Vgl. Hoge Raad 31 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6575.
HR, 03-11-2026, nr. 25/04191
ECLI:NL:PHR:2026:1064
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
03-11-2026
- Zaaknummer
25/04191
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2026:1064, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 03‑11‑2026
Conclusie 03‑11‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens de eendaadse samenloop van het medeplegen van vernieling (art. 350.1 Sr) door het beschadigen van een gedenkplaats in Winschoten (die was ingericht om twee overleden kinderen te herdenken die op die plek kort daarvoor op een tragische wijze om het leven zijn gekomen) door knuffels van deze gedenkplaats mee te nemen en het wegmaken van deze knuffels. Middel valt uiteen in twee deelklachten. In deelklacht 1 wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als goed in de zin van art. 350.1 Sr moet worden aangemerkt. Deelklacht 2 richt zich tegen het oordeel van het hof dat de herdenk- en/of gedenkplaats (bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen) en meerdere knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van de overleden kinderen en/of personen die deze kinderen willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden. Naar het oordeel van de AG faalt het middel in al zijn onderdelen. Samenhang met 25/04160.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04191
Zitting 3 november 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 6 november 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden (parketnummer 21-002777-25, ECLI:NL:GHARL:2025:6979) wegens de eendaadse samenloop van “het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en “het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken”, veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van zestig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door dertig dagen hechtenis en met aftrek in de zin van art. 27 lid 1 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/04160. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N.D. Spijker, advocaat in Winschoten, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. De zaak in het kort
2.1
Kort gezegd heeft volgens het hof de verdachte in deze zaak samen met twee anderen op 26 mei 2025 in [plaats] een gedenkplaats beschadigd, welke was ingericht om de twee jongere kinderen [naam 1] en [naam 2] te herdenken die op die plek kort daarvoor op een tragische wijze om het leven zijn gekomen en hebben zij knuffels weggemaakt, door deze knuffels van de gedenkplaats te pakken en mee te nemen. De medeverdachte heeft dit gefilmd en dit filmpje verspreid. Volgens het hof zouden zij art. 350 Sr hebben overtreden.
2.2
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. In de eerste deelklacht wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als goed in de zin van art. 350 lid 1 Sr moet worden aangemerkt. De tweede deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat de herdenk- en/of gedenkplaats (bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen) en meerdere knuffels ‘geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden’.
2.3
Voor een verdere samenvatting verwijs ik naar de conclusie in de samenhangende strafzaak 25/04160.
2.4
Voordat ik overga tot bespreking van de middelen, geef ik allereerst de relevante inhoud weer van een aantal stukken.
3. De tenlastelegging, bewezenverklaring en bewijsvoering
3.1
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk de herdenk- en/of gedenkplaats van [naam 1] en [naam 2] aan de [a-straat] en/of de [b-straat] bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en/of bloemen, en/of één of meer knuffels, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
subsidiair
hij op of omstreeks 26 mei 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, één of meer knuffels, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.”
3.2
Door het hof is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“primair
hij op 26 mei 2025 te [plaats] , gemeente [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk de herdenk- en/of gedenkplaats van [naam 1] en [naam 2] aan de [b-straat] bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen, en meerdere knuffels, die geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden, heeft beschadigd en/of weggemaakt.”
3.3
Het hof heeft het primair bewezenverklaarde vervolgens gekwalificeerd als de eendaadse samenloop van “(t.a.v. de gedenk- en herdenkplaats) het medeplegen van het opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen” en “(t.a.v. de knuffels) het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, wegmaken”.
3.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende in het arrest opgenomen bewijsmiddelen:
“1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 76 e.v. van het dossier van politie Eenheid Noord-Nederland, onderzoeksnummer PL0100-2025137272 d.d. 30 mei 2025, inhoudend als verklaring van [verdachte] :
V: Waar was jij tussen zondag avond/maandag morgen (in de nacht)?
A: Ik was in [plaats] bij een plek waar kinderen gestorven zijn. Het was aan het water.
V: Met wie was je daar?
A: Met mijn broer en een vriend van mij. Mijn vriend heet [medeverdachte] .
V: Wat hebben jullie met de knuffels gedaan?
A: We hebben 3 of 4 knuffels meegenomen.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 1] :
Op 26 mei 2025 nam ik kennis van het feit dat op social media (Facebook) een filmpje was geplaatst waarbij op de gedenkplek aan de [b-straat] te [plaats] , gemeente [plaats] , door 3 personen knuffelberen waren weggenomen en deze in een witte personenauto werden gelegd.
