Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/8.4
8.4 Toepassing van het leerstuk misbruik van recht
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS492227:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 december 2003, LJN AL7059, met zeer uitgebreide conclusie van J.L.R.A. Huydecoper, NJ 2004, 150 en «JBPr» 2004, 14 m.nt. A. van Hees (Kranenburg/Kranenburg c.s.).
Uiteindelijk werd circa 25% van het begrote bedrag toegewezen.
Huydecoper (in zijn conclusie voor HR 5 december 2003, NJ 2004, 150, «JBPr» 2004, 14, m.nt. A. van Hees (Kranenburg/Kranenburg c.s.) meent dat het risico van vooruitlopen op wat rechtens is moet blijven bij degene die een dergelijke bevoegdheid wil benutten. Ook in het geval van een deels (on)terechte vordering zou de beoordeling van het handelen van de beslaglegger niet aan de hand van misbruik van recht moeten plaatshebben, maar risicoaansprakelijkheid voor het onterecht gelegde gedeelte van de vordering moeten worden aangenomen.
Huydecoper 2006, p. 15-28, stelt dat het tamelijk uitzonderlijk is dat aan de voorwaarden voor toepassing van het leerstuk van vexatoir beslag wordt voldaan: uit het arrest Kranenburg/Kranenburg c.s. blijkt dat het op de weg van de beslagene ligt om te bewijzen dat sprake is van misbruik van recht en dat hieraan zeer hoge (motiverings)eisen worden gesteld. Hartlief 2009, p. 403-404: aansprakelijkheid langs de lijnen van misbruik van recht houdt terughoudendheid in; uitgangspunt is juist geen aansprakelijkheid (i.t.t. de situatie van risicoaansprakelijkheid zonder schuld). Mocht misbruik worden aangenomen, dan is steeds ook sprake van schuldaansprakelijkheid (toerekening op basis van schuld).
Van der Kwaak 2000, p. 11, stelt dat het in beide leerstukken gaat om vage normen die met elkaar gemeen hebben dat de concrete toepassing ervan in hoge mate wordt bepaald door de omstandigheden van het geval.
Over het begrip rechtsmisbruik bestaan vele theorieën; maar met name bestaat geen eenstemmigheid over de criteria aan de hand waarvan moet worden bepaald of een zekere handeling misbruik van bevoegdheid oplevert. Wel is er communis opinio dat het niet nodig is om van misbruik van bevoegdheid een afzonderlijk onrechtmatigheidscriterium te maken, daar de vigerende jurisprudentie en de formulering van art. 6:162 lid 2 BW reeds de gevallen van rechtsmisbruik omvat: Hartkamp 2006, nr. 56 en 57.
Soortgelijk: Van der Kwaak 1990, p. 152: voor misbruik van recht is slechts plaats indien de gedraging in beginsel bevoegdelijk lijkt te worden verricht.
Lindijer 2006, p. 555.
De toepassing van het leerstuk misbruik van bevoegdheid binnen het procesrecht heeft zich in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkeld rondom de bevoegdheid om in rechte te vorderen, waaronder de bevoegdheid tot het leggen van beslag en het treffen van executiemaatregelen. De begrenzing die voortvloeit uit het leerstuk van misbruik van recht is derhalve een begrenzing vanuit het ongeschreven recht. De codificatie in art. 3:13 BW doet hier niet aan af, aldus Lindijer 2006, p. 573.
Lindijer 2006, p. 573.
HR 24 november 1995, rov. 3.4, LJN ZC1894, NJ 1996, 161 (Tromp-Franca/Regency). Regency vorderde vergoeding van de schade ten gevolge van het vexatoir en daarom onrechtmatig gelegde beslag van Tromp-Franca.
Idem: Hartlief 2009, p. 404: wanneer de kwalificatie misbruik aan de orde is, is daarmee steeds ook van schuld sprake. Anders: Van der Kwaak 1990, p. 153, en Van der Kwaak 1996, p. 1897: met het vaststellen van die onrechtmatigheid staat nog niet vast of de beslaglegger daarmee ook schadeplichtig is ten opzichte van de beslagene. Dit zou afhankelijk zijn van de vraag of de beslaglegger op het moment van beslaglegging wist dan wel kon of behoorde te weten dat hij niet binnen de grens van zijn bevoegdheid handelde (schuldcriterium).
HR 21 april 2006, LJN AV2637, RvdW 2006, 424 (Bouma q.q. c.s.).
Beslaglegging geschiedt in beginsel voor risico van de beslaglegger. Het staat vast dat onrechtmatig handelen in de zin van art. 6:162 lid 3 BW aan de beslaglegger kan worden toegerekend.
Ook Hartkamp en Sieburgh gaan in geval van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad ervan uit dat indien de onrechtmatigheid vaststaat, het uitzonderlijk is dat daarmee de schuld niet vaststaat, zodat de aanwezigheid van schuld in de praktijk dikwijls voorshands wordt aangenomen: Hartkamp & Sieburgh 2011/107.
