Procestaal: Engels.
HvJ EU, 21-11-2024, nr. C-297/23 P
ECLI:EU:C:2024:971
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
21-11-2024
- Magistraten
K. Lenaerts, C. Lycourgos, S. Rodin, N. Jääskinen, O. Spineanu-Matei
- Zaaknummer
C-297/23 P
- Conclusie
J. kokott
- Roepnaam
Harley-Davidson Europe en Neovia Logistics Services International/Commissie
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2024:971, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 21‑11‑2024
ECLI:EU:C:2024:448, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑05‑2024
Uitspraak 21‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Gemeenschappelijke handelspolitiek — Maatregelen met het oog op de uitoefening van de rechten die de Europese Unie ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer — Verordening (EU) nr. 654/2014 — Uitvoeringsverordening (EU) 2018/886 — Douane-unie — Verordening (EU) nr. 952/2013 — Douanewetboek van de Unie — Door nationale douaneautoriteiten afgegeven beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (BOI) — Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 — Vaststelling van de niet-preferentiële oorsprong van bepaalde Harley-Davidson-motorrijwielen — Begrip ‘niet economisch verantwoorde be- of verwerking’ — Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie betreffende de intrekking van BOI-beschikkingen — Delegatie van bevoegdheid — Gewettigd vertrouwen — Recht op behoorlijk bestuur — Recht om te worden gehoord
K. Lenaerts, C. Lycourgos, S. Rodin, N. Jääskinen, O. Spineanu-Matei
Partij(en)
In zaak C-297/23 P,*
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 11 mei 2023,
Harley-Davidson Europe Ltd, gevestigd te Oxford (Verenigd Koninkrijk),
Neovia Logistics Services International NV, gevestigd te Vilvoorde (België),
vertegenwoordigd door E. Righini, avvocato, en S. Völcker, Rechtsanwalt,
rekwirantes,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Clotuche-Duvieusart, M. Kocjan en F. Moro als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend voor de president van de Vierde kamer, C. Lycourgos (rapporteur), president van de Derde kamer, S. Rodin, N. Jääskinen en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 mei 2024,
het navolgende
Arrest
1
Met hun hogere voorziening vorderen Harley-Davidson Europe Ltd en Neovia Logistics Services International NV vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 1 maart 2023, Harley-Davidson Europe en Neovia Logistics Services International/Commissie (T-324/21, EU:T:2023:101; hierna: ‘bestreden arrest’), waarbij het beroep tot nietigverklaring is verworpen dat zij hadden ingesteld tegen uitvoeringsbesluit (EU) 2021/563 van de Commissie van 31 maart 2021 betreffende de geldigheid van bepaalde beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (PB 2021, L 119, blz. 117; hierna: ‘litigieus besluit’), dat tot het Koninkrijk België is gericht.
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
2
Artikel 2 van de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels (PB 1994, L 336, blz. 144), die is opgenomen in bijlage 1A bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) (PB 1994, L 336, blz. 3), bepaalt:
‘Zolang het […] werkprogramma voor de harmonisering van de oorsprongsregels niet is voltooid, zien de Leden erop toe dat:
[…]
- b)
ongeacht de handelsbeleidsmaatregel of het handelsbeleidsinstrument waarmee ze verband houden, hun oorsprongsregels niet rechtstreeks of onrechtstreeks gebruikt worden als instrumenten om handelsdoeleinden te bereiken;
- c)
de oorsprongsregels zelf de internationale handel niet beperken, vervalsen of verstoren. Voor de bepaling van het land van oorsprong stellen zij geen onnodig strenge eisen en evenmin voorwaarden die geen verband houden met de vervaardiging of bewerking. Kosten die geen rechtstreeks verband houden met de vervaardiging of bewerking mogen evenwel in aanmerking worden genomen voor de toepassing van het criterium van het ad-valorempercentage […];
[…]’
Unierecht
Douanewetgeving
— Communautair douanewetboek
3
Artikel 25 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair wetboek (PB 1992, L 302, blz. 1; hierna: ‘communautair douanewetboek’), was als volgt verwoord:
‘Indien ten aanzien van bepaalde be- of verwerkingen vaststaat of op grond van vastgestelde feiten het vermoeden is gewettigd dat daarmee slechts ontduiking wordt beoogd van de bepalingen die in de [Europese] Gemeenschap op goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de daardoor verkregen goederen in geen geval worden geacht […] van oorsprong te zijn uit het land waar deze be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden.’
— Douanewetboek van de Unie
4
In de overwegingen 9 en 55 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1; hierna: ‘douanewetboek van de Unie’) staat te lezen:
- ‘(9)
De [Europese] Unie is gegrondvest op een douane-unie. Het is zowel voor de marktdeelnemers als voor de douaneautoriteiten in de Unie wenselijk dat de bestaande douanewetgeving in een wetboek wordt samengebracht. Uitgaande van het idee van een interne markt, dient dat wetboek de algemene regels en procedures te bevatten die de toepassing waarborgen van de tariefmaatregelen en de andere maatregelen van gemeenschappelijk beleid die op het niveau van de Unie zijn vastgesteld in het kader van het goederenverkeer tussen de Unie en landen of gebieden buiten het douanegebied van de Unie, rekening houdend met de vereisten van dat gemeenschappelijk beleid. […]
[…]
- (55)
Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5 [VEU], is het voor het verwezenlijken van de kerndoelstellingen, dat de douane-unie doeltreffend kan functioneren en dat aan het gemeenschappelijke handelsbeleid uitvoering wordt gegeven, nodig en passend de algemene regels en procedures vast te stellen voor goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten. […]’
5
Artikel 33 van dit wetboek bepaalt:
- ‘1.
De douaneautoriteiten geven op aanvraag […] beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen [(hierna: ‘BOI-beschikkingen’)] af.
[…]
- 3.
[…] BOI-beschikkingen gelden voor een periode van drie jaar datum waarop de beschikking van kracht wordt.
[…]’
6
Artikel 34, lid 11, van dat wetboek bepaalt:
‘De [Europese] Commissie kan besluiten vaststellen waarbij aan lidstaten het verzoek wordt gericht om […] BOI-beschikkingen in te trekken, teneinde de correctheid en uniformiteit van de tariefindeling of de vaststelling van de oorsprong van goederen te garanderen.’
7
In artikel 59 van dat wetboek is het volgende bepaald:
‘In de artikelen 60 en 61 zijn de regels vastgesteld voor de bepaling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen met het oog op de toepassing van:
- a)
het gemeenschappelijk douanetarief […];
- b)
andere maatregelen dan tariefmaatregelen die op grond van Uniebepalingen met betrekking tot specifieke gebieden in het kader van het goederenverkeer zijn vastgesteld; en
- c)
andere Uniemaatregelen met betrekking tot de oorsprong van goederen.’
8
Artikel 60 van het douanewetboek van de Unie luidt als volgt:
- ‘1.
Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.
- 2.
Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.’
9
In artikel 62 van dit wetboek is bepaald:
‘De Commissie is bevoegd […] gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de regels volgens welke de goederen, waarvan voor de toepassing van de in artikel 59 bedoelde maatregelen van de Unie de niet-preferentiële oorsprong moeten worden vastgesteld, worden geacht geheel en al in één enkel land of gebied te zijn verkregen of overeenkomstig artikel 60 in een land of een gebied zijn verkregen waar de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingerichte onderneming die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.’
— Gedelegeerde verordening 2015/2446
10
Overweging 21 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1) luidt als volgt:
‘Om te voorkomen dat de oorsprong van ingevoerde goederen wordt gemanipuleerd met als doel handelspolitieke maatregelen te omzeilen, moet de laatste ingrijpende be- of verwerking in een aantal gevallen worden aangemerkt als niet economisch verantwoord.’
11
Artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446, met het opschrift ‘Niet economisch verantwoorde be- of verwerking (Artikel 60, lid 2, van het [douanewetboek van de Unie])’, was als volgt geformuleerd:
‘Een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt, wordt als niet economisch verantwoord aangemerkt wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing van de in artikel 59 van het [douanewetboek van de Unie] bedoelde maatregelen te vermijden.
[…]
In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, worden zij, wanneer de laatste be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt, geacht hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is, zoals bepaald op basis van de waarde van de materialen.’
Regelgeving inzake gemeenschappelijke handelspolitiek
— Verordening nr. 654/2014
12
Artikel 3 van verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels en tot wijziging van verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (PB 2014, L 189, blz. 50), is als volgt verwoord:
‘Deze verordening is van toepassing:
[…]
- c)
om het evenwicht van concessies of andere verplichtingen te herstellen, een maatregel waartoe de toepassing van een vrijwaringsmaatregel door een derde land het recht kan verlenen overeenkomstig artikel 8 van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen of overeenkomstig de bepalingen inzake vrijwaring die zijn opgenomen in andere internationale handelsovereenkomsten, waaronder regionale of bilaterale overeenkomsten;
[…]’
13
Artikel 4 van verordening nr. 654/2014 bepaalt:
- ‘1.
Indien maatregelen nodig zijn om de belangen van de Unie in de in artikel 3 genoemde gevallen te vrijwaren, stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van de passende handelspolitieke maatregelen. […]
- 2.
Overeenkomstig lid 1 vastgestelde uitvoeringshandelingen voldoen aan de volgende voorwaarden:
[…]
- c)
in het geval van evenwichtherstellende maatregelen ten aanzien van concessies of andere verplichtingen overeenkomstig vrijwaringsbepalingen in internationale handelsovereenkomsten is het optreden van de Unie in wezen gelijkwaardig aan het niveau van de concessies of andere verplichtingen die negatief worden beïnvloed door de vrijwaringsmaatregel, overeenkomstig de voorwaarden van de WTO-Overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen of de vrijwaringsbepalingen in andere internationale handelsovereenkomsten, met inbegrip van regionale of bilaterale overeenkomsten, uit hoofde waarvan de vrijwaringsmaatregel wordt toegepast;
[…]’
— Uitvoeringsverordening 2018/724
14
Artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2018/724 van de Commissie van 16 mei 2018 betreffende bepaalde handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB 2018, L 122, blz. 14) is als volgt verwoord:
‘De Commissie zal onmiddellijk, en in elk geval niet later dan 18 mei 2018, de WTO-Raad voor de handel in goederen ervan in kennis stellen dat de Unie, voor zover de Raad voor de handel in goederen zich er niet tegen uitspreekt, vanaf 20 juni 2018 de toepassing ten aanzien van de handel met de Verenigde Staten van invoerrechtenconcessies krachtens [de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel (GATT) 1994] met betrekking tot de in de bijlagen I en II vermelde producten opschort teneinde op de invoer van deze producten die van oorsprong zijn uit de Verenigde Staten de toepassing van aanvullende douanerechten mogelijk te maken.’
— Uitvoeringsverordening 2018/886
15
Krachtens artikel 1 van uitvoeringsverordening (EU) 2018/886 van de Commissie van 20 juni 2018 betreffende bepaalde handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2018/724 (PB 2018, L 158, blz. 5) past de Unie aanvullende douanerechten toe op de invoer in de Unie van producten die van oorsprong zijn uit de Verenigde Staten van Amerika, waaronder motorrijwielen met motor met op- en neergaande zuigers, met een cilinderinhoud van meer dan 800 cm3. Uit artikel 2 van uitvoeringsverordening 2018/886 volgt dat op die producten boven op het conventionele recht van 6 %, in een eerste fase, met ingang van 22 juni 2018, 25 % aanvullende douanerechten worden toegepast, en vervolgens in een tweede fase, met ingang van in wezen uiterlijk 1 juni 2021, een verder aanvullend recht van 25 %.
Voorgeschiedenis van het geding
16
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 20 tot en met 38 van het bestreden arrest uiteengezet. Voor de onderhavige procedure kunnen zij als volgt worden samengevat.
17
In juni 2018 heeft de regering van de Verenigde Staten van Amerika aanvullende douanerechten van 25 % en 10 % ingesteld op respectievelijk de invoer van staal en de invoer van aluminium uit de Unie, teneinde de nationale productie van deze producten te bevorderen en te verhogen. Als reactie op de instelling van die douanerechten heeft de Commissie uitvoeringsverordening 2018/886 vastgesteld, die voorziet in de toepassing van aanvullende douanerechten op de invoer van producten van oorsprong uit de Verenigde Staten, waaronder motorrijwielen met motor met op- en neergaande zuigers, met een cilinderinhoud van meer dan 800 cm3.
18
Harley-Davidson Inc., een Amerikaanse onderneming die gespecialiseerd is in de bouw van motorrijwielen heeft na de bekendmaking van deze uitvoeringsverordening in het Publicatieblad van de Europese Unie kennisgenomen van die aanvullende douanerechten.
19
Op 25 juni 2018 heeft Harley-Davidson een formulier, getiteld ‘Form 8-K Current Report’ (hierna: ‘formulier 8-K’), doen toekomen aan de Securities and Exchange Commission (beurscommissie, Verenigde Staten) om haar aandeelhouders op de hoogte te brengen van de toepassing van de aanvullende douanerechten die de Unie bij uitvoeringsverordening 2018/886 had ingesteld en van de gevolgen daarvan voor haar activiteiten.
20
Harley-Davidson heeft in het formulier 8-K in het bijzonder het volgende meegedeeld:
‘De Europese Unie heeft douanerechten vastgesteld op verschillende in de Verenigde Staten vervaardigde producten, waaronder de Harley-Davidson-motorrijwielen. Deze rechten, die op 22 juni 2018 in werking zijn getreden, werden opgelegd als reactie op de douanerechten die de Verenigde Staten op uit [de Unie] naar de Verenigde Staten uitgevoerd staal en aluminium heffen.
Bijgevolg zijn de douanerechten van [de Unie] op de uit de Verenigde Staten uitgevoerde Harley-Davidson-motorrijwielen van 6 % naar 31 % gestegen. Harley-Davidson schat dat deze douanerechten per motorrijwiel dat vanuit de Verenigde Staten naar [de Unie] wordt uitgevoerd, ongeveer 2 200 [US-dollar (USD)] extra kosten zullen meebrengen.
[…]
Om het hoofd te bieden aan de aanzienlijke kosten van deze tarieflast op lange termijn zal Harley-Davidson een plan uitwerken om de productie van de motorrijwielen bestemd voor [de Unie] te verplaatsen van de Verenigde Staten naar haar internationale faciliteiten om zo die tarieflast te voorkomen. Harley-Davidson verwacht dat de toename van de productie in de internationale fabrieken bijkomende investeringen noodzakelijk zal maken en het ten minste 9 tot 18 maanden zal kunnen duren tot alles volledig voltooid is.’
21
Na de publicatie van het formulier 8-K heeft Harley-Davidson haar fabriek in Thailand gekozen als productielocatie voor een aantal van haar voor de Uniemarkt bestemde motorrijwielen.
22
Harley-Davidson wenste toezeggingen te verkrijgen met betrekking tot de bepaling van het land van oorsprong van deze motorrijwielen. Daarom hebben Harley-Davidson en Neovia Logistics Services International, een tussenpersoon die Harley-Davidson logistieke bijstand verleent in het kader van de invoer van motorrijwielen in de Unie via België, op 25 januari 2019 samen twee eerste formele aanvragen voor BOI-beschikkingen betreffende twee reeksen motorrijwielen ingediend bij de Belgische douaneautoriteiten. Later zijn nog drie andere aanvragen voor BOI-beschikkingen betreffende drie andere reeksen motorrijwielen ingediend.
