Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen
Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.1:9.1 Inleiding
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.1
9.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS611855:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Peeters 2011 en Chen 2015
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit proefschrift is