Ik herken op deze beelden de herdenkplek waarbij op dinsdag 20 mei 2025 in de avonduren het voertuig te water was geraakt waarbij 3 personen (vader en 2 jonge kinderen) om het leven zijn gekomen. Ter nagedachtenis aan dit feit is door de gemeente [plaats] op de plek waar ze te water zijn geraakt en uiteindelijk geborgen een gedenkplek ingericht welke is afgeschermd met hekwerk. Op deze gedenkplek is door de bevolking een grote hoeveelheid kaarten en speelgoed als beren achtergelaten. De [b-straat] te [plaats] is een voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg en in eigendom van de gemeente [plaats] .
Kort hierna werd op social media ook de naam genoemd en het zou gaan om [medeverdachte] aan de [c-straat 1] te [plaats] . Op 26 mei 2025 was ik om 10:31 uur daar ter plaatse in de straat.
De gestolen knuffels werden achter de woning aangetroffen.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 2] :
De plek op de [b-straat] is ingericht als gedenkplek van [naam 2] , [naam 1] en hun vader die vorige week levenloos in een auto aldaar werden aangetroffen.
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 27 mei 2025, opgenomen op pagina 17 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [verbalisant 3] :
Op 26 mei 2025 heb ik de beelden bekeken die in de telefoon van verdachte [medeverdachte] stonden. Inde telefoon van verdachte [medeverdachte] stonden twee filmpjes.
Filmpje 1
Links boven in beeld staat het tijdstip 26 mei.
Een manspersoon is gekleed in een lichtkleurige zogenaamde joggingbroek met daarop zelfde kleur zogenaamde hoody met daaroverheen een donkerblauwe bodywarmer en witte sneakers. De jongeman heeft een licht getinte huidskleur en donker kort haar. De jongeman draagt geen baard, snor of bril. De jongeman staat buiten op de openbare weg. Het is nog donker buiten. De jongeman wordt vervolgens persoon 1 genoemd. Ik zie dat er dranghekken staan en voor deze dranghekken ligt een zee van knuffels, bloemen en kaarsen op de grond. Persoon 1 staat met zijn rechterzij naar de grote hoeveelheid knuffels. Persoon 1 houdt in zijn beide handen een grote lichtkleurige teddybeer vast. Deze teddybeer is groot van formaat. Persoon 1 tilt deze teddybeer op en houdt zijn handen ter hoogte van zijn schouders. De voeten van de teddybeer hangen ter hoogte van het kruis van persoon 1. Het hoofd van de teddybeer steekt ruim boven het hoofd van persoon 1 uit. Vervolgens gaat persoon 1 door zijn knieën naar beneden en vervolgens weer omhoog waarbij persoon 1 de beer in de lucht gooit. Persoon 1 probeert vervolgens de beer weer op te vangen maar houdt de beer nog met zijn rechterhand vast waarna de beer op de straat valt. Hierbij kijkt persoon 1 in de camera en weet dat hij gefilmd wordt. De grijze knuffel wordt teruggegooid bij de rest van de knuffels. Hierbij zegt persoon 1 iets wat niet is te verstaan. “Neem deze, snel, snel.” Op dat moment verschijnt een andere jongeman in beeld, nader te noemen persoon 2.
Persoon 2 draagt een donkerkleurige jas met daaronder een donkerkleurige broek en licht grijskleurige sneaker met een blauwkleurige vlak op de hak. Heeft ook een licht getinte huidskleur. Persoon 2 staat gebukt voorover voor de grote hoeveelheid aan knuffels. Persoon 2 slaat met zijn linkerhand op een bruinkleurige beer. De bruinkleurige beer ligt op de grond en behoort tot de grote hoeveelheid aan knuffels die op de grond liggen. De stem, vermoedelijk de filmer, zegt vervolgens: “Neem hem, neem hem bro, neem hem, chip chip chip, haby, haby” (fonetisch). Persoon pakt op dat moment de bruinkleurige beer van de grond.
De filmer wijst vervolgens naar een andere knuffel, liggend op de grond. Een blauwe knuffel met rode schoenen aan. De stem zegt: “Pak deze, snel, snel, ella, criminele kanker flikkers. (Iets onverstaanbaars), I want it, go. Ja toch, ja toch. Ja toch de mannen zijn dood. Wij staan hier te werken toch. Ja toch.”
Op het moment dat de filmer dit zegt pakt persoon 1 de grote blauwe knuffel met rode schoen en een kleinere rode knuffel en een klein bruin beertje met witte pet, van de grond op.
De filmer filmt vervolgens kort de enorme hoeveelheid aan knuffels die op de grond liggen. Dan loopt persoon 1 naar een witte auto. Persoon 1 houdt in zijn rechterhand een rode knuffel vast. In zijn linkerhand houdt persoon 1 de grote blauwe knuffel met rode schoenen vast. Persoon 1 loopt naar de witte auto. De kofferbak van de witte auto staat open. Persoon 2 staat lachend bij de kofferbak en probeert een grote bruine knuffel en de grijze grote knuffel in de kofferbak te stoppen.
