet “kennelijk” iets zijn kunnen ook zonder zitting worden afgedaan indien partijen, nadat zij daartoe in de gelegenheid zijn gesteld, niet verzoeken om een zitting, zo volgt uit art. 8:57 lid 1 Awb.
5.
Voor voorlopige voorzieningen biedt art. 8:83 lid 4 Awb uitkomst, want daarin is vermeld:
“Indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, kan de voorzieningenrechter ook in andere gevallen uitspraak doen zonder toepassing van het eerste lid.”
Het eerste lid ziet op de uitnodiging aan partijen op een zitting te verschijnen. In de opgenomen uitspraak van 25 maart 2020 was die uitnodiging de deur al uit. Strikt genomen zou men dan kunnen zeggen dat art. 8:83 lid 4 Awb niet meer kan worden toegepast, maar dat vind ik een te legalistische lezing. De bepaling is inderdaad zo geformuleerd dat het gaat om ervan af te zien partijen voor een zitting uit te nodigen, maar het gaat er bij art. 8:83 lid 4 Awb natuurlijk om dat wordt afgezien van het houden van een zitting. In zoverre is de woordkeus en strekking anders dan die in art. 8:54 Awb, waarin is vermeld dat totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, de bestuursrechter het onderzoek kan sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, vanwege een kennelijkheid. Daar is ijkmoment voor het sluiten van het onderzoek voor vereenvoudigde afdoening het wel of niet hebben verzonden van een uitnodiging voor de zitting, waarbij een vooraankondiging overigens niet meetelt (vgl. CRvB 18 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2248, ABkort 2013/407). Dat de voorzieningenrechter een eerdere uitnodiging intrekt omdat sprake is van spoed en partijen niet in hun belangen worden geschaad door van een zitting af te zien lijkt me nu dan ook terecht en geboden. Ik neem althans aan dat partijen niet zitten te wachten op uitstel van een zitting totdat de gerechten weer open zijn. De uitspraakdatum schuift daarmee immers flink op. Voor de toepassing van art. 8:83 lid 4 Awb is overigens niet maatgevend of partijen daarmee hebben ingestemd. In dit verband wordt die bepaling ook wel toegepast met het oog op een ordemaatregel in afwachting van een zitting en een einduitspraak door de voorzieningenrechter (CRvB (vzr.) 20 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:746 en Rb. Amsterdam (vzr.) 23 oktober 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7007). Die bepaling heeft dan ook zeker niet dezelfde strekking als bijvoorbeeld art. 8:57 lid 1 Awb.