23
Op 31 januari 2019 hebben de Belgische autoriteiten deelgenomen aan een vergadering met de Commissie over de eerste twee aanvragen voor BOI-beschikkingen. De Commissie heeft na afloop van deze vergadering een informeel advies uitgebracht volgens hetwelk, gelet op de in het formulier 8-K vermelde gegevens, mogelijkerwijs niet was voldaan aan het criterium van de economische rechtvaardiging in de zin van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446. De Commissie heeft ondanks de verzoeken van de Belgische autoriteiten daartoe echter nooit een formeel advies uitgebracht over de toepasselijkheid van deze bepaling op de feiten van de onderhavige zaak.
24
Op 24 juni 2019 hebben de Belgische douaneautoriteiten krachtens artikel 33, lid 1, van het douanewetboek van de Unie twee BOI-beschikkingen vastgesteld, waarbij zij hebben erkend en gecertificeerd dat de twee in punt 22 van het onderhavige arrest vermelde reeksen motorrijwielen waar de eerste twee aanvragen voor BOI-beschikkingen betrekking op hadden, Thailand als land van oorsprong hadden. De drie andere eveneens in punt 22 van het onderhavige arrest vermelde aanvragen voor BOI-beschikkingen hebben de Belgische douaneautoriteiten later op dezelfde wijze behandeld. De eerste twee BOI-beschikkingen zijn op 21 augustus 2019 door die autoriteiten aan de Commissie ter kennis gebracht.
25
Op 5 oktober 2020 heeft de Commissie de Belgische autoriteiten laten weten dat zij voornemens was hun te verzoeken de eerste twee BOI-beschikkingen in te trekken. Op 13 november 2020 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie geantwoord dat zij zich verzetten tegen een dergelijk verzoek om intrekking. Op 23 december 2020 heeft de Commissie een formele procedure ingeleid met het oog op de vaststelling van het litigieuze besluit.
26
Op 5 maart 2021 heeft de Commissie het ontwerp van het litigieuze besluit in het kader van de raadplegingsprocedure en via een schriftelijke procedure voorgelegd aan alle nationale delegaties van het Comité douanewetboek van de Unie, afdeling Oorsprong. Vier lidstaten hebben opmerkingen over het ontwerp van het litigieuze besluit ingediend en hebben zich verzet tegen het standpunt dat de Commissie in dat ontwerp had ingenomen. Op 29 maart 2021 heeft de Commissie aan het Comité douanewetboek van de Unie, afdeling Oorsprong, een samenvattende nota toegestuurd waarin zij stelde dat de 23 lidstaten die geen standpunt hadden ingenomen, stilzwijgend hadden ingestemd met het ontwerp van het litigieuze besluit.
27
Op 31 maart 2021 heeft de Commissie het litigieuze besluit vastgesteld, waarvan zij op 6 april 2021 kennis heeft gegeven aan het Koninkrijk België en dat de volgende dag is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Bij dit besluit heeft de Commissie de Belgische autoriteiten verzocht de eerste twee BOI-beschikkingen in te trekken.
28
In de overwegingen 6, 7 en 9 van de het litigieuze besluit heeft de Commissie het volgende aangegeven:
- ‘(6)
Na de publicatie van de handelspolitieke maatregelen van de Europese Unie heeft [Harley-Davidson middels het formulier 8-K, dat in juni 2018 aan de beurscommissie werd voorgelegd,] gemeld dat [zij] voornemens was de productie van bepaalde, voor de EU-markt bestemde motorrijwielen te verplaatsen van de Verenigde Staten van Amerika naar [haar] internationale faciliteiten in een ander land om de handelspolitieke maatregelen van de Europese Unie te vermijden.
- (7)
Ook al is het vermijden van de handelspolitieke maatregelen niet noodzakelijkerwijs de enige reden om de productie te verplaatsen, toch is op basis van de beschikbare feiten voldaan aan de voorwaarden van artikel 33, eerste alinea, [van gedelegeerde verordening 2015/2446]. De in het laatste land van productie verrichte be- of verwerkingen worden daarom geacht niet economisch verantwoord te zijn. Bijgevolg moet de niet-preferentiële oorsprong van de motorrijwielen worden bepaald op basis van de derde alinea van voornoemd artikel 33.
[…]
- (9)
Aangezien de bepaling van de niet-preferentiële oorsprong van de motorrijwielen waarop de in de bijlage genoemde BOI-beschikkingen betrekking hebben, niet op de in artikel 33, derde alinea, [van gedelegeerde verordening 2015/2446] vastgestelde regel is gebaseerd, beschouwt de Commissie deze niet-preferentiële oorsprongsbepaling als onverenigbaar met artikel 60, lid 2, van [het douanewetboek van de Unie] in samenhang met artikel 33 [van gedelegeerde verordening 2015/2446].’
29
Nadat het litigieuze besluit was vastgesteld hebben de Belgische autoriteiten bij aan Neovia Logistics Services International gerichte brief van 16 april 2021 rekwirantes meegedeeld dat zij de vijf BOI-beschikkingen betreffende de invoer in de Unie van door Harley-Davidson in Thailand vervaardigde motorrijwielen introkken.
Beroep bij het Gerecht en bestreden arrest
30
Met hun beroep bij het Gerecht hebben Harley-Davidson Europe en Neovia Logistics Services International onder meer nietigverklaring van het litigieuze besluit gevorderd.
31
In het kader van dat beroep hebben rekwirantes zes middelen tot nietigverklaring aangevoerd:
- —
eerste middel: niet-nakoming van de motiveringsplicht en niet-inachtneming van de aan de vaststelling van het litigieuze besluit voorafgaande raadplegingsprocedure;
- —
tweede middel: kennelijke beoordelingsfout;
- —
derde middel: onjuiste uitlegging en onjuiste toepassing van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446;
- —
vierde middel: onrechtmatigheid van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446;
- —
vijfde middel: schending van algemene beginselen van het Unierecht en van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en
- —
zesde middel: misbruik van bevoegdheid door de Commissie voor politieke doeleinden.
32
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht deze zes middelen afgewezen en dit beroep in zijn geheel verworpen.
Conclusies van partijen in hogere voorziening
33
Rekwirantes verzoeken het Hof:
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
het litigieuze besluit nietig te verklaren, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten die rekwirantes in de procedure bij het Hof en in de procedure bij het Gerecht hebben gemaakt.
34
De Commissie verzoekt het Hof:
- —
de hogere voorziening af te wijzen en
- —
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
Hogere voorziening
35
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes drie middelen aan. Het eerste middel berust op een onjuiste uitlegging van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446. Met het tweede middel wordt subsidiair overschrijding van de bij artikel 62 van het douanewetboek van de Unie gedelegeerde bevoegdheden aangevoerd. Het derde middel is ontleend aan schending van het recht op behoorlijk bestuur.
Eerste middel: onjuiste uitlegging van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446
Argumenten van partijen
36
Het eerste middel van de hogere voorziening, dat uit drie onderdelen bestaat, is gericht tegen de uitlegging die het Gerecht heeft gegeven aan artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446.
37
Met het eerste onderdeel van dit middel betogen rekwirantes dat het Gerecht het doel en de context van deze bepaling heeft miskend.
38
Zij menen dat die bepaling strekt tot precisering van de inhoud van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek van de Unie, waarin de oorsprong van een product wordt gedefinieerd aan de hand van een feitelijk criterium, namelijk het laatste land of gebied waarin het product een significante toegevoegde waarde heeft verkregen. Het Gerecht heeft dit objectieve criterium in een subjectief criterium omgezet door de Commissie de mogelijkheid te laten een hiërarchie aan te brengen bij de beoordeling van subjectieve elementen.
39
Artikel 25 van het communautair douanewetboek, dat berustte op een subjectief criterium, is echter ingetrokken wegens systemische problemen en problemen met de uitvoering ervan. Dit criterium was volgens rekwirantes een factor van rechtsonzekerheid en was strijdig met artikel 2 van de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels, volgens hetwelk deze regels niet mogen worden gebruikt als instrumenten om handelsdoeleinden te bereiken en evenmin voorwaarden mogen stellen die geen verband houden met de vervaardiging of bewerking.
40
Indien artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 wordt uitgelegd op de wijze als in het bestreden arrest, voert het een uiterst moeilijk weerlegbaar vermoeden in dat het voornaamste doel van een verplaatsing erin bestaat de toepassing van een handelspolitieke maatregel te vermijden wanneer deze verplaatsing samenvalt met de vaststelling van deze maatregel, ongeacht de economische rechtvaardiging ervoor.
41
Voorts stellen rekwirantes dat artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446, gelet op de in overweging 21 van deze verordening genoemde doelstelling om te voorkomen dat de oorsprong van ingevoerde goederen wordt ‘gemanipuleerd’ met als doel de toepassing van handelspolitieke maatregelen te vermijden, een anti-omzeilingsbepaling is, die net als in fiscale of in antidumpingaangelegenheden strikt moet worden uitgelegd. Deze bepaling heeft, net als artikel 13 van verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB 2016, L 176, blz. 21), enkel betrekking op verplaatsingen die zonder de betrokken handelspolitieke maatregelen kennelijk geen enkele zin hebben.
42
Met het tweede onderdeel van het eerste middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 op een zodanig wijze heeft uitgelegd dat iedere reactie van een onderneming op handelspolitieke maatregelen van de Unie haast onweerlegbaar wordt vermoed een inbreuk op deze bepaling op te leveren.
43
In plaats van na te gaan of er voor de verplaatsing een ander redelijk motief bestond dan het omzeilen van handelspolitieke maatregelen van de Unie heeft het Gerecht de Commissie in de praktijk toegestaan het land van oorsprong zodanig te herdefiniëren dat het overeenstemt met de doelstellingen van die maatregelen. Het heeft op rekwirantes de last opgelegd om het vermoeden van schending van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 te weerleggen, terwijl het een ondernemer vrijstaat zijn eigen commerciële beleid te bepalen op basis van overwegingen van commerciële efficiëntie, zoals wanneer hij bijvoorbeeld zijn recht uitoefent om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft, welk recht is erkend in punt 73 van het arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C-255/02, EU:C:2006:121).
44
Daarnaast heeft het Gerecht ten onrechte geoordeeld dat artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 de vrijheid van ondernemerschap niet inperkt, terwijl de uitlegging die daaraan in het bestreden arrest is gegeven, leidt tot een onrechtmatige beperking van de vrijheid van ondernemingen om hun productielocatie te kiezen. Het feit dat modellen van motorrijwielen die uitsluitend in Thailand zijn vervaardigd, volgens de redenering van het Gerecht moeten worden geacht de Verenigde Staten als land van oorsprong te hebben, levert een extra beperking van deze vrijheid op.
45
Met het derde onderdeel van het eerste middel betogen rekwirantes dat het bestreden arrest een onjuiste rechtsopvatting bevat met betrekking tot het bewijsniveau dat de Commissie moet bereiken opdat de bewijslast voor het feit dat de verplaatsing van zijn activiteit economisch gerechtvaardigd is, bij de ondernemer komt te liggen. Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de samenloop in de tijd van een handelspolitieke maatregel en de verplaatsing volstaat om het vermoeden te vestigen dat die verplaatsing niet economisch gerechtvaardigd is. Door de redenering die het Gerecht heeft gevolgd, heeft het punt 29 van het arrest van 13 december 1989, Brother International (C-26/88, EU:C:1989:637), onjuist uitgelegd.
46
Voorts heeft het Gerecht het begrip ‘beschikbare feiten’ in de zin van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 selectief uitgelegd door zich uitsluitend op het formulier 8-K te baseren om rekwirantes de bewijslast te laten dragen. Aangezien deze bepaling het Gerecht verplichtte alle beschikbare feiten te onderzoeken, heeft het, door geen rekening te houden met bewijzen die van na de publicatie van dat formulier dateren, die feiten onjuist opgevat en een kennelijke beoordelingsfout gemaakt. Rekening houdend met de beschikbare bewijzen dient het Hof huns inziens vast te stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting aangezien de vaststelling van de betrokken handelspolitieke maatregel weliswaar de aanleiding is geweest voor de verplaatsing, maar het omzeilen van die maatregel niet het voornaamste of overheersende doel van deze verplaatsing was.
47
De Commissie is van mening dat de in het derde onderdeel van het eerste middel uiteengezette argumenten in verband met een onjuiste opvatting van de bewijzen niet-ontvankelijk zijn omdat rekwirantes niet precies hebben uitgelegd welke analysefouten het Gerecht heeft gemaakt. Dit eerste middel is volgens haar hoe dan ook ongegrond.
Beoordeling door het Hof
48
Met de eerste twee onderdelen van het eerste middel van de hogere voorziening, die samen dienen te worden behandeld, verwijten rekwirantes het Gerecht een onjuiste uitlegging te hebben gegeven aan het criterium van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446, volgens hetwelk een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt ‘wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing [te vermijden] van de in artikel 59 van het [douanewetboek van de Unie] bedoelde maatregelen’, zoals die welke in de onderhavige zaak aan de orde zijn.
49
In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 58 van het bestreden arrest de uitdrukking ‘die be- of verwerking tot doel had […] te vermijden’ in deze bepaling aldus heeft uitgelegd dat het gebruik van ‘doel’ in het enkelvoud aldus moet worden opgevat dat het omzeilen van een handelspolitieke maatregel mogelijk niet het enige doel is, maar wel doorslaggevend dient te zijn bij de keuze om de productie te verplaatsen. In punt 62 van het bestreden arrest is het Gerecht tot de slotsom gekomen dat die bepaling aldus moet worden uitgelegd dat indien op basis van de beschikbare feitelijke gegevens blijkt dat het voornaamste of overheersende doel van een verplaatsing erin bestond de toepassing van handelspolitieke maatregelen van de Unie te vermijden, moet worden geoordeeld dat deze verplaatsing in beginsel niet als economisch verantwoord kan worden beschouwd.
50
Met deze uitlegging heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Met name kan artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 anders dan rekwirantes betogen niet aldus worden uitgelegd dat het enkel betrekking heeft op verplaatsingen die zonder de betrokken handelspolitieke maatregelen kennelijk geen enkele zin hebben.
51
Ten eerste dient, voor zover rekwirantes zich naar analogie beroepen op het arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C-255/02, EU:C:2006:121) — waarin het Hof, in punt 73, op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde heeft geoordeeld dat het een ondernemer vrijstaat zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld wordt beperkt — te worden vastgesteld dat het argument van rekwirantes, gesteld al dat dit arrest naar analogie op het onderhavige geval kan worden toegepast, berust op een onvolledige lezing ervan.
52
In punt 62 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers aan artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 een soortgelijke uitlegging gegeven als die welke het Hof op vlak van belasting over de toegevoegde waarde heeft gegeven in de punten 75 en 86 van het arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C-255/02, EU:C:2006:121), te weten dat voor de vaststelling dat er sprake is van misbruik onder meer vereist is dat uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen.
53
Ten tweede is de uitlegging die het Gerecht in punt 62 van het bestreden arrest heeft gegeven — volgens welke het voornaamste of overheersende doel van een handeling het beslissende criterium voor toepassing van dit artikel 33 is — noodzakelijk om de nuttige werking van deze bepaling te waarborgen. Deze bepaling zou immers grotendeels ondoeltreffend worden indien zij aldus zou worden uitgelegd dat zij niet van toepassing is om de enkele reden dat de productie niet alleen wordt verplaats om de toepassing van handelspolitieke maatregelen van de Unie te vermijden — het voornaamste of overheersende doel — maar ook om andere, ondergeschikte redenen.
