Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.3.2:3.2.3.2 Aan de hand van feitelijke heerschappij
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.2.3.2
3.2.3.2 Aan de hand van feitelijke heerschappij
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474386:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Drion 1953, p. 178.
Hartkamp 1979, p. 134.
Schoordijk 1986b, p. 580. Schoordijk rekent de opvatting van Hartkamp (mijns inziens onterecht) ook toe aan de Toelichting Meijers.
Schoordijk 1986b, p. 580.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
48. De invloed van de feitelijke heerschappij over een zaak op de invulling van het begrip toekomstige goederen is opgekomen tegen de achtergrond van de verhouding tussen de levering bij voorbaat van een toekomstig goed en de bekrachtiging van een overdracht doordat de aanvankelijk beschikkingsonbevoegde vervreemder alsnog het goed verkrijgt.
Hartkamp heeft in dit verband opgemerkt dat onder toekomstige goederen moet worden verstaan, enerzijds, goederen die niet bestaan en, anderzijds, goederen die bestaan, maar “niet aan de verkrijger toebehoren noch te zijner beschikking staan”. Hartkamp leek hiermee de opvattingen van Meijers en Drion te combineren. Naar de opvatting van Meijers was een goed immers bestaand indien het toebehoort aan de vervreemder. Drion knoopte daarentegen aan bij het ter beschikking staan van het goed aan de vervreemder.1 Een vervreemder had het goed ter beschikking indien hij het in zijn macht had en daardoor tot onmiddellijke levering van het goed in staat was. Bij roerende zaken komt dit neer op houderschap, bij vorderingen op naam op de schijn van schuldeiserschap en bij registergoederen op de vermelding als rechthebbende in de registers. Deze goederen vielen buiten het begrip toekomstige goederen en konden dan ook niet als toekomstig goed bij voorbaat worden geleverd. Op de overdracht van deze goederen was, indien de vervreemder op een later moment de beschikkingsbevoegdheid verkreeg, bekrachtiging van toepassing (art. 3:58 BW).2
De opvatting van Hartkamp werd bestreden door Schoordijk. Mijns inziens terecht, merkte Schoordijk op dat uit de wet niet valt af te leiden dat een zaak die men feitelijk onder zich heeft, zou zijn uitgesloten van het begrip toekomstige zaak.3 Hij raadde vervolgens aan het begrip toekomstige zaak te verruimen en daaronder te verstaan “ieder beschikken over een zaak, waarvan men nog niet de rechthebbende is, ongeacht of degeen die daar over beschikt de zaak ‘de facto’ in zijn macht heeft”.4 Waar Hartkamp de goederen die een vervreemder nog niet toebehoren, maar waarover hij wel de feitelijke heerschappij heeft, onder bekrachtiging wilde scharen, wilde Schoordijk iedere levering door een onbevoegde als een levering bij voorbaat van toekomstige goederen beschouwen.
De bovenstaande discussie zaaide de nodige verwarring wat betreft de afbakening van het begrip toekomstige goederen. Bij de behandeling van de invoeringswet van de Boeken 3, 5 en 6 BW verzocht de vaste commissie voor Justitie van de Tweede Kamer de minister om op dit punt duidelijkheid te scheppen. Op een vraag van de commissie werd van regeringszijde bevestigd dat het begrip toekomstige goederen omvat “goederen die nog niet bestaan of wel reeds bestaan doch waarover de vervreemder nog niet bevoegd is te beschikken”. Zo valt volgens de minister bijvoorbeeld niet in te zien waarom een huurder van een machine met een over enige tijd ingaande koopoptie, de machine niet als een toekomstig goed bij voorbaat kan leveren aan een derde.5 De opvatting van Hartkamp – dat goederen die niet aan de vervreemder toebehoren, maar wel feitelijk tot zijn beschikking staan, geen toekomstige goederen zijn – werd daarmee verworpen.
Aldus is de aanwezigheid (of afwezigheid) van feitelijke heerschappij ten aanzien van een goed, niet van invloed op de kwalificatie van dat goed als een toekomstig goed. Dat een zaak of vermogensrecht feitelijk ter beschikking staat van een bepaalde persoon, sluit in het geheel niet uit dat het een toekomstige goed van deze persoon betreft. Slechts het niet-gerechtigd zijn tot het goed is bepalend.