Stem zegt: “Kom kom”, en de deur achter de bestuurderstoel wordt door filmer geopend.
Er wordt gelachen en wat onverstaanbaars gezegd.
De grote bruine knuffel wordt op de achterbank gelegd door persoon 1. Vervolgens loopt filmer naar de kofferbak van de auto en wijst naar binnen. De stem, vermoedelijk van de filmer zegt: “Hier achter, hier, hier, hier, hier, ja toch, ja toch.” De rode kleine knuffel wordt in de linkerhoek van de kofferbak gelegd. Ook de blauwe grote knuffel met rode schoenen wordt in de kofferbak gelegd, al lachend.”
3.5
Verder heeft het hof het navolgende overwogen (met overneming van voetnoten):
“Oordeel van het hof
Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij op 26 mei 2025 in [plaats] een gedenkplaats en/of knuffels heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar en/of weg heeft gemaakt.
Niet ter discussie staat dat verdachte samen met twee medeverdachten op 26 mei 2025 bij de [b-straat] in [plaats] meerdere knuffels heeft gepakt en in de auto heeft gelegd. Ook wordt niet betwist dat knuffels goederen zijn in de zin van artikel 350 Sr.
Het hof ziet zich voor de vragen gesteld of een gedenkplaats kan worden aangemerkt als een goed als bedoeld in artikel 350 Sr en of de gedenkplaats en de daar aanwezige knuffels nog aan iemand toebehoorden.
Is een gedenkplaats een goed?
Ten aanzien van het betoog van de verdediging dat een gedenkplaats geen goed is als bedoeld in artikel 350 Sr, overweegt het hof anders en wel als volgt.
Het begrip ‘enig goed’ komt een autonome strafrechtelijke betekenis toe. Onder dit begrip valt elk goed dat vatbaar is om voor de bezitter (economische of anderszins) waarde te hebben. Ook een niet-stoffelijk object kan daaronder worden begrepen, mits het gaat om een object dat naar zijn aard geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te worden onttrokken.1.Een goed omvat ook onroerend goed, zoals een huis of akker.2.
Het hof stelt vast dat op de kade waar [naam 2] en [naam 1] te water zijn geraakt en om het leven zijn gekomen, door de gemeente een gedenkplaats is ingericht om hen te herdenken. De gedenkplaats werd afgeschermd met hekwerk. Deze hekken bakenden de plek af die aangewezen was om als gedenkplaats te dienen en vormden daarmee een grens tussen de gedenkplaats en de rest van de kade. Op deze plek zijn door veel mensen knuffels, bloemen en kaarsen neergelegd op een manier die uitdrukking gaf aan hun gevoelens om [naam 2] en [naam 1] te willen herdenken. Deze spullen zijn naar het oordeel van het hof aan te merken als een geordend geheel dat op een organische manier een (tijdelijke) gedenkplaats heeft gevormd. Doordat op een met hekken afgeschermd stuk terrein spullen waren neergelegd die bestemd waren om [naam 2] en [naam 1] te herdenken, was sprake van voorwerpen die ook in hun geheel een emotionele waarde vertegenwoordigden. Zo bezien is naar het oordeel van het hof een gedenkplaats ontstaan die als goed kan worden aangemerkt in de zin van artikel 350 Sr.
Behoorden de gedenkplaats en knuffels aan iemand toe?
Het hof dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de gedenkplaats en knuffels aan iemand toebehoorden. Het hof stelt hierbij om te beginnen voorop dat ‘toebehoren’ in strafrechtelijke zin ruimer is dan het civielrechtelijke eigendomsbegrip als bedoeld in artikel 3:1 van het Burgerlijk Wetboek.3.Verder staat vast dat van een goed dat ‘geheel of ten dele toebehoort aan een ander’ in ieder geval geen sprake is wanneer de eigenaar het bezit van dat goed heeft prijsgegeven.4.Aanknopingspunten voor de vraag of de eigendom van een goed al dan niet is prijsgegeven kunnen naar het oordeel van het hof gevonden worden in de bedoeling van de rechthebbende, de financiële en/of emotionele waarde van het goed, de plaats waar het goed is achtergelaten en de wijze waarop dat is gebeurd.5.Het is soms een feit van algemene bekendheid dat een goed aan een ander toebehoort, zodat nader bewijs op dit punt niet nodig is.6.