54
Ten derde moet in verband met het argument van rekwirantes, dat de uitlegging die het Gerecht aan artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 heeft gegeven — welke in wezen de uitlegging bevestigt die de Commissie in het litigieuze besluit heeft gehanteerd — de vrijheid van ondernemerschap in gevaar brengt, worden vastgesteld dat zij opkomen tegen punt 184 van dat arrest, welk punt is geformuleerd in antwoord op het soortgelijke argument dat zij voor het Gerecht hadden ingeroepen. Rekwirantes richten zich in hun hogere voorziening evenwel niet tegen punt 183 van dat arrest, waarin het Gerecht heeft vastgesteld dat zij niet de feitelijke gegevens hebben gespecificeerd waaruit zou blijken dat het litigieuze besluit hun recht op eigendom of hun vrijheid van ondernemerschap onevenredig heeft beperkt.
55
Voorts heeft het Gerecht in dit punt 184 van het bestreden arrest ten overvloede vastgesteld dat een eventuele beperking van het recht op eigendom of de vrijheid van ondernemerschap, zelfs indien het bewijs daarvan zou zijn geleverd, niet het gevolg is van het litigieuze besluit maar van uitvoeringsverordening 2018/886, waarbij de aanvullende douanerechten zijn ingevoerd.
56
Bijgevolg zijn de argumenten van rekwirantes aangaande een vermeende schending van hun vrijheid van ondernemerschap niet ter zake dienend.
57
Ten vierde kan, anders dan rekwirantes betogen, uit overweging 21 van gedelegeerde verordening 2015/2446, die vermeldt dat moet worden voorkomen dat de oorsprong van ingevoerde goederen wordt ‘gemanipuleerd’ om de toepassing van handelspolitieke maatregelen te vermijden, niet worden afgeleid dat artikel 33, eerste alinea, van deze gedelegeerde verordening aldus moet worden uitgelegd dat het enkel betrekking heeft op verplaatsingen die zonder de betrokken handelspolitieke maatregelen kennelijk geen enkele zin hebben, zoals volgens hen het geval is bij ‘ontwijking’ van antidumpingrechten zoals gedefinieerd in artikel 13 van verordening 2016/1036.
58
Om te beginnen kan uit deze laatste bepaling geen lering worden getrokken met het oog op de uitlegging van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 aangezien zij betrekking heeft op een andere materie en in heel andere bewoordingen is geformuleerd dan dit artikel 33, dat niet de term ‘ontwijking’ bevat noch de gedetailleerde definitie die daarvan in artikel 13 van verordening 2016/1036 is gegeven.
59
Vervolgens dient te worden opgemerkt dat de term ‘gemanipuleerd’ in overweging 21 van deze gedelegeerde verordening betrekking kan hebben op een breed spectrum van doelbewuste handelingen die ertoe leiden dat de herkomst van ingevoerde goederen wordt gewijzigd. Uit de bewoordingen zelf van deze overweging blijkt dat binnen dat spectrum die handelingen moeten worden voorkomen die worden verricht met als doel handelspolitieke maatregelen te omzeilen. Indien de term ‘gemanipuleerd’ aldus zou worden uitgelegd dat deze als zodanig reeds enkel verwijst naar handelingen die geen ander doel hebben dan het vermijden van de toepassing van handelspolitieke maatregelen van de Unie zoals die welke voortvloeien uit uitvoeringsverordening 2018/886, dan zou de vermelding van dit doel, overigens zonder aanduiding van het uitsluitende karakter ervan, overbodig zijn en geen nuttige werking hebben.
60
Ten slotte staat de term ‘gemanipuleerd’ niet in artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 en kan deze term dus hoe dan ook geen grond opleveren om deze bepaling uit te leggen op een wijze die onverenigbaar is met de bewoordingen en de opzet ervan. De uitlegging die rekwirantes vooropstellen vindt niet alleen geen steun in de bewoordingen en de opzet van die bepaling, maar zou zoals in punt 53 van het onderhavige arrest is opgemerkt ook de nuttige werking daarvan in gevaar brengen.
61
Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht in de punten 58 en 62 van het bestreden arrest geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat het beslissende criterium voor toepassing van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 het voornaamste of overheersende doel van de betrokken handeling is.
62
In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 63 van het bestreden arrest aan de hand van deze uitlegging geoordeeld dat indien op basis van de beschikbare feitelijke gegevens blijkt dat het voornaamste of overheersende doel van een verplaatsing erin bestond de toepassing van handelspolitieke maatregelen van de Unie te vermijden, de betrokken ondernemer dient te bewijzen dat het voornaamste of overheersende doel van een verplaatsing, op het tijdstip waarop de beslissing over die verplaatsing werd genomen, niet erin bestond de toepassing van die maatregelen te vermijden. Volgens het Gerecht is een dergelijk bewijs iets anders dan het achteraf zoeken naar een economische rechtvaardiging of naar de economische rationaliteit van die verplaatsing.
63
Met deze redenering heeft het Gerecht geenszins een onweerlegbaar of uiterst moeilijk weerlegbaar vermoeden gevestigd. Het Gerecht heeft integendeel enkel de consequenties getrokken uit het feit dat het voornaamste of overheersende doel van de betrokken handeling moet kunnen worden vastgesteld aan de hand van objectieve gegevens, te weten de beschikbare feitelijke gegevens.
64
Uit de duidelijke bewoordingen van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 volgt immers dat deze bepaling alleen van toepassing is wanneer uit de beschikbare feiten blijkt dat de handelwijze van de betrokken onderneming tot doel had de toepassing van de betrokken handelspolitieke maatregel te vermijden. Het is dus enkel wanneer zulks daadwerkelijk het geval is dat de bevoegde autoriteiten er volgens deze bepaling toe gehouden zijn deze handeling aan te merken als niet economisch gerechtvaardigd.
65
In een dergelijk geval zijn er ofwel geen feitelijke gegevens waaruit blijkt dat een ander doel het voornaamste of overheersende doel van die handeling is, in welk geval toepassing van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 verplicht is, ofwel bestaan er dergelijke feitelijke gegevens maar zijn deze niet in het bezit van de bevoegde autoriteiten. In die context is het gerechtvaardigd dat de betrokken onderneming, die het best geplaatst is om over die gegevens te beschikken, of als enige daarover kan beschikken, deze aan de bevoegde autoriteiten dient te verstrekken.
66
In dit verband bevat artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 geen enkele omschrijving van specifieke kenmerken waaraan de ‘beschikbare’ feiten moeten voldoen, ook niet in temporeel opzicht. Het is dan ook niet uitgesloten dat feitelijke gegevens ‘beschikbaar’ worden nadat tot de betrokken handeling is besloten, of zelfs nadat deze is verricht. Het voornaamste of overheersende doel van die handeling kan echter niet later dan op het moment dat daartoe is besloten worden beoordeeld, zoals wordt bevestigd door het gebruik van de verleden tijd in de uitdrukking ‘tot doel had de toepassing […] te vermijden’. Die beslissing kan overigens onmogelijk zijn beïnvloed door latere overwegingen.
67
In de derde plaats volgt, anders dan rekwirantes argumenteren, uit de redenering van het Gerecht niet dat de Commissie de doelstellingen van een handeling subjectief mag beoordelen of veronderstellingen mag maken over het respectieve belang van die doelstellingen.
68
Weliswaar vereist artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 de vaststelling van een subjectief gegeven, te weten de bedoeling om de toepassing van een handelspolitieke maatregel te vermijden, maar deze bepaling strekt ertoe dat objectief wordt vastgesteld wat het voornaamste of overheersende doel van de onderzochte handeling is, waarbij moet worden uitgegaan van de beschikbare feitelijke gegevens. Zoals in punt 75 van het bestreden arrest is aangegeven, moet de vaststelling dat de bedoeling om de toepassing van een handelspolitieke maatregel te vermijden doorslaggevend is, dus op objectief bewijsmateriaal berusten.
69
In dat opzicht verschilt artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 fundamenteel van artikel 25 van het communautair douanewetboek, dat naar de betrokken handeling verwees met de bewoordingen ‘dat daarmee slechts ontduiking wordt beoogd van de [toepasselijke] bepalingen’ en voorzag in de mogelijkheid om dit doel te bewijzen door middel van een vermoeden. Bijgevolg is het bestreden arrest geenszins onverenigbaar met de wil van de wetgever om deze laatste bepaling in te trekken.
70
Uit de voorgaande vaststellingen volgt dat de door rekwirantes ingeroepen onverenigbaarheid van artikel 25 van het communautair douanewetboek met artikel 2 van de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels niet kan worden geacht relevant te zijn voor de beoordeling van de uitlegging die in het bestreden arrest is gegeven aan artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446. Dit argument van rekwirantes berust immers op de premisse dat het Gerecht het objectieve criterium van dit artikel 33, eerste alinea, in een subjectief criterium heeft omgezet. Zoals in de punten 67 en 68 van het onderhavige arrest is vastgesteld, is deze premisse echter onjuist.
71
Gelet op het voorgaande dienen de eerste twee onderdelen van het eerste middel van de hogere voorziening te worden verworpen.
72
Het derde onderdeel van het eerste middel heeft betrekking op de bewijsregeling die in de punten 70 en 71 van het bestreden arrest is vastgesteld. In punt 70 heeft het Gerecht vastgesteld dat de inwerkingtreding van uitvoeringsverordening 2018/886, waarbij de aanvullende douanerechten zijn ingevoerd, en de aankondiging van de betrokken verplaatsing samenvallen in de tijd. Onder verwijzing naar punt 29 van het arrest van 13 december 1989, Brother International (C-26/88, EU:C:1989:637), heeft het Gerecht geoordeeld dat een dergelijke samenloop in de tijd het vermoeden kan rechtvaardigen dat een verplaatsing naar het buitenland tot doel had de toepassing van handelspolitieke maatregelen te vermijden.
73
In de eerste volzin van punt 71 van het bestreden arrest heeft het Gerecht aangegeven dat uit bovengenoemd punt 29 blijkt dat het bij een dergelijke samenloop in de tijd aan de betrokken ondernemer staat om te bewijzen dat niet het streven om aan de gevolgen van de betrokken bepalingen te ontkomen, maar een ander redelijk motief ten grondslag ligt aan de beslissing om de fabricatiewerkzaamheden te verrichten in het land waarnaar de productie werd verplaatst.
74
In dit verband dient te worden opgemerkt dat de punten 70 en 71 van het bestreden arrest niet indruisen tegen de strekking van punt 29 van het arrest van 13 december 1989, Brother International (C-26/88, EU:C:1989:637), waar rekwirantes zich voor het Gerecht op hebben beroepen. Het Hof heeft in dat punt 29 geoordeeld dat wanneer de inwerkingtreding van de relevante regeling en de verplaatsing van de assemblage van de onderdelen van een product in de tijd samenvallen, de betrokken onderneming dient te bewijzen dat een redelijk motief aan die verplaatsing ten grondslag ligt teneinde het vermoeden te weerleggen dat die verplaatsing is verricht om aan de gevolgen van deze regeling te ontkomen.
75
Het is juist dat in dit punt 29 een uitlegging is gegeven aan artikel 6 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip ‘oorsprong van goederen’ (PB 1968, L 148, blz. 1). Deze bepaling komt in wezen overeen met artikel 25 van het communautair douanewetboek, dat, zoals in punt 69 van het onderhavige arrest is aangegeven, fundamenteel verschilt van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 aangezien zij uitdrukkelijk voorzag in de mogelijk om een vermoeden te hanteren.
76
Niettemin bevat de redenering van het Gerecht geen onjuiste opvatting aangezien artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 vereist dat het doel van de handeling wordt vastgesteld op basis van de beschikbare feitelijke gegevens, waarbij dit doel wordt opgevat als het voornaamste of overheersende doel, zoals het Gerecht in de punten 58 en 62 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld.
77
In punt 70 van zijn arrest heeft het Gerecht zich wel degelijk gebaseerd op de beschikbare feitelijke gegevens, waarbij het zowel heeft gekeken naar het doel van de verplaatsing van de productie, dat Harley-Davidson in het formulier 8-K had aangegeven, als naar het samenvallen in de tijd van de inwerkingtreding van verordening 2018/886 en de aankondiging van deze verplaatsing.
78
Zo heeft het Gerecht in punt 70 van het bestreden arrest met name vastgesteld dat, aangezien Harley-Davidson in het formulier 8-K enkel heeft vermeld dat zij met de verplaatsing van haar productie ‘de tarieflast’ als gevolg van de inwerkingtreding van de aanvullende douanerechten wilde ‘vermijden’, haar voornaamste of overheersende doel erin bestond de toepassing van deze handelspolitieke maatregelen te vermijden. Het Gerecht heeft in dit verband onderstreept dat uit de strekking en de inhoud van formulier 8-K duidelijk blijkt dat dit formulier, dat dateert van 25 juni 2018, is gepubliceerd als onmiddellijke reactie op de bekendmaking van uitvoeringsverordening 2018/886, reeds vijf dagen na die bekendmaking en drie dagen na de inwerkingtreding van deze uitvoeringsverordening.
79
Op basis van deze gegevens kon het Gerecht zonder schending van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 oordelen dat op het eerste gezicht was aangetoond dat de betrokken verplaatsing tot doel had de toepassing van de handelspolitieke maatregelen te vermijden. Het stond dus aan de betrokken ondernemer om het bewijs te leveren van een ander redelijk motief, waaruit zou blijken dat dit niet het voornaamste of overheersende doel van de handeling was.
80
Wat de stelling betreft dat het Gerecht het bewijsmateriaal onjuist heeft opgevat, dient te worden vastgesteld dat rekwirantes in feite verzoeken om een nieuwe beoordeling van het bewijsmateriaal, zonder voldoende nauwkeurig aan te geven welke onjuiste opvatting het Gerecht wordt verweten en zonder aan te tonen welke fouten in de analyse het Gerecht volgens hen tot die onjuiste opvatting hebben gebracht. Een dergelijke betwisting is dan ook niet-ontvankelijk in het stadium van de hogere voorziening (zie in die zin arrest van 8 juni 2023, Severstal en NLMK/Commissie, C-747/21 P en C-748/21 P, EU:C:2023:459, punt 52).
81
Gelet op al het voorgaande dient ook het derde onderdeel van het eerste middel van de hogere voorziening, en bijgevolg dit middel in zijn geheel, te worden verworpen.
Tweede middel: overschrijding van de bij artikel 62 van het douanewetboek van de Unie gedelegeerde bevoegdheden
Argumenten van partijen
82
Met het tweede middel, dat subsidiair is aangevoerd, verwijten rekwirantes het Gerecht in de punten 86 tot en met 90 van het bestreden arrest blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Indien artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 wordt uitgelegd op de wijze als in het bestreden arrest, schendt het artikel 290 VWEU doordat het bepaalde essentiële elementen van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek van de Unie wijzigt.
83
Deze uitlegging leidt er huns inziens toe dat het objectieve criterium van artikel 60, lid 2, dat berust op de economische rechtvaardiging van de handeling, wordt vervangen door een subjectief criterium, dat berust op de bedoeling van de ondernemer. Die uitlegging komt erop neer dat wordt aangenomen dat de Commissie een politieke keuze heeft gemaakt die indruist tegen de politieke keuze van de wetgever om artikel 25 van het communautair douanewetboek in te trekken en dat subjectieve criterium op te geven. Die uitlegging doet tevens afbreuk aan de hiërarchie van de normen en de rechtszekerheid doordat in de gedelegeerde handeling een recht wordt gecreëerd dat verschilt ten opzichte van de wetgevende handeling.
84
De Commissie betwist deze argumentatie.
Beoordeling door het Hof
85
Het tweede middel strekt ertoe te doen vaststellen dat artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446, zoals het door het Gerecht is uitgelegd, onrechtmatig is.
86
Aangezien bepalingen van het Unierecht niet als ongeldig kunnen worden aangemerkt wanneer zij vatbaar zijn voor een uitlegging die ervoor zorgt dat zij in overeenstemming zijn met de hogere rechtsregels [zie in die zin arrest van 16 november 2023, Ligue des droits humains (Controle door de toezichthoudende autoriteit op de gegevensverwerking), C-333/22, EU:C:2023:874, punt 57], kan dit middel enkel aldus worden opgevat dat hiermee in wezen de uitlegging wordt betwist die het Gerecht aan artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 heeft gegeven.
87
De argumentatie van rekwirantes gaat uit van de premisse dat het Gerecht artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 aldus heeft uitgelegd dat het een subjectief criterium bevat. Zoals in de punten 67 en 68 van het onderhavige arrest is aangegeven, is deze premisse echter onjuist.
88
Bijgevolg dient het tweede middel van de hogere voorziening te worden verworpen.
Derde middel: schending van het recht op behoorlijk bestuur
Argumenten van partijen
89
Het derde middel van de hogere voorziening bestaat uit twee onderdelen.
90
Met het eerste onderdeel betogen rekwirantes dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 166 tot en met 169 van het bestreden arrest te oordelen dat de schending door de Commissie van het recht om te worden gehoord niet de nietigverklaring van het litigieuze besluit rechtvaardigt. Volgens hen volgt uit punt 46 van het arrest van 21 september 2017, Feralpi/Commissie (C-85/15 P, EU:C:2017:709), en uit punt 56 van het arrest van 16 januari 2019, Commissie/United Parcel Service (C-265/17 P, EU:C:2019:23), dat dit recht een wezenlijk vormvoorschrift vormt. Doorslaggevend is of de betrokken onderneming een kans zou hebben gehad, ook al was die gering, om zich beter te verweren.
91
Aan dit criterium is volgens rekwirantes in casu voldaan aangezien zij tal van feitelijke bewijzen dat de verplaatsing economisch gerechtvaardigd was, die zij aan het Gerecht hebben overgelegd, hadden kunnen doen gelden. Tevens dient rekening worden gehouden met de omkering van de bewijslast wegens het vermoeden dat door de toepassing van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 is ingesteld.
92
Ook al hangt het enkel van rechtsvragen af of artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 in het onderhavige geval juist is toegepast, hetgeen rekwirantes in het licht van de punten 64 en 72 van het bestreden arrest betwisten, het recht om juridische argumenten aan te voeren maakt deel uit van het recht om te worden gehoord, vooral gelet op de verschillen in zienswijze tussen de Commissie en de Belgische autoriteiten en de weigering van deze instelling om een formeel advies uit te brengen over de uitlegging van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446.
93
Met het tweede onderdeel van het derde middel voeren rekwirantes aan dat het Gerecht de beginselen van gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid en het recht op behoorlijk bestuur onjuist heeft uitgelegd.
94
In de eerste plaats is het Gerecht in de punten 145 tot en met 147 van het bestreden arrest voorbijgegaan aan de punten 10 tot en met 12 van het arrest van 3 maart 1982, Alpha Steel/Commissie (14/81, EU:C:1982:76), en aan de punten 35 tot en met 38 van het arrest van 17 april 1997, de Compte/Parlement (C-90/95 P, EU:C:1997:198), waaruit volgt dat de onverenigbaarheid van een rechtshandeling met het Unierecht geen absoluut beletsel vormt voor toepassing van het beginsel van gewettigd vertrouwen. Dienaangaande is doorslaggevend of deze handeling een persoon een voordeel verschaft.
95
In casu hebben de BOI-beschikkingen gewettigde verwachtingen gewekt op basis waarvan belangrijke commerciële beslissingen met gevolgen op lange termijn zijn genomen. Het litigieuze besluit had dan ook binnen een redelijke termijn moeten worden vastgesteld. Aangezien BOI-beschikkingen krachtens artikel 33, lid 3, van het douanewetboek van de Unie drie jaar geldig zijn, maakt de intrekking daarvan ongeveer twee jaar na hun vaststelling kennelijk inbreuk op het rechtszekerheidsbeginsel en berokkent zij schade aan rekwirantes. Bovendien kan artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 niet worden aangemerkt als een ‘duidelijke’ bepaling. Een dergelijke kwalificatie valt immers niet te rijmen met het feit dat het voor het eerst was dat de Commissie een BOI-beschikking heeft ingetrokken.
96
In de tweede plaats is de analyse in de punten 175 en 176 van het bestreden arrest, betreffende de duur van de door de Commissie gevoerde procedure, rechtens ongegrond. Dienaangaande had het Gerecht rekening moeten houden met het belang van de zaak voor de betrokkene. De relevante periode loopt van 31 januari 2019, de datum van de eerste besprekingen tussen de Commissie en de Belgische autoriteiten, of, subsidiair, 24 juni 2019, de datum waarop de Belgische autoriteiten de eerste twee BOI-beschikkingen hebben afgegeven, tot 7 april 2021, de datum van bekendmaking van het litigieuze besluit. De duur van de procedure voor de vaststelling van het litigieuze besluit, 21 of 26 maanden, is gelet op de vermeende kennelijke onrechtmatigheid van de BOI-beschikkingen niet gerechtvaardigd. Hoe dan ook is een dergelijke duur veel langer dan hetgeen aanvaardbaar is.
97
De schending van het recht op behoorlijk bestuur en van het algemene Unierechtelijke beginsel dat binnen een redelijke termijn moet worden gehandeld, vereist, ongeacht of dit tardieve optreden tot schending van de rechten van de verdediging heeft geleid, de vernietiging van het bestreden arrest en de nietigverklaring van het litigieuze besluit, aangezien de Commissie niet meer gerechtigd was om alsnog op te treden.
98
De Commissie betwist deze argumentatie.
Beoordeling door het Hof
99
Het eerste onderdeel van het derde middel is gericht tegen de punten 166 tot en met 169 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht, hoewel het heeft erkend dat de Commissie haar verplichting om rekwirantes vóór de vaststelling van het litigieuze besluit te horen niet is nagekomen, heeft geoordeeld dat deze onregelmatigheid op zichzelf niet volstond om tot nietigverklaring van dat besluit te leiden. Daarmee heeft het Gerecht volgens rekwirantes andere criteria toegepast dan die welke uit de rechtspraak van het Hof voortvloeien.
100
In dit verband heeft het Gerecht in punt 162 van het bestreden arrest verwezen naar de rechtspraak van het Hof volgens welke een schending van het recht om te worden gehoord enkel tot nietigverklaring van de betrokken handeling kan leiden indien de mogelijkheid bestaat dat de administratieve procedure tot een ander resultaat had kunnen leiden (arrest van 5 mei 2022, Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals/Commissie, C-718/20 P, EU:C:2022:362, punt 49). Dit criterium wordt tevens, in essentie, in herinnering gebracht in punt 167 van het bestreden arrest.
101
Onder verwijzing, naar analogie, naar punt 98 van het arrest van 29 juni 2006, SGL Carbon/Commissie (C-308/04 P, EU:C:2006:433), heeft het Gerecht in punt 162 van het bestreden arrest tevens geoordeeld dat het aan de verzoekende partij staat om aan de hand van concrete gegevens of op zijn minst voldoende betrouwbare en nauwkeurige argumenten of aanwijzingen te bewijzen dat het besluit van de Commissie anders had kunnen zijn, zodat concreet kan worden vastgesteld dat de rechten van de verdediging zijn geschonden.
102
Daarmee heeft het Gerecht correct de relevante rechtspraak van het Hof aangewezen met betrekking tot eenieders recht om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen, zoals dit is vastgelegd in artikel 41, lid 2, onder a), van het Handvest van de grondrechten.
103
Ten eerste betreft punt 46 van het arrest van 21 september 2017, Feralpi/Commissie (C-85/15 P, EU:C:2017:709), waar rekwirantes zich op hebben beroepen, immers het recht op een hoorzitting waarin is voorzien in het specifieke kader van verordening (EG) nr. 773/2004 van de Commissie van 7 april 2004 betreffende procedures van de Commissie op grond van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2004, L 123, blz. 18).
104
Ten tweede dient de persoon die zich op schending van zijn rechten van verdediging beroept, teneinde nietigverklaring te verkrijgen van een handeling die wordt bestreden op grond van artikel 263 VWEU, te bewijzen dat de uitkomst van de administratieve procedure die tot de vaststelling van die handeling heeft geleid anders had kunnen zijn (zie in die zin arrest van 26 september 2018, Infineon Technologies/Commissie, C-99/17 P, EU:C:2018:773, punt 79 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarbij kan degene die zich op een dergelijke onregelmatigheid beroept weliswaar niet worden verplicht om te bewijzen dat de rechtshandeling in kwestie zonder die onregelmatigheid voor hem gunstiger zou zijn geweest, maar moet hij wel concreet aantonen dat dit niet volledig uitgesloten is (arrest van 28 september 2023, Changmao Biochemical Engineering/Commissie, C-123/21 P, EU:C:2023:708, punt 170 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
105
Volgens dat criterium heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 166 van het bestreden arrest vast te stellen dat er inbreuk was gemaakt op het recht van rekwirantes om te worden gehoord, en door vervolgens in de punten 167 tot en met 170 te oordelen dat de feitelijke bewijzen dat de verplaatsing ‘economisch gerechtvaardigd’ was wegens de verwachte grotere economische efficiëntie, niet van dien aard waren dat zij aantoonden dat de uitkomst van de administratieve procedure anders had kunnen zijn.
106
Het volstaat namelijk op te merken dat het Gerecht in punt 170 van dit arrest, waar de hogere voorziening niet direct tegen is gericht en waarin wordt verwezen naar de punten 65 en 66 ervan, heeft geoordeeld dat rekwirantes geen concrete gegevens aan het Gerecht hebben overgelegd die kunnen aantonen dat de betrokken verplaatsing van de productie hoofdzakelijk gerechtvaardigd was door overwegingen die niets vandoen hadden met de invoering van de aanvullende douanerechten waarin uitvoeringsverordening 2018/886 voorziet.
107
In die omstandigheden dient het eerste onderdeel van het derde middel te worden verworpen.
108
Het tweede onderdeel van het derde middel is ontleend aan schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen en schending van het recht van rekwirantes op behoorlijk bestuur als gevolg van de duur van de door de Commissie gevoerde procedure.
109
In de eerste plaats heeft het Gerecht in punt 144 van het bestreden arrest geoordeeld — zonder dienaangaande in het kader van deze hogere voorziening te zijn weersproken — dat een krachtens artikel 33 van het douanewetboek van de Unie vastgestelde BOI-beschikking er niet toe strekt, noch tot gevolg kan hebben, dat de ondernemer er definitief van wordt verzekerd dat de oorsprong van de goederen waar deze beschikking betrekking op heeft later niet zal worden gewijzigd. De Commissie kan krachtens artikel 34, lid 11, van dit wetboek immers besluiten vaststellen waarbij aan lidstaten het verzoek wordt gericht om BOI-beschikkingen in te trekken, teneinde de correctheid en uniformiteit van de tariefindeling of de vaststelling van de oorsprong van goederen te garanderen.
110
Daarmee heeft het Gerecht een juiste uitlegging gegeven aan artikel 33 en artikel 34, lid 11, van het douanewetboek van de Unie, die rekwirantes in het kader van de onderhavige hogere voorziening overigens niet hebben betwist. Deze uitlegging vormt een toereikende grondslag voor verwerping van de aan schending van het beginsel van gewettigd vertrouwen ontleende argumentatie die in eerste aanleg was aangevoerd. Zoals de advocaat-generaal in punt 105 van haar conclusie heeft opgemerkt, zijn de overwegingen op grond waarvan het Gerecht in de punten 145 tot en met 147 van het bestreden arrest deze argumentatie heeft verworpen ten overvloede gegeven ten opzichte van die in punt 144 van dat arrest. De kritiek van rekwirantes op de punten 145 tot en met 147 van dat arrest moet dus worden afgewezen als niet ter zake dienend.
111
In de tweede plaats heeft het Gerecht in punt 164 van het bestreden arrest, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof, in herinnering gebracht dat de redelijkheid van de duur van de procedure moet worden beoordeeld met inachtneming van alle specifieke omstandigheden van de zaak. Het belang van het geding voor de betrokkene is ongetwijfeld een van die omstandigheden die het Gerecht als feitelijk gegeven dient te beoordelen (zie in die zin arrest van 12 mei 2022, Klein/Commissie, C-430/20 P, EU:C:2022:377, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar niet de enige.
112
Bovendien kan de redelijkheid van de duur van een procedure niet worden bepaald aan de hand van een in abstracto vastgesteld nauwkeurig maximum (arrest van 12 mei 2022, Klein/Commissie, C-430/20 P, EU:C:2022:377, punt 86). Hetzelfde geldt voor de bepaling van het aanvangspunt voor de berekening van die duur wanneer de toepasselijke bepalingen zoals in casu geen precieze aanwijzingen bevatten.
113
In die omstandigheden kunnen de argumenten van rekwirantes slechts slagen indien is aangetoond dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat. Rekwirantes beroepen zich evenwel niet op een dergelijke onjuiste opvatting maar verzoeken in essentie enkel om een nieuwe beoordeling van de feiten, waartoe het Hof in hogere voorziening niet bevoegd is (zie in die zin arrest van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB en Far-East, C-579/22 P, EU:C:2024:731, punt 147 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
114
In die omstandigheden dient het tweede onderdeel van het derde middel te worden verworpen. Bijgevolg dient dit middel in zijn geheel te worden verworpen.
115
Gelet op al deze overwegingen en aangezien geen enkel middel van de hogere voorziening is aanvaard, dient zij te worden afgewezen.
Kosten
116
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is.
117
Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement voor de procesvoering, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
118
Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten van de hogere voorziening.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart:
- 1)
De hogere voorziening wordt afgewezen.
- 2)
Harley-Davidson Europe Ltd en Neovia Logistics Services International NV worden verwezen in hun eigen kosten alsmede in die van de Europese Commissie.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 21‑11‑2024
Conclusie 30‑05‑2024
Inhoudsindicatie
Hogere voorziening — Douane-unie — Verordening (EU) nr. 952/2013 — Douanewetboek — Handelsconflicten tussen staten — Vaststelling van de niet-preferentiële oorsprong van bepaalde motorrijwielen — Begrip ‘economisch verantwoorde be- of verwerking’ — Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 — Vermijding of omzeiling van douanerechten — Manipulatie van de oorsprong — Gedelegeerde regelgevende bevoegdheid
J. kokott
Partij(en)
Zaak C-297/23 P1.
Harley-Davidson Europe Ltd.,
Neovia Logistics Services International
tegen
Europese Commissie
I. Inleiding
1.
