Retentierecht en uitwinning
Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.3.1:6.3.3.1 Inleiding
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/6.3.3.1
6.3.3.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS587548:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor par. 6.3.2.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
274. Voor executoriaal beslag is een executoriale titel vereist. De executoriale titel is het centrale begrip in het executierecht. De titel legitimeert de executie van het vermogen van de beslagene. De executoriale titel stelt de verhaalsbevoegdheid van de beslaglegger vast. In het ‘normale geval’ bevat de executoriale titel een veroordeling van de schuldenaar om een prestatie jegens de schuldeiser te leveren. Bij verhaal op het goed van een derde door de retentor liggen de kaarten anders. Een veroordeling van de schuldenaar leidt niet logischerwijs tot een bevoegdheid tot verhaal op het goed van de derde. Het materiële recht (in dit geval art. 3:292 BW) geeft de schuldeiser de bevoegdheid tot verhaal op zaken van derden. Aangezien de executoriale titel fungeert als legitimatie van de verhaalsbevoegdheid, is dan ook de vraag of het verhaalsrecht niet ook daaruit zou moeten blijken. Zoals gezegd biedt het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet een duidelijk stappenplan van de vereisten voor verhaal op goederen van derden. In deze paragraaf beschrijf ik de stappen die de retentor moet zetten om het verhaalsrecht jegens de derde te effectueren. Ik beschrijf de procedure van executoriaal beslag tot en met de beslaglegging zelf. Vanaf dat moment verschilt de situatie niet meer aanmerkelijk van het ‘normale’ executoriaal beslag, door de schuldeiser op goederen van zijn schuldenaar. Het overschot van de executieopbrengst wordt ingevolge art. 3:270 lid 1 BW uitgekeerd aan hem wiens goed is verkocht; voor roerende zaken bepaalt art. 480 lid 1 Rv dat een overschot aan de geëxecuteerde moet worden afgedragen. Als de zaak van de derde wordt geëxecuteerd, is de derde de geëxecuteerde.1