In hetzelfde jaar als het hiervoor besproken arrest Hoda/Mondi Foods deed de Hoge Raad uitspraak in een vergelijkbare zaak, Kranenburg/Kranenburg c.s.,1 waarin eveneens een vordering ter verzekering waarvan het beslag was gelegd slechts gedeeltelijk werd toegewezen.2
De Hoge Raad oordeelde – in navolging van het gerechtshof – dat door de beslagene geen concrete omstandigheden waren gesteld op grond waarvan rechtsmisbruik kon worden aangenomen. Het enkele feit dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd op een later moment geringer blijkt te zijn, is voor een veroordeling dus onvoldoende. In deze zaak speelde een nalatenschapskwestie (rekening en verantwoording) waarbij twee broers beslag legden op de onroerende zaken van de derde broer. Zij weigerden het beslag op te heffen tegen betaling van het door de rechtbank vastgestelde bedrag en eisten daarnaast zekerheidstelling voor rente etc. Deze handelwijze leidde uiteindelijk tot het faillissement van de beslagene. Terzijde moet worden vermeld dat in hoger beroep het gerechtshof op een fors lager bedrag uitkwam, hetgeen de beslagene sterkte in zijn opvatting dat zijn beide broers een onrechtmatige daad hadden begaan door het beslag niet op te heffen. A-G Huydecoper heeft in zijn conclusie voor dit arrest de vraag opgeworpen wat de nuance in benadering van een geheel ongegrond en een gedeeltelijk (on)gegrond bevonden vordering (zoals dit eerder door de Hoge Raad was geformuleerd in de zaak Hoda/Mondi Foods) rechtvaardigt.3 Een bewijslast in het kader van een onrechtmatige daad op grond van misbruik van recht is immers aanzienlijk zwaarder dan die welke op de beslagene rust in het kader van schade na een onrechtmatige daad, beoordeeld langs de weg van risicoaansprakelijkheid zonder schuld.4
Dat de toepassing van de in het geval van de leerstukken van misbruik van recht en onrechtmatige daad niet in alle gevallen glashelder is, kan men afleiden uit meer algemene opmerkingen van Van der Kwaak, die spreekt over vage normen5 en Hartkamp die wijst op een gebrek aan eenstemmigheid over criteria in dit verband.6 Lindijer zegt in zijn proefschrift inzake de goede procesorde over het leerstuk misbruik van recht dat door het recht verleende bevoegdheden niet absoluut zijn en derhalve een begrenzing kennen: 7
‘Kenmerkend voor de misbruikfiguur is dat een gedraging die bestaat in de uitoefening van een door het recht in abstracto verleende bevoegdheid, in het concrete geval, gelet op de belangen van anderen die bij de uitoefening zijn betrokken, niet door het recht wordt gelegitimeerd’.8
Het leerstuk van misbruik van bevoegdheid werd, na een periode van ontwikkeling in de jurisprudentie en dogmatiek, in 1992 als artikel 3:13 BW in het Burgerlijk Wetboek opgenomen.9 Op grond van de ratio van het leerstuk zelf en de definitie hiervan door Lindijer lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat een beoordeling van de situatie dat een vordering, ten behoeve waarvan conservatoir beslag is gelegd, deels wordt afgewezen, hier goed binnen past. Volgens Lindijer hebben zowel de eisen van een goede procesorde als het leerstuk van misbruik van bevoegdheid met elkaar gemeen dat zij in de rechtspraak worden gebruikt als:
‘gronden waarop in een concreet geval grenzen kunnen worden gesteld aan de uitoefening van aan partijen toekomende bevoegdheden.’ 10
Het stellen van op het leerstuk van misbruik van recht toegesneden feiten en omstandigheden in het geval van een vordering tot schadevergoeding in verband met een vexatoir beslag, is daarom op zichzelf een terecht vereiste, omdat het een situatie betreft waarin de beslaglegger niet ten onrechte de bevoegdheid tot het leggen van beslag heeft gebruikt om zijn vordering te secureren. Over de vraag in hoeverre aansprakelijkheid, als gevolg van een onder misbruik van recht gebruikte bevoegdheid tot het leggen van beslag, daarmee ook leidt tot een verplichting om de hieruit voortvloeiende schade te vergoeden, kan blijkens de doctrine verschillend gedacht worden. In het arrest Tromp-Franca/Regency11 werd echter reeds een vordering tot vergoeding van schade ten gevolge van een vexatoir beslag, nader op te maken bij staat, toegewezen zonder dat hierin de schuldvraag werd betrokken.12 Ook A-G Verkade in zijn conclusie voor het arrest inzake de rechtsopvolgster van Miniplankantoren tegen Bouma q.q. en Lemstra q.q. alsmede de Ontvanger13 meent dat de beslaglegger niet aan zijn aansprakelijkheid kan ontkomen door te betogen dat hem geen schuld treft.14 Omdat bij de beoordeling inzake misbruik van recht alle omstandigheden van het geval worden meegewogen – waaronder ook (eigen) schuld – ligt het inderdaad in de rede dat ervan moet worden uitgegaan dat de schadeplichtigheid met het vaststellen van het misbruik van recht gegeven is.15