In ieder geval sinds de film ‘Easy rider’ staat Harley-Davidson voor de typische Amerikaanse motorfiets. Maar is een Harley-Davidson uit Thailand nog steeds een Amerikaanse motorfiets? Het komt misschien als een verrassing, maar dat is in feite het standpunt van de Commissie, dat door Harley-Davidson in de onderhavige procedure fel wordt bestreden. De achtergrond hiervan is een handelsgeschil tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, waarbij beide partijen prohibitieve aanvullende douanerechten hadden ingesteld op bepaalde goederen van de andere partij; de Unie in het bijzonder op de genoemde motorrijwielen. Harley-Davidson heeft vervolgens haar productie voor de Europese markt van de Verenigde Staten naar Thailand verplaatst. Bij het litigieuze uitvoeringsbesluit2. heeft de Commissie echter geweigerd dit land als plaats van oorsprong te erkennen.
2.
Bij het bestreden arrest3. heeft het Gerecht het beroep van Harley-Davidson tegen het litigieuze uitvoeringsbesluit afgewezen. In het kader van de onderhavige hogere voorziening moet in het bijzonder worden verduidelijkt of de Commissie kan weigeren een verplaatsing van de productie te erkennen op de enkele grond dat deze verplaatsing tot doel heeft te ontkomen aan de douanerechten die zijn opgelegd in het kader van een handelsgeschil tussen staten.
II. Rechtskader
A. Douanewetboek
3.
Artikel 33 van het douanewetboek4. staat de douaneautoriteiten toe beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen af te geven. Volgens artikel 34, lid 11, kan de Commissie de lidstaten verzoeken dergelijke beschikkingen in te trekken ‘teneinde de correctheid en uniformiteit van de tariefindeling of de vaststelling van de oorsprong van goederen te garanderen’.
4.
Artikel 59 van het douanewetboek bepaalt op welke bepalingen de regels inzake de oorsprong van goederen van toepassing zijn:
‘In de artikelen 60 en 61 zijn de regels vastgesteld voor de bepaling van de niet-preferentiële oorsprong van goederen met het oog op de toepassing van:
- a)
het gemeenschappelijk douanetarief, met uitzondering van de in artikel 56, lid 2, onder d) en e), bedoelde maatregelen;
- b)
andere maatregelen dan tariefmaatregelen die op grond van Uniebepalingen met betrekking tot specifieke gebieden in het kader van het goederenverkeer zijn vastgesteld; en
- c)
andere Uniemaatregelen met betrekking tot de oorsprong van goederen.’
5.
In artikel 56, lid 2, onder d) en e), van het douanewetboek zijn preferentiële tariefmaatregelen genoemd.
6.
Artikel 60 van het douanewetboek regelt de oorsprong van goederen voor de toepassing van het douanetarief:
- ‘1.
Goederen die geheel en al in één enkel land of gebied zijn verkregen, worden geacht van oorsprong uit dat land of gebied te zijn.
- 2.
Goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, worden geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.’
7.
Artikel 62 van het douanewetboek verleent de Commissie de bevoegdheid ‘gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de regels volgens welke de goederen, waarvan voor de toepassing van de in artikel 59 bedoelde maatregelen van de Unie de niet-preferentiële oorsprong moeten worden vastgesteld, worden geacht geheel en al in één enkel land of gebied te zijn verkregen of overeenkomstig artikel 60 in een land of een gebied zijn verkregen waar de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingerichte onderneming die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt’.
B. Gedelegeerde verordening 2015/2446 tot aanvulling van het douanewetboek
8.
Artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/24465. specificeert wanneer een be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt in de zin van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek:
‘Een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt, wordt als niet economisch verantwoord aangemerkt wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing van de in artikel 59 van het wetboek bedoelde maatregelen te vermijden.
In het geval van goederen die onder bijlage 22-01 vallen, gelden de residuele regels voor het hoofdstuk dat betrekking heeft op die goederen.
In het geval van goederen die niet onder bijlage 22-01 vallen, worden zij, wanneer de laatste be- of verwerking als niet economisch verantwoord wordt aangemerkt, geacht hun laatste ingrijpende, economisch verantwoorde be- of verwerking, die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt, te hebben ondergaan in het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is, zoals bepaald op basis van de waarde van de materialen.’
9.
Overweging 21 van gedelegeerde verordening 2015/2446 licht artikel 33 als volgt toe:
‘Om te voorkomen dat de oorsprong van ingevoerde goederen wordt gemanipuleerd met als doel handelspolitieke maatregelen te omzeilen, moet de laatste ingrijpende be- of verwerking in een aantal gevallen worden aangemerkt als niet economisch verantwoord.’
10.
De litigieuze motorrijwielen worden niet genoemd in bijlage 22-01 bij gedelegeerde verordening 2015/2446.
C. Regelingen inzake handelsconflicten tussen staten
1. Verordening nr. 654/2014
11.
De litigieuze douanerechten zijn gebaseerd op verordening nr. 654/2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels6.. In de overwegingen 2 en 3 wordt het doel van dergelijke maatregelen toegelicht:
- ‘(2)
Het is van essentieel belang dat de Unie over passende instrumenten beschikt om haar rechten uit hoofde van internationale handelsovereenkomsten effectief uit te oefenen teneinde haar economische belangen te vrijwaren. Dat geldt vooral in situaties waar derde landen handelsbeperkende maatregelen vaststellen die de voordelen van internationale handelsovereenkomsten voor de marktdeelnemers in de Unie beperken. De Unie dient snel en flexibel te kunnen reageren in de context van de procedures en termijnen van de internationale handelsovereenkomsten die zij heeft gesloten. Er is bijgevolg behoefte aan regels die het kader voor de uitoefening van de rechten van de Unie in bepaalde specifieke situaties bepalen.
- (3)
De regelingen voor geschillenbeslechting die zijn ingesteld bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en bij andere internationale handelsovereenkomsten, met inbegrip van regionale of bilaterale overeenkomsten, hebben tot doel een positieve oplossing te vinden voor geschillen tussen de Unie en de andere partij of partijen bij die overeenkomsten. De Unie dient overeenkomstig die regelingen voor geschillenbeslechting niettemin concessies of andere verplichtingen te kunnen opschorten wanneer andere middelen om een positieve oplossing te vinden voor een geschil hebben gefaald. In dergelijke gevallen dient het optreden van de Unie bij te dragen tot het doel het betrokken derde land te dwingen de desbetreffende internationale handelsregels na te leven om de situatie van wederzijdse voordelen te herstellen.’
12.
Overweging 8 van verordening nr. 654/2014 regelt de vormgeving van handelspolitieke maatregelen:
‘Handelspolitieke maatregelen in het kader van deze verordening dienen te worden gekozen en geconcipieerd op basis van objectieve criteria, waaronder de mate waarin zij erin slagen derde landen internationale handelsregels te doen naleven, hun potentieel om verlichting te bieden aan marktdeelnemers binnen de Unie die de gevolgen ondervinden van de maatregelen van derde landen, en het zoveel mogelijk reduceren van de negatieve economische effecten op de Unie, onder meer wat betreft essentiële grondstoffen.’
13.
Het onderwerp van verordening nr. 654/2014 wordt omschreven in artikel 1:
‘In deze verordening worden regels en procedures vastgesteld met het oog op een doeltreffende en tijdige uitoefening van de rechten van de Unie om concessies of andere verplichtingen uit hoofde van internationale handelsovereenkomsten op te schorten of in te trekken, met als bedoeling:
- a)
te reageren op inbreuken door derde landen op internationale handelsregels die de belangen van de Unie raken, teneinde een bevredigende oplossing te zoeken die de marktdeelnemers van de Unie weer in het genot stelt van de voordelen daarvan;
- b)
het evenwicht van concessies of andere verplichtingen te herstellen in handelsbetrekkingen met derde landen, wanneer de behandeling van goederen uit de Unie zodanig wordt gewijzigd dat het de belangen van de Unie raakt.’
2. Uitvoeringsverordening 2018/724
14.
Bij uitvoeringsverordening 2018/7247. heeft de Commissie de litigieuze douanerechten aangekondigd en deze met name in de overwegingen 1 tot en met 3 en 6 gemotiveerd:
- ‘(1)
Op 8 maart 2018 hebben de Verenigde Staten van Amerika (‘Verenigde Staten’) vrijwaringsmaatregelen vastgesteld in de vorm van een tariefverhoging op de invoer van bepaalde staal- en aluminiumproducten, die op 23 maart 2018 met een onbeperkte geldigheidsduur in werking [zouden treden]. Op 22 maart is de datum waarop de tariefverhoging ten aanzien van de Europese Unie in werking treedt, uitgesteld tot 1 mei 2018.
- (2)
Niettegenstaande de indeling van deze maatregelen als veiligheidsmaatregelen door de Verenigde Staten, zijn het in wezen vrijwaringsmaatregelen. Zij bestaan uit corrigerende maatregelen die de balans van concessies en verplichtingen, zoals die voortvloeien uit de Overeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), verstoren en zij beperken de invoer teneinde een binnenlandse bedrijfstak te beschermen tegen buitenlandse mededinging, zodat hij succesvol is op handelsvlak. De uitzonderingen inzake veiligheid van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (‘GATT 1994’) zijn niet van toepassing op, noch rechtvaardigen zij dergelijke vrijwaringsmaatregelen, en zij laten het recht op het herstel van de balans overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de WTO-overeenkomst onverlet.
- (3)
De WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen voorziet in het recht van elke uitvoerende lidstaat die negatieve gevolgen ondervindt door een vrijwaringsmaatregel om de toepassing op te schorten van in wezen gelijkwaardige handelsconcessies of andere verplichtingen aan de WTO-lidstaat die de vrijwaringsmaatregel toepast, op voorwaarde dat middels overleg geen bevredigende oplossing is bereikt en de WTO-Raad voor de handel in goederen zich er niet tegen uitspreekt.
[…]
- (6)
De Commissie oefent het recht uit om de toepassing van in wezen gelijkwaardige concessies of andere verplichtingen op te schorten met de bedoeling in de handelsrelaties met derde landen het evenwicht tussen concessies of andere verplichtingen te herstellen op basis van artikel 4, lid 1, van verordening (EU) nr. 654/2014. De passende maatregelen nemen de vorm aan van handelspolitieke maatregelen die onder andere kunnen bestaan uit de opschorting van tariefconcessies en het opleggen van nieuwe of verhoogde douanerechten.’
D. Toepasselijke douanetarieven
15.
De litigieuze motorrijwielen vallen onder post 8711 50 00 van de gecombineerde nomenclatuur8., waaronder ‘motorrijwielen (bromfietsen daaronder begrepen) en rijwielen met hulpmotor, ook indien met zijspan, alsmede zijspanwagens met motor met op- en neergaande zuigers, met een cilinderinhoud van meer dan 800 cm3’. Voor deze producten voorziet het gemeenschappelijk douanetarief in een douanerecht van 6 %.
16.
De Commissie heeft de litigieuze aanvullende rechten vastgesteld bij uitvoeringsverordening 2018/8869.:
‘Artikel 1
De Unie past aanvullende douanerechten toe op de invoer in de Unie van de in de bijlagen I en II bij deze verordening vermelde producten die van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (‘Verenigde Staten’) zijn.
Artikel 2
De aanvullende douanerechten op deze producten worden als volgt toegepast:
- a)
in de eerste fase wordt met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening een aanvullend ad-valoremrecht van 10 % respectievelijk 25 % toegepast op de invoer van de producten die zijn vermeld in bijlage I, als daarin gedefinieerd;
- b)
in de tweede fase wordt een verder aanvullend ad-valoremrecht van 10 %, 25 %, 35 % respectievelijk 50 % toegepast op de invoer van de producten die zijn vermeld in bijlage II, als daarin gedefinieerd:
- —
met ingang van 1 juni 2021 […]’.
17.
Overeenkomstig bijlage I bij uitvoeringsverordening 2018/886 geldt voor producten van code 8711 50 00 in de eerste fase een aanvullend recht van 25 % en overeenkomstig bijlage II in de tweede fase een verder aanvullend recht van 25 %. Dienovereenkomstig werd op rekwirantes' motorrijwielen van het merk Harley-Davidson die vanuit de Verenigde Staten in Europa werden ingevoerd, in plaats van het normale recht van 6 % vanaf 22 juni 2018 een totaal douanerecht van 31 % toegepast en met ingang van 1 juni 2021 een totaal douanerecht van 56 %.
18.
De Unie heeft de douanerechten van de tweede fase echter nog niet toegepast, maar heeft deze opgeschort alvorens ze van toepassing te verklaren.10. Sinds 1 januari 2022 heeft de EU ook de rechten van de eerste fasen opgeschort.11.
III. Achtergrond van de hogere voorziening
19.
Verzoekster in eerste aanleg en tevens rekwirante, Harley-Davidson Europe Ltd, maakt deel uit van de Harley-Davidsongroep, een bekende Amerikaanse onderneming die gespecialiseerd is in de productie van motorrijwielen. De andere verzoekende partij in eerste aanleg en eveneens rekwirante, Neovia Logistics Services International, is de douane-agent van Harley-Davidson.
A. Feiten
20.
De aan het geding ten grondslag liggende feiten, zoals deze blijken uit de punten 20 tot en met 38 van het bestreden arrest, kunnen als volgt worden samengevat.
21.
Naar aanleiding van de instelling van aanvullende douanerechten op staal en aluminium door de Verenigde Staten heeft de Commissie bij uitvoeringsverordening 2018/886 van 20 juni 2018 ook aanvullende douanerechten ingesteld van 25 % en vervolgens van 50 % op ‘typische’ producten uit de Verenigde Staten, die ook van toepassing zijn op door Harley-Davidson vervaardigde motorrijwielen.
22.
Op 25 juni 2018 heeft Harley-Davidson haar aandeelhouders op de hoogte gebracht van de gevolgen van deze aanvullende douanerechten voor haar economische activiteit in een ‘Form 8-K Current Report’ (hierna: ‘formulier 8-K’) dat zij heeft ingediend bij de federale autoriteit van de VS SEC. Daarin kondigde Harley-Davidson aan dat ‘[o]m het hoofd te bieden aan de aanzienlijke kosten van deze tarieflast op lange termijn […] Harley-Davidson een plan [zal] uitwerken om de productie van de motorrijwielen bestemd voor de [Unie] te verplaatsen van de Verenigde Staten naar haar internationale faciliteiten om zo die tarieflast te voorkomen’.12. Meer bepaald heeft Harley-Davidson vervolgens de productie van haar voor de markt van de Unie bestemde motorrijwielen verplaatst naar een fabriek in Thailand.
23.
Op 25 januari 2019 hebben rekwirantes bij de Belgische autoriteiten twee formele aanvragen ingediend voor bindende oorsprongsinlichtingen betreffende motorrijwielen van twee reeksen van de in Thailand geproduceerde motorrijwielen. Hoewel de Commissie twijfels uitte over de erkenning van de Thaise oorsprong, hebben de Belgische autoriteiten op 24 juni 2019 twee beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen verstrekt, waarin zij Thailand als land van oorsprong van de motorrijwielen van de twee reeksen van Harley-Davidson erkenden.
24.
De Commissie heeft daarvan op 21 augustus 2019 kennis gekregen en op 31 maart 2021 heeft zij het litigieuze uitvoeringsbesluit (EU) 2021/563 betreffende de geldigheid van bepaalde beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen13. vastgesteld. Bij dit besluit verplichtte de Commissie de Belgische autoriteiten om de beschikkingen in te trekken. De Belgische autoriteiten hebben gevolg gegeven aan dit uitvoeringsbesluit en de twee beschikkingen ingetrokken bij brief van 16 april 2021.
B. Bestreden arrest
25.
Bij verzoekschrift van 11 juni 2021 hebben rekwirantes verzocht om nietigverklaring van het litigieuze uitvoeringsbesluit.
26.
Daarbij baseerden zij zich op vijf middelen. In de eerste plaats heeft de Commissie wezenlijke vormvoorschriften geschonden, doordat het litigieuze uitvoeringsbesluit ontoereikend is gemotiveerd en doordat de Commissie de raadplegingsprocedure niet in acht heeft genomen. In de tweede plaats berust het bestreden uitvoeringsbesluit op een kennelijk onjuiste beoordeling van de relevante feiten door de Commissie. In de derde plaats heeft de Commissie misbruik gemaakt van haar bevoegdheid tot herroeping op grond van artikel 34, lid 11, van het douanewetboek door artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 onjuist uit te leggen. In de vierde plaats is gedelegeerde verordening 2015/2446 onverenigbaar met de voorwaarden voor delegatie op grond van artikel 290 VWEU. In de vijfde plaats schendt het litigieuze uitvoeringsbesluit algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
27.
Bij het bestreden arrest van 1 maart 2023 heeft het Gerecht het beroep verworpen en rekwirantes verwezen in de kosten.
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van de partijen
28.
Rekwirantes hebben op 11 mei 2023 de onderhavige hogere voorziening ingesteld en verzoeken het Hof
- —
het bestreden arrest te vernietigen;
- —
het litigieuze uitvoeringsbesluit nietig te verklaren, en
- —
de Commissie te verwijzen in de kosten van rekwirantes van zowel de procedure bij het Hof als de procedure bij het Gerecht.
29.
De Europese Commissie verzoekt het Hof
- —
de hogere voorziening af te wijzen, en
- —
rekwirantes te verwijzen in de kosten.
30.
De betrokken partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Aangezien het Hof van Justitie zich voldoende voorgelicht acht, heeft het overeenkomstig artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering besloten geen mondelinge behandeling te houden.
V. Juridische beoordeling
31.
Het onderhavige geding is gebaseerd op het feit dat de Commissie weigert Thailand te erkennen als oorsprong van motorrijwielen die Harley-Davidson daar aan een laatste bewerking of verwerking heeft onderworpen.
32.
Volgens artikel 60, lid 2, van het douanewetboek worden goederen bij de vervaardiging waarvan meer dan één land of gebied betrokken is, geacht van oorsprong te zijn uit het land of gebied waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.
33.
Om misverstanden te voorkomen, moet worden verduidelijkt dat tussen partijen niet in geschil is of Harley-Davidson in Thailand daadwerkelijk be- of verwerkingen verricht, dat wil zeggen of deze be- of verwerkingen zo ingrijpend zijn in de zin van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek dat zij in beginsel het vermoeden van oorsprong uit Thailand kunnen rechtvaardigen. De Belgische autoriteiten stellen dit te hebben gecontroleerd alvorens deze oorsprong vast te stellen.14. Noch de Commissie noch het Gerecht heeft zich echter over deze kwestie uitgesproken.
34.
Integendeel, het Gerecht heeft het standpunt van de Commissie bevestigd dat de in Thailand verrichte be- of verwerking niet economisch verantwoord was in de zin van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446.
35.
Volgens artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 wordt een be- of verwerking die in een ander land of gebied plaatsvindt, als niet economisch verantwoord aangemerkt wanneer op basis van de beschikbare feiten wordt vastgesteld dat die be- of verwerking tot doel had de toepassing van de in artikel 59 van het wetboek15. bedoelde maatregelen te vermijden.
36.
Indien men Harley-Davidson houdt aan haar eigen verklaringen, is het standpunt van de Commissie op het eerste gezicht gerechtvaardigd, aangezien de onderneming volgens punt 26 van het bestreden arrest in het formulier 8-K uitdrukkelijk heeft aangekondigd dat de verplaatsing van de productie naar Thailand tot doel had ‘die tarieflast te voorkomen’.
37.
Er zij echter op gewezen dat alleen in de Duitse versie van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446, van het litigieuze uitvoeringsbesluit en van het bestreden arrest een andere term is gebruikt, namelijk ‘umgehen’ (omzeilen) van een douanerecht. Dit begrip zou in het Engels bijvoorbeeld met ‘to circumvent’ of in het Frans met ‘contourner’ worden vertaald.
38.
Artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 in de zin van de Duitse versie opvatten als een verbod op omzeiling16., zou niet bezwaarlijk zijn. Het omzeilen van een regeling kan echter alleen worden aangenomen als de regeling overeenkomstig haar doel moet worden toegepast, maar de toepassing desondanks wordt verhinderd.17. Hieronder zal ik aantonen dat de erkenning van de verplaatsing van de productie naar Thailand niet in strijd is met het doel van de onderhavige douanerechten.
39.
In alle andere taalversies van de drie teksten gebruiken echter eerst de Commissie en vervolgens het Gerecht begrippen als ‘to avoid’ in het Engels18. of ‘éviter’ in het Frans19., die in het Duits eerder zouden moeten worden vertaald met ‘zu vermeiden’. En ook Harley-Davidson heeft in het formulier 8-K de formulering ‘to avoid the tariff burden’ (‘die tarieflast te voorkomen’) gebruikt.
40.
Het Gerecht en de Commissie zien daarom een vermijdingsverbod in artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446. Dit zou een aanzienlijk ruimer toepassingsgebied hebben dan een omzeilingsverbod: het zou zonder uitzondering betrekking hebben op alle maatregelen die erop gericht zijn aan douanerechten te ontkomen, zonder dat het doel van de douanerechten relevant is.
41.
Dat van een dergelijk verbod wordt uitgegaan wekt verbazing, met name door de formulering ervan als concretisering van de economische rechtvaardiging, aangezien het voorkomen van een tarieflast van 25 % of zelfs 50 % op het eerste gezicht een legitiem economisch doel is.
42.
Hierna zal ik toelichten dat rekwirantes zich er dus terecht tegen verzetten dat artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 wordt opgevat als een verbod op vermijding. Deze bepaling moet ofwel anders worden uitgelegd (eerste middel in hogere voorziening), ofwel de Commissie had deze niet mogen vaststellen (tweede middel in hogere voorziening). Het derde middel, ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, de rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen, heeft daarentegen minder kans van slagen.
A. Eerste middel — uitlegging van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446
43.
Met hun eerste middel bekritiseren rekwirantes een groot deel van de vaststellingen van het Gerecht20. met betrekking tot de uitlegging en de toepassing van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446. Deze berusten echter alle op de centrale overweging in punt 62, maar ook in punt 57, van het bestreden arrest, dat het doel om een douanerecht te vermijden krachtens deze bepaling reeds volstaat om de economische rechtvaardiging van de betrokken maatregel uit te sluiten. Bijgevolg beschouwt het Gerecht deze bepaling als een vermijdingsverbod.
44.
Het feit dat in de Duitse versie van het bestreden arrest de term ‘umgehen’ wordt gebruikt, doet daaraan niet af, aangezien in de bindende versie van het arrest in de Engelse procestaal het begrip ‘to avoid’ wordt gebruikt en in de Franse versie, dat wil zeggen in de werktaal van het Gerecht, het begrip ‘éviter’. Bovendien onderzoekt het Gerecht niet of Harley-Davidson het douanerecht wil omzeilen, maar beperkt het zich tot de vaststelling van het doel van vermijding.
45.
Met het eerste onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening betogen rekwirantes dat deze uitlegging van het Gerecht het doel en de systematische context van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 miskent. Met het tweede onderdeel betwisten zij het resultaat van de uitlegging door het Gerecht, dat een economisch gemotiveerd antwoord op aanvullende douanerechten praktisch uitgesloten is. Het derde onderdeel is gericht tegen de gevolgen op het gebied van de bewijslast, die erop neerkomen dat de betrokken onderneming een volledig ander hoofddoel moet aantonen wanneer een verplaatsing van de productie plaatsvindt op een tijdstip dat samenvalt met het opleggen van aanvullende douanerechten.
46.
Dit betoog is overtuigend, zoals blijkt uit een onderzoek van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 aan de hand van klassieke uitleggingsmethoden.
1. Bewoordingen
47.
Wat de bewoordingen van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 betreft, moet worden gewezen op de reeds genoemde verschillen tussen de taalversies en het begrip ‘economisch verantwoord’.
a) Verschillende taalversies
48.
Wat de bewoordingen van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 betreft, heb ik reeds uiteengezet dat de Duitse taalversie is geformuleerd als een omzeilingsverbod, terwijl alle andere taalversies geformuleerd zijn als een verbod op vermijding.21.
49.
Hoewel de Duitse taalversie van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 op zichzelf staat, kan zij door de andere taalversies niet zonder meer terzijde worden geschoven, aangezien geen enkele taalversie voorrang heeft boven de andere taalversies.22. Zij moeten veeleer uniform worden uitgelegd.23. Daarom zijn in dergelijke gevallen de algemene opzet en de doelstelling van de regeling24., en in voorkomend geval de ontstaansgeschiedenis25. ervan, van bijzonder belang.
b) Economische rechtvaardiging
50.
Bovendien zij eraan herinnerd dat artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 uit de doelstelling van vermijding of omzeiling afleidt dat de betrokken be- of verwerking wordt geacht niet economisch verantwoord te zijn.
51.
Het is juist dat niet elk economisch belang een maatregel kan rechtvaardigen. Het begrip ‘rechtvaardiging’ impliceert immers het bestaan van een wettelijk erkend hoger belang. In het algemeen ontbreekt dit in het geval van onrechtmatige maatregelen of in het geval van een oneigenlijke omzeiling van regelingen26., zoals douanerechten.
52.
Daarentegen is het enkele feit dat de tarieflast wordt vermeden, als zodanig niet onwettig of om andere redenen bezwaarlijk. Integendeel, zoals rekwirantes benadrukken, heeft het Hof op het gebied van het btw-recht erkend dat de belastingplichtige in beginsel het recht heeft om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft.27. Daarom is een belastingplichtige in de regel vrij om die organisatorische structuren en die voorwaarden van een transactie te kiezen welke hem het meest geschikt lijken om zijn economische activiteiten uit te oefenen en om de op hem rustende belastingdruk te verlichten.28.
53.
In het onderhavige geval zou de toepassing van een vermijdingsverbod een aanzienlijke verstoring van de concurrentiepositie van Harley-Davidson betekenen. Een aanvullend recht van 25 % of zelfs 50 % vermindert de afzetmogelijkheden aanzienlijk. In het formulier 8-K schat Harley-Davidson de gemiddelde last van de aanvullende douanerechten van 25 % op 2 200 US dollar (USD) per motorrijwiel en de jaarlijkse last voor de onderneming op ongeveer 90 miljoen tot 100 miljoen USD. Het is zeer twijfelachtig of andere maatregelen dan het vermijden van een dergelijk douanerecht een vergelijkbare invloed kunnen hebben op de prijs en de concurrentiepositie van de betrokken producten. Een dergelijke last kan dus economisch gezien hoge kosten rechtvaardigen om deze te voorkomen.
54.
De principiële economische rechtvaardiging van een verplaatsing van de productie wordt ook geïllustreerd door de vergelijking van een onderneming die, als directe reactie op de invoering van aanvullende douanerechten, de laatste ingrijpende be- of verwerking van de goederen van het betrokken land naar een ander land verplaatst, met andere ondernemingen die daar een dergelijke productiesite hebben. Indien deze ondernemingen dit reeds eerder hebben gedaan of daar op een later tijdstip voor het eerst een identieke productiesite — wellicht onuitgesproken onder de indruk van de aanvullende douanerechten — inrichten, zou artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446, zelfs uitgelegd als een vermijdingsverbod, hun immers niet worden tegengeworpen. Economisch gezien verschillen deze ondernemingen echter niet.
55.
Een uitlegging van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 als vermijdingsverbod heeft derhalve niet tot gevolg dat het begrip ‘economische rechtvaardiging’ wordt geconcretiseerd, maar beperkt het juist sterk, in strijd met de betekenis ervan.
2. Doelstelling
56.
De doelstelling van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446, die is vermeld in overweging 21 ervan, pleit eveneens tegen een uitlegging van dit artikel als een vermijdingsverbod. Volgens deze overweging beoogt de verordening te voorkomen dat de oorsprong van ingevoerde goederen wordt gemanipuleerd met als doel handelspolitieke maatregelen te omzeilen.
57.
Voor het begrip ‘Umgehung (omzeiling)’ in de Duitse taalversie van overweging 21 van gedelegeerde verordening 2015/2446 geldt hetzelfde als voor het gebruik van dit begrip in artikel 33, eerste alinea.29.
58.
Volgens overweging 21 van gedelegeerde verordening 2015/2446 heeft artikel 33 in alle taalversies30. echter uitsluitend tot doel te voorkomen dat de oorsprong van de ingevoerde goederen wordt gemanipuleerd.
59.
Etymologisch gezien verwijst het begrip manipulatie naar het gebruik van de hand, in het Latijn manus, in de bredere zin naar het hanteren of bewerken van een zaak, wat in sommige talen ook tot uitdrukking komt in het praktische gebruik.31. Het lijkt echter uitgesloten dat het begrip in overweging 21 van gedelegeerde verordening 2015/2446 deze betekenis heeft, aangezien het niet gaat om een hanteren of bewerken van de plaats van oorsprong, laat staan om het gebruik van handen.
60.
Veeleer moet ervan worden uitgegaan dat het begrip, overeenkomstig het frequentere gebruik ervan, moet worden opgevat als het uitoefenen van invloed, vaak door middel van misleiding32.. In die zin preciseren artikel 12 van en bijlage I bij de verordening marktmisbruik33. het begrip ‘(verboden) manipulatie van financiële markten’ met betrekking tot diverse situaties, in het bijzonder het geven van onjuiste of misleidende signalen [artikel 12, lid 1, onder a), punt i), en onder c)], de verspreiding van onjuiste informatie of het gebruik van een kunstgreep of enigerlei andere vorm van bedrog of misleiding [artikel 12, lid 1, onder b) en d)]. Ook in andere Unieregelgeving is het begrip ‘manipulatie’ gekoppeld aan het begrip ‘misleiding’.34. Ten slotte is er ook bij beschuldigingen van kartelvorming vaker sprake van manipulatie35., meestal op het gebied van de prijzen.
61.
Uit overweging 21 van gedelegeerde verordening 2015/2446 blijkt dus dat artikel 33, eerste alinea, niet tot doel heeft de economische rechtvaardiging van de laatste ingrijpende be- of verwerking reeds op basis van louter vermijding van douanerechten uit te sluiten, maar alleen als dit wordt bereikt door manipulatie van de oorsprong.
3. Systematische context
62.
Vanuit systematisch oogpunt moet worden ingegaan op het feit dat de Commissie artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 heeft vastgesteld in het kader van de uitoefening van een gedelegeerde bevoegdheid, alsook op het voorwerp en het doel van de in casu aan de orde zijnde douanerechten en op de oorsprongsregeling van artikel 33, derde alinea, die subsidiair van toepassing is.
a) Grenzen van de gedelegeerde bevoegdheid
63.
Bij de vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/2446 heeft de Commissie een gedelegeerde bevoegdheid uitgeoefend. Aangezien deze overeenkomstig artikel 290, lid 1, VWEU beperkt is tot het aanvullen of wijzigen van bepaalde niet-essentiële onderdelen, moet artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 aldus worden uitgelegd dat zich geen ingrijpende wijziging van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek voordoet. Anders zou artikel 33 ongeldig zijn.
64.
Uit artikel 60, lid 2, van het douanewetboek volgt dat de Unie niet elke laatste ingrijpende verwerking of bewerking als basis van de plaats van oorsprong erkent. Het moet veeleer gaan om een economisch verantwoorde maatregel. Artikel 62 machtigt de Commissie overigens uitdrukkelijk om regels vast te stellen volgens welke de in lid 2 van dit artikel bedoelde goederen worden geacht een dergelijke be- of verwerking in een land of gebied te hebben ondergaan.
65.
Bijgevolg mocht de Commissie in artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 preciseren wat onder ‘economisch verantwoord’ moet worden verstaan. Op grond van artikel 290, lid 1, VWEU kon zij echter geen nieuwe betekenis toekennen aan het begrip ‘economisch verantwoord’, aangezien zij daardoor de draagwijdte van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek aanzienlijk zou kunnen wijzigen, en met name beperken.
66.
Indien artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 alleen al de vermijding van douanerechten verhindert, kan worden betwijfeld of de Commissie deze beperking van haar bevoegdheid in acht heeft genomen. Zoals reeds uiteengezet36., kan het immers economisch zinvol en legitiem zijn om douanerechten te voorkomen.
67.
Indien deze bepaling daarentegen enkel de omzeiling van douanerechten of de manipulatie van de oorsprong verbiedt, is er geen reden om aan te nemen dat de gedelegeerde bevoegdheden zijn overschreden. Omzeiling noch manipulatie kan worden gerechtvaardigd door een economisch belang.
b) Voorwerp en doel van de aanvullende douanerechten
68.
Het voorwerp en het doel van de litigieuze douanerechten pleiten ook voor de stelling dat artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 niet moet worden opgevat als een algemeen vermijdingsverbod, maar dat deze bepaling beperkt moet blijven tot een omzeilingsverbod.
69.
De betrokken douanerechten hebben niet tot doel individuele producenten te belasten. In het bijzonder beogen zij niet de in de Verenigde Staten gevestigde ondernemingen te belasten.
70.
Integendeel, overeenkomstig verordening nr. 654/2014 heeft de Unie de douanerechten in kwestie opgelegd als reactie op de handelsbeperkende maatregelen die door een ander land, namelijk de Verenigde Staten, waren opgelegd.37. Dergelijke aanvullende rechten beogen het andere land te benadelen door de concurrentiepositie van de aldaar vervaardigde producten te verslechteren. Volgens overweging 3 van deze verordening hebben zij tot doel het betrokken derde land te dwingen de desbetreffende internationale handelsregels na te leven om de situatie van wederzijdse voordelen te herstellen. De nadelen voor de marktpositie van de aan de douanerechten onderworpen producten of de betrokken ondernemingen zijn in dit verband slechts bedoeld voor zover zij gevolgen hebben voor het land van oorsprong.
71.
De aanvullende douanerechten zijn dus in de eerste plaats bedoeld om de economische activiteit in het land waarop de rechten van toepassing zijn, te verminderen. Of deze activiteit afneemt als gevolg van een lagere verkoop van goederen in de Unie of omdat de betrokken ondernemingen hun economische activiteiten naar andere staten verplaatsen, is irrelevant voor het beoogde effect van de aanvullende douanerechten.
72.
Met andere woorden: door de productie naar een ander land te verplaatsen, heeft Harley-Davidson precies gedaan wat met de aanvullende douanerechten werd beoogd.
73.
De Commissie heeft voor het Gerecht terecht aangevoerd dat de litigieuze douanerechten zodanig zijn berekend dat zij ongeveer gelijk zijn aan de aanvullende douanerechten die de Verenigde Staten op producten uit de Unie heffen. Dit evenwicht wordt verstoord indien Harley-Davidson de toepassing van de huidige douanerechten op haar invoer in de Unie voorkomt door de markt van de Unie niet langer vanuit de Verenigde Staten maar vanuit Thailand te bevoorraden. In dit geval leggen de maatregelen van de Unie prima facie minder gewicht in de schaal dan de maatregelen van de Verenigde Staten. Dit doet echter niets af aan het feit dat Harley-Davidson als gevolg van de aanvullende douanerechten haar economische activiteiten in de Verenigde Staten heeft verminderd. In casu hoeft niet te worden beslist of het evenwicht daardoor daadwerkelijk wordt verstoord en of de Commissie het door andere douanerechten kan herstellen, zoals rekwirantes stellen.
74.
Daarentegen kan een douanerecht uit hoofde van verordening nr. 654/2014 niet tot doel hebben de economie te benadelen van andere, niet bij het handelsgeschil betrokken landen, waarnaar een onderneming haar productie verplaatst om aan de aanvullende douanerechten te ontkomen. Dergelijke nadelen zouden veeleer nieuwe handelsconflicten kunnen veroorzaken en de verplichtingen van de Unie uit hoofde van het internationale recht schenden.
c) Geen compensatie door middel van artikel 33, derde alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446
75.
De Commissie benadrukt echter dat zij in artikel 33, derde alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 heeft voorzien in een subsidiair toepasselijke regeling voor de bepaling van de oorsprong van goederen die van toepassing is wanneer de economische rechtvaardiging voor de laatste ingrijpende be- of verwerking moet worden verworpen. Een dergelijke regeling zou in beginsel kunnen waarborgen dat douanerechten slechts worden toegepast voor zover zij wegens hun respectieve doelstellingen, in casu het handelsconflict, noodzakelijk zijn.
76.
Artikel 33, derde alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 kan deze functie echter niet vervullen. Volgens deze bepaling zijn de goederen van oorsprong uit het land of gebied waar het grootste deel van de materialen van oorsprong is, zoals bepaald op basis van de waarde van de materialen. In dit verband speelt alleen de waarde van de materialen een rol in de onderlinge verhouding, en niet in verhouding tot de totale waarde van de goederen.
77.
In de praktijk zal een dergelijke regeling bij de verplaatsing van de laatste be- of verwerking vaak tot de conclusie leiden dat de oorsprong van de goederen in het land blijft waar deze productiestap eerder heeft plaatsgevonden. Het is immers onwaarschijnlijk dat de toeleveringsketens samen met de productie ingrijpend zullen worden gereorganiseerd. Daarom zullen de materialen vaak hoofdzakelijk afkomstig blijven uit het land waar de laatste be- of verwerking eerder heeft plaatsgevonden.
78.
Wanneer echter alleen de waarde van de materialen bepalend is, wordt het aandeel van de toegevoegde waarde door de laatste ingrijpende be- of verwerking van het goed volledig genegeerd.
79.
In het geval van een zeer geringe toegevoegde waarde in deze laatste stap zou dit niet bezwaarlijk zijn. De oorsprongsregeling van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek veronderstelt echter hoe dan ook dat de laatste verwerking of bewerking een merkbaar deel vormt van de waarde van de goederen, zoals het Hof in overeenstemming met de internationale praktijk38. heeft vastgesteld.39. Zo heeft de Commissie in artikel 34 van gedelegeerde verordening 2015/2446 ook de zogenoemde ‘minimale’ handelingen opgesomd die niet worden erkend als ingrijpende be- of verwerking. De economische rechtvaardiging en dus artikel 33, eerste alinea, zijn dus slechts van doorslaggevend belang indien de betrokken be- of verwerking een merkbare toegevoegde waarde heeft.
80.
Het criterium van de merkbare toegevoegde waarde is ook relevant voor de doelstelling van douanerechten in handelsconflicten. Aan de hand van dit criterium kan immers worden beoordeeld of een verplaatsing van de laatste be- of verwerking de economische activiteit in het land waartegen de Unie het douanerecht richt, voldoende vermindert om een wijziging van de oorsprong van de goederen te rechtvaardigen.
81.
Aangezien artikel 33, derde alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 niet toestaat dat rekening wordt gehouden met de toegevoegde waarde door de laatste be- of verwerking, kan deze bepaling het buitensporige effect van de ruime uitlegging als vermijdingsverbod die het Gerecht aan artikel 33, eerste alinea, heeft gegeven, niet compenseren.
d) Voorlopige conclusie van de systematische uitlegging
82.
Derhalve moet worden vastgesteld dat ook uit de systematische context van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 niet kan worden afgeleid dat reeds uit het doel van vermijding van een douanerecht kan worden geconcludeerd dat de laatste ingrijpende be- of verwerking economisch niet verantwoord is.
4. Ontstaansgeschiedenis en eerdere regelingen
83.
Aangezien gedelegeerde verordening 2015/2446 niet is vastgesteld in het kader van een wetgevingsprocedure waarbij de Raad en het Parlement betrokken waren, zijn er geen openbare documenten over de ontstaansgeschiedenis. In antwoord op vragen van het Gerecht heeft de Commissie evenwel uitgelegd dat artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 in de plaats is gekomen van eerdere bepalingen die niet meer in het nieuwe douanewetboek voorkomen.
84.
Het betrof artikel 25 van het oude douanewetboek40. en de voorloper daarvan, namelijk artikel 6 van verordening nr. 802/6841., die beide bepaalden dat, indien ten aanzien van bepaalde be- of verwerkingen vaststaat of op grond van vastgestelde feiten het vermoeden is gewettigd dat daarmee slechts ontduiking wordt beoogd van de bepalingen die in de Gemeenschap op goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, de daardoor verkregen goederen in geen geval kunnen worden geacht van oorsprong te zijn uit het land waar deze be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden. In alle taalversies van deze bepalingen, anders dan in nagenoeg alle taalversies van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/244642., werden begrippen gebruikt die overeenstemmen met het Duitse begrip ‘Umgehung’.
85.
De Commissie heeft aangegeven dat met de nieuwe formulering van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 werd beoogd moeilijkheden bij de toepassing van de voorheen geldende regels te voorkomen. Dit doel is begrijpelijk, aangezien het niet gemakkelijk zal zijn om een voornemen tot omzeiling van de wet te bewijzen.
86.
Dergelijke moeilijkheden staan echter niet toe dat het begrip ‘economische rechtvaardiging’ al te zeer wordt beperkt en dat de toepassing van de in het kader van handelsconflicten tussen staten opgelegde douanerechten wordt uitgebreid tot ver buiten datgene waarvoor zij bedoeld zijn. Dit zou immers niet alleen de door de Commissie genoemde handelaren te kwader trouw aan douanerechten onderwerpen.
87.
Bovendien heeft de Commissie in dat antwoord op die vragen ook aangegeven dat artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 enkel tot doel heeft manipulatie van de oorsprong te bestrijden, hetgeen ook blijkt uit overweging 21. Artikel 33, eerste alinea, hoeft daarvoor echter niet te worden opgevat in de zin van een alomvattend vermijdingsverbod.
5. Voorlopige conclusie met betrekking tot het eerste middel van de hogere voorziening
88.
In navolging van rekwirantes moet dus worden vastgesteld dat het bestreden arrest berust op een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446. Anders dan het Gerecht met name in punt 62 (maar ook in punt 57) van het bestreden arrest heeft vastgesteld, kan deze bepaling niet aldus worden opgevat dat reeds het doel van louter vermijding van de litigieuze douanerechten volstaat om de laatste ingrijpende be- of verwerking niet als economisch verantwoord aan te merken.
89.
Artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 moet veeleer aldus worden uitgelegd dat de economische rechtvaardiging van een be- of verwerking slechts verdwijnt indien deze tot doel heeft de toepassing van douanerechten te omzeilen door manipulatie van de oorsprong. Een dergelijke omzeiling veronderstelt, zoals ik reeds heb aangegeven, dat het betrokken douanerecht in strijd met het doel ervan niet wordt toegepast.43.
90.
In het geval van de litigieuze aanvullende douanerechten in verband met een handelsconflict tussen staten is het dus van belang of de betrokken be- of verwerking in een bepaald land of gebied is bedoeld om te verhullen dat het betrokken product — en niet de producent — daadwerkelijk afkomstig is uit een ander land of gebied, waaraan de Unie wegens een handelsconflict aanvullende douanerechten heeft opgelegd. Voor be- of verwerkingen die tot doel hebben andere douanerechten, zoals antidumpingrechten, te vermijden of in aanmerking te komen voor bijvoorbeeld preferentiële douanerechten, zal de omzeiling daarentegen eventueel anders moeten worden beoordeeld.
91.
Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel in hogere voorziening moeten dus worden aanvaard.
92.
Aangezien deze onjuiste rechtsopvatting ook de conclusies betreft die het Gerecht aan de vastgestelde feiten verbindt, moet het derde onderdeel van het eerste middel eveneens worden aanvaard. Dit is gericht tegen het feit dat het Gerecht met name in de punten 66, 68 tot en met 71 en 74 van het bestreden arrest uit de samenloop in de tijd van de oplegging van de onderhavige douanerechten en de aankondiging van de verplaatsing van de productie door Harley-Davidson heeft afgeleid dat deze verplaatsing tot doel had de onderhavige douanerechten te vermijden in de zin van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446.
93.
Het is juist dat het Hof reeds uit een dergelijke samenloop in de tijd heeft afgeleid dat het aan de betrokken marktdeelnemer staat om te bewijzen dat de assemblage om een redelijk motief wordt verricht in het land van waaruit de goederen zijn uitgevoerd, en niet om aan de gevolgen van de betrokken bepalingen te ontkomen.44. Deze vaststelling betrof evenwel rechten met een ander doel, namelijk antidumpingrechten, en wordt ook verklaard door het feit dat het in die zaak ging om de voortzetting van een praktijk die reeds vóór de instelling van het betrokken douanerecht bestond.45.
94.
Dit vermoeden kan hoe dan ook niet worden toegepast op het onderhavige geval van een douanerecht dat voortvloeit uit een handelsconflict, aangezien de verplaatsing van een laatste ingrijpende be- of verwerking naar een ander land beantwoordt aan de doelstellingen van het douanerecht.46.
95.
Bijgevolg dient ook het derde onderdeel van het eerste middel te worden aanvaard.
96.
Het bestreden arrest berust dus op met elkaar verbonden onjuiste rechtsopvattingen en moet derhalve worden vernietigd.
97.
Om die reden acht ik het niet nodig uitspraak te doen over de twee andere middelen van de hogere voorziening. Daarom zal ik deze slechts heel kort behandelen.
B. Subsidiair: tweede middel — rechtmatigheid van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446
98.
Met hun tweede middel betogen rekwirantes dat het Gerecht heeft nagelaten de onwettigheid van artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446 vast te stellen op grond dat de Commissie haar bevoegdheid tot concretisering van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek heeft overschreden.
99.
Indien het Hof echter mijn uitlegging van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 volgt, blijft deze bepaling nog steeds binnen de grenzen van de gedelegeerde bevoegdheden van de Commissie.
100.
Mocht het Hof daarentegen vaststellen dat de Commissie daadwerkelijk een ruim vermijdingsverbod heeft willen vaststellen, waardoor de door mij voorgestelde uitlegging wordt verworpen, dan zou de Commissie daadwerkelijk haar bevoegdheid tot concretisering van algemene rechtsbegrippen uit hoofde van artikel 290 VWEU hebben geschonden. Het begrip ‘economische rechtvaardiging’ en de werkingssfeer van artikel 60, lid 2, van het douanewetboek zouden dan namelijk te zeer worden beperkt door artikel 33 van gedelegeerde verordening 2015/2446.47. In dat geval zou het arrest van het Gerecht moeten worden vernietigd omdat daarin niet is vastgesteld dat deze bepaling onwettig is.
C. Subsidiair: derde middel — recht om te worden gehoord, rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen
101.
Met hun derde middel voeren rekwirantes aan dat het recht om te worden gehoord, de rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen zijn geschonden. Dit betoog kan echter niet slagen indien het Hof mijn standpunt niet deelt en artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 opvat als een vermijdingsverbod.
102.
In punt 166 van het bestreden arrest stelt het Gerecht vast dat de Commissie Harley-Davidson niet heeft gehoord alvorens het litigieuze uitvoeringsbesluit vast te stellen. In overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof herinnert het Gerecht er evenwel aan dat een schending van de rechten van de verdediging slechts tot nietigverklaring van de bestreden handeling leidt, wanneer de procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben, wat door de betrokken onderneming moet worden aangetoond.48. Rekwirantes kunnen dit bewijs niet leveren, aangezien uit het K-8 formulier duidelijk blijkt dat Harley-Davidson de toepassing van de onderhavige douanerechten hoe dan ook wilde voorkomen door de productie te verplaatsen. Indien artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 zou moeten worden opgevat als een vermijdingsverbod, zou er dus geen ander besluit van de Commissie mogelijk zijn.
103.
Wat de rechtszekerheid en de bescherming van het gewettigd vertrouwen betreft, betogen rekwirantes dat zij mochten vertrouwen op de door de Belgische autoriteiten verstrekte bindende oorsprongsinlichtingen. Op zijn minst heeft de procedure tot vaststelling van het litigieuze uitvoeringsbesluit volgens rekwirantes te lang geduurd (16 maanden), wat huns inziens aantoont dat de besluiten van de Belgische autoriteiten niet kennelijk onrechtmatig waren.
104.
In punt 144 van het bestreden arrest heeft het Gerecht echter terecht geoordeeld dat de bindende oorsprongsinlichting die de nationale autoriteiten overeenkomstig artikel 33 van het douanewetboek hebben afgegeven, aan de marktdeelnemer niet definitief de geografische oorsprong van het betrokken product kan garanderen. Krachtens artikel 34, lid 11, kan de Commissie de intrekking van een dergelijke beschikking gelasten met werking voor de toekomst indien de nationale autoriteiten de oorsprong onjuist hebben vastgesteld.
105.
Rekwirantes konden er in beginsel niet op vertrouwen dat de Commissie deze bevoegdheid niet zou uitoefenen. Bijgevolg is de aanvullende motivering van het Gerecht in punt 145 van het bestreden arrest, volgens welke de beschikkingen van de Belgische autoriteiten, door artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 te schenden, een duidelijke Unierechtelijke bepaling hebben geschonden, niet relevant. Mocht dit echter doorslaggevend zijn, dan kan het in het licht van de onderhavige overwegingen met betrekking tot het eerste middel van de hogere voorziening twijfelachtig zijn of deze bepaling voldoende duidelijk is.
VI. Beroep bij het Gerecht
106.
Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof, in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.
107.
De zaak is in staat van wijzen, aangezien vaststaat dat de Commissie het litigieuze uitvoeringsbesluit heeft gebaseerd op dezelfde onjuiste uitlegging van artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 als het Gerecht. De enige reden voor de toepassing van deze bepaling, die de Commissie in overweging 6 van het litigieuze uitvoeringsbesluit noemt, is immers de verklaring in het formulier 8-K dat Harley-Davidson de toepassing van de bestaande douanerechten wil voorkomen. De Commissie stelt daarentegen niet vast dat de douanerechten op oneigenlijke wijze worden omzeild door manipulatie van de oorsprong.
108.
De Commissie heeft voor het Gerecht weliswaar getracht te betogen dat Harley-Davidson ook omzeiling of misbruik kan worden verweten, maar daarbij heeft zij enkel verwezen naar het feit dat de verplaatsing van de laatste be- of verwerking voortvloeide uit de wil van de onderneming en hoofdzakelijk tot doel had het douanerecht te voorkomen. Zij heeft zich niet uitgesproken over de vraag of dit afbreuk doet aan het doel van het douanerecht. Daarom kan ook dit geen argument zijn voor afwijzing van de economische rechtvaardiging.
109.
Bijgevolg moeten de vorderingen van rekwirantes worden toegewezen en moet het litigieuze uitvoeringsbesluit nietig worden verklaard.
VII. Kosten
110.
Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de zaak zelf afdoet.
111.
Volgens artikel 138, lid 1, van dit Reglement, dat ingevolge artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
112.
Bijgevolg moet de Commissie de kosten van rekwirantes en haar eigen kosten dragen.
VIII. Conclusie
113.
Derhalve geef ik het Hof in overweging als volgt te beslissen:
- ‘1)
Het arrest van het Gerecht van 1 maart 2023, Harley-Davidson Europe en Neovia Logistics Services International/Commissie (T-324/21, EU:T:2023:101), wordt vernietigd.
- 2)
Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/563 van de Commissie van 31 maart 2021 betreffende de geldigheid van bepaalde beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen wordt nietig verklaard.
- 3)
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten die Harley-Davidson Europe Ltd en Neovia Logistics Services International en zijzelf hebben gemaakt in de procedures bij het Gerecht en het Hof.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 30‑05‑2024
Oorspronkelijke taal: Duits.
Uitvoeringsbesluit (EU) 2021/563 van de Commissie van 31 maart 2021 betreffende de geldigheid van bepaalde beschikkingen inzake bindende oorsprongsinlichtingen (PB 2021, L 119, blz. 117).
Arrest van 1 maart 2023, Harley-Davidson Europe en Neovia Logistics Services International/Commissie (T-324/21, EU:T:2023:101).
Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB 2013, L 269, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/632 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 (PB 2019, L 111, blz. 54).
Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB 2015, L 343, blz. 1), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2021/234 van de Commissie van 7 december 2020 (PB 2021, L 63, blz. 1).
Verordening (EU) nr. 654/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de uitoefening van de rechten van de Unie voor de toepassing en handhaving van de internationale handelsregels en tot wijziging van verordening (EG) nr. 3286/94 van de Raad tot vaststelling van communautaire procedures op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Gemeenschap ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (PB 2014, L 189, blz. 50), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 2015/1843 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 tot vaststelling van procedures van de Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek met het oog op de handhaving van de rechten die de Unie ontleent aan internationale regelingen voor het handelsverkeer, in het bijzonder die welke onder auspiciën van de Wereldhandelsorganisatie werden vastgesteld (codificatie) (PB 2015, L 272, blz. 1).
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/724 van de Commissie van 16 mei 2018 betreffende bepaalde handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika (PB 2018, L 122, blz. 14).
Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1987, L 256, blz. 1), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/507 van de Commissie van 26 maart 2018 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 (PB 2018, L 83, blz. 11).
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/886 van 20 juni 2018 betreffende bepaalde handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) 2018/724 (PB 2018, L 158, blz. 5).
Eerst bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/866 van de Commissie van 28 mei 2021 tot opschorting van handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika die bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/886 zijn ingesteld (PB 2021, L 190, blz. 94) en vervolgens bij de in voetnoot 11 genoemde regelingen.
Eerst bij uitvoeringsverordening (EU) 2021/2083 van de Commissie van 26 november 2021 tot opschorting van handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika die bij de uitvoeringsverordeningen (EU) 2018/886 en (EU) 2020/502 zijn ingesteld (PB 2021, L 426, blz. 41), thans bij uitvoeringsverordening (EU) 2023/2882 van de Commissie van 18 december 2023 tot opschorting van handelspolitieke maatregelen met betrekking tot bepaalde producten van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika die bij de uitvoeringsverordeningen (EU) 2018/886 en (EU) 2020/502 zijn ingesteld (PB L, 2023/2882).
Zoals geciteerd in punt 26 van het bestreden arrest.
PB 2021, L 119, blz. 117.
Door de Belgische autoriteiten op 13 november 2020 verstrekte informatie, bijlage E.3 bij het antwoord van de Commissie van 18 juli 2022 op vragen van het Gerecht.
Aangezien de litigieuze aanvullende douanerechten deel uitmaken van het gemeenschappelijk douanetarief, zijn het maatregelen overeenkomstig artikel 59 van het douanewetboek.
In die zin vat Schumann, G., in Krenzler, H. G., Herrmann, C., Niestedt, M., EU-Außenwirtschafts- und Zollrecht, 22e druk, status december 2023, C. H. Beck, München, artikel 60 douanewetboek, punt 8, artikel 33, eerste alinea, van gedelegeerde verordening 2015/2446 op als misbruikclausule.
Zie over dit gebruik van het begrip ‘omzeiling’ arresten van 12 december 2006, Duitsland/Parlement en Raad (C-380/03, EU:C:2006:772, punt 113); 21 mei 2019, Commissie/Hongarije (Vruchtgebruik op landbouwgrond) (C-235/17, EU:C:2019:432, punt 76); 26 oktober 2021, PL Holdings (C-109/20, EU:C:2021:875; punt 47), en 11 april 2024, Triferto, (C-654/22, EU:C:2024:298, punt 51).
Aangenomen kan worden dat de Commissie in de procedures tot vaststelling van gedelegeerde verordening 2015/2446 en het litigieuze uitvoeringsbesluit hoofdzakelijk in deze taal heeft gewerkt, en ook de procedure voor het Gerecht is in deze taal gevoerd.
Werktaal van het Gerecht.
Zij komen met name op tegen de punten 58, 60, 62, 63, 66, 68 tot en met 71 en 74 van het bestreden arrest.
Zie hierboven, punten 37–41.
Arresten van 27 maart 1990, Cricket St Thomas (C-372/88, EU:C:1990:140, punt 18), en 26 januari 2021, Hessischer Rundfunk (C-422/19 en C-423/19, EU:C:2021:63, punt 65).
Arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, EU:C:1977:172, punten 13 en 14); 27 maart 1990, Cricket St Thomas (C-372/88, EU:C:1990:140, punt 19), en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi (C-561/19, EU:C:2021:799, punt 43).
Arresten van 27 oktober 1977, Bouchereau (30/77, EU:C:1977:172, punten 13 en 14), en 17 januari 2023, Spanje/Commissie (C-632/20 P, EU:C:2023:28, punt 42).
Arresten van 22 oktober 2009, Zurita García en Choque Cabrera (C-261/08 en C-348/08, EU:C:2009:648, punt 57); 27 november 2012, Pringle (C-370/12, EU:C:2012:756, punt 135); 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad (C-583/11 P, EU:C:2013:625, punt 50), en 20 december 2017, Acacia en D'Amato (C-397/16 en C-435/16, EU:C:2017:992, punt 31).
Zie hierboven, punt 38.
Arresten van 21 februari 2006, Halifax e.a. (C-255/02, EU:C:2006:121, punt 73), en 17 december 2015, WebMindLicenses (C-419/14, EU:C:2015:832, punt 42).
Arrest van 22 december 2010, RBS Deutschland Holdings (C-277/09, EU:C:2010:810, punt 53).
Zie hierboven, punten 37–41.
Het begrip ‘manipulatie’ wordt zelfs in bijna alle taalversies gebruikt op basis van dezelfde woordstam. Alleen in de Griekse en Finse taal worden andere begrippen gebruikt, maar het Griekse ‘χειραγώγηση’ lijkt dezelfde betekenis te hebben als manipulatie en het Finse ‘vilpillisesti’ lijkt zelfs nog meer in de richting van frauduleus gedrag te gaan.
In die zin bijvoorbeeld de Franse versies van de arresten van 21 juni 2007, Omni Metal Service (C-259/05, EU:C:2007:363, punten 33 en 37), en 27 september 2007, Medion en Canon Deutschland (C-208/06 en C-209/06, EU:C:2007:553, punten 40–42), alsmede de Franse versie van artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 94/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval (PB 1994, L 365, blz. 10).
Zie ter illustratie arresten van 7 december 2010, R (C-285/09, EU:C:2010:742, punt 48), en 9 juli 2020, Verein für Konsumenteninformation (C-343/19, EU:C:2020:534, punten 24, 29 en 35).
Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (PB 2014, L 173, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2023/2869 (PB L, 2023/2869). Vergelijkbaar daarmee is de definitie van marktmanipulatie in artikel 2, punt 2, van verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie (voor de EER relevante tekst) (PB 2011, L 326, blz. 1).
Zie bijvoorbeeld artikel 47 bis van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB 2001, L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn (EU) 2022/642 van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2022 (PB 2022, L 118, blz. 4), artikel 8 van verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (PB 2011, L 1, blz. 1), artikel 8, lid 6, van richtlijn 2014/45/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de periodieke technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (PB 2014, L 127, blz. 51), artikel 5, lid 6, van verordening (EU) 2019/1150 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 ter bevordering van billijkheid en transparantie voor zakelijke gebruikers van onlinetussenhandelsdiensten (PB 2019, L 186, blz. 57), artikel 34, lid 2, van verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten (digitaledienstenverordening) (PB 2022, L 277, blz. 1), en artikel 54, lid 2, van verordening (EU) 2023/2053 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2023 tot vaststelling van een meerjarig beheersplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee (PB 2023, L 238, blz. 1).
Zie arresten van 6 december 2012, Commissie/Verhuizingen Coppens (C-441/11 P, EU:C:2012:778, punt 48), over de manipulatie van offertes; 14 januari 2021, Kilpailu- ja kuluttajavirasto (C-450/19, EU:C:2021:10, punt 35), over de manipulatie van aanbestedingsprocedures, en 12 januari 2023, HSBC Holdings e.a./Commissie (C-883/19 P, EU:C:2023:11, in het bijzonder punten 108 e.v.), over de manipulatie van interbancaire Euribor-referentietarieven.
Zie hierboven, punten 50–53.
Overwegingen 2 en 3 van uitvoeringsverordening 2018/724.
Destijds artikel 5 van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en de harmonisatie van douaneprocedures, gesloten bij besluit 75/199/EEG van de Raad van 18 maart 1975 (PB 1975, L 100, blz. 1), thans Specific Annex K bij de herziene overeenkomst; de Unie heeft deze annex echter niet geratificeerd. Zie ook artikel 2, onder a) en c), van de Overeenkomst betreffende de oorsprongsregels (PB 1994, L 336, blz. 144), aangenomen bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986–1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1).
Arresten van 13 december 1989, Brother International (C-26/88, EU:C:1989:637, punten 20–23, in het bijzonder punt 22); 8 maart 2007, Thomson en Vestel France (C-447/05 en C-448/05, EU:C:2007:151, punten 27, 28, 31 en 45), en 13 december 2007, Asda Stores (C-372/06, EU:C:2007:787, punten 37, 38 en 41).
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1).
Verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong van goederen (PB 1968, L 148, blz. 1).
Zie hierboven, punten 37–41.
Zie hierboven, punt 38.
Arrest van 13 december 1989, Brother International (C-26/88, EU:C:1989:637, punt 28).
Arrest van 13 december 1989, Brother International (C-26/88, EU:C:1989:637, punten 3 en 6).
Zie hierboven, punten 68–74.
Zie hierboven, punten 62–65.
Arrest van 16 juni 2016, SKW Stahl-Metallurgie en SKW Stahl-Metallurgie Holding/Commissie (C-154/14 P, EU:C:2016:445, punt 69 en aldaar aangehaalde rechtspraak).