Het hof is van oordeel dat de omstandigheden waaronder verdachte en de medeverdachten de gedenkplaats en knuffels hebben aangetroffen niet de gedachte wettigen dat de goederen een ‘res nullius’ dan wel ‘res derelictae’ waren. De goederen bevonden zich op een door hekwerk afgebakend terrein en de knuffels waren samen met andere spullen – waaronder kaarsen en bloemen – op een geordende manier neergelegd. Gelet op de wijze waarop en waarmee de plek bij de kade was afgeschermd en ingericht, is het hof van oordeel dat voor verdachte en zijn medeverdachten duidelijk moet zijn geweest dat het hier om een gedenkplaats ging. Verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat hij op een plek was waar kinderen gestorven zijn. Het hof stelt vast dat het een feit van algemene bekendheid is dat een gedenkplaats een emotionele waarde vertegenwoordigt en dat de spullen, waaronder de knuffels, die op de gedenkplaats worden gelegd hier worden achtergelaten om uitdrukking te geven aan deze gevoelens en om steun te bieden aan de nabestaanden. Mede gelet op de emotionele waarde die de knuffels en de gedenkplaats vertegenwoordigden, stelt het hof vast dat de personen die deze spullen hier hebben neergelegd, het bezit niet zomaar hebben opgegeven. De gedenkplaats en knuffels waren aanwezig voor de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] en/of de mensen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken. Zij behoorden naar het oordeel van het hof dan ook aan hen toe. Uit de omstandigheid dat de gedenkplaats met knuffels aan weer en wind werd blootgesteld en de knuffels niet meer werden opgehaald, kan, anders dan de verdediging lijkt te betogen, ook niet volgen dat daarmee het bezit werd prijsgegeven.
Voor zover door de verdediging ter onderbouwing van de prijsgegeven aard is verwezen naar rechtspraak die ziet op de verwerking van vuilnis, is het hof van oordeel dat de knuffels in deze context niet kunnen worden vergeleken met afval dat ter inzameling en verwerking wordt aangeboden, aangezien de knuffels niet zijn neergelegd op de gedenkplaats met het doel om opgehaald te worden ter vernietiging. De knuffels zijn juist op de gedenkplaats neergelegd om op die specifieke plek een functie te vervullen, namelijk het tot uitdrukking brengen van de emotie die in de samenleving werd gevoeld en het betuigen van medeleven aan de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] .
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de gedenkplaats en de knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 2] en [naam 1] en/of personen die [naam 2] en [naam 1] wilden herdenken, toebehoorden. Daarmee staat vast dat zij in elk geval toebehoorden aan een ander dan verdachte en de medeverdachten.
Conclusie
Gelet op het voorgaande en de hieronder opgenomen bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien – is het hof van oordeel dat verdachte zich samen met zijn medeverdachten heeft schuldig gemaakt aan het beschadigen van de gedenkplaats en het wegmaken van knuffels.”
4. Het middel
4.1
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring en valt uiteen in twee deelklachten.
4.2
In de eerste deelklacht wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat een ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als ‘goed’ in de zin van art. 350 Sr kan worden aangemerkt, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. De steller van het middel voert daartoe aan dat een (tijdelijke) ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ niet geschikt is om aan de feitelijke heerschappij van een ander te kunnen worden onttrekken aangezien het vrij toegankelijk is voor een ieder. De gedenkplaats vertegenwoordigt evenmin economische waarde, zodat het hof de ‘herdenk- en/of gedenkplaats’ als zodanig niet als ‘goed’ in de zin van art. 350 lid 1 Sr had mogen aanmerken.
4.3
In de tweede deelklacht wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de herdenk- en/of gedenkplaats (bestaande uit onder meer knuffels, tekeningen en bloemen) en meerdere knuffels geheel of ten dele aan de nabestaanden van [naam 1] en [naam 2] en/of personen die [naam 1] en [naam 2] willen herdenken, in elk geval aan een ander dan verdachte en zijn mededaders, toebehoorden, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is. Dit nu de onbekend gebleven personen die de knuffels en andere voorwerpen op de herdenk- en/of gedenkplaats hebben neergelegd daarmee afstand hebben gedaan van deze voorwerpen en daarmee hun eigendomsrecht hebben opgegeven (zodat het voorwerpen zonder eigenaar of bezitter zijn geworden), aldus de steller van het middel.
De eerste deelklacht faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in mijn conclusie in de samenhangende strafzaak 25/04160 onder 4.3-4.12.
4.4
Ook de tweede deelklacht faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in mijn conclusie in de samenhangende strafzaak 25/04160 onder 5.3-5.12.
4.5
Daarmee faalt het middel in al zijn onderdelen.
5. Afronding
5.1
Het middel faalt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑11‑2026
Vgl. Hoge Raad 27 oktober 1916, W 10 050.
Zie Hoge Raad 12 maart 2024, ECLI:NLHR:2024:384.
Vgl. ten aanzien van diefstal Hoge Raad 2 april 2013, ECLI:NL:HR:20I3:BZ5952.
Zie hiervoor ook de CAG van E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2024:55.
Vgl. Hoge Raad 17 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6361, NJ 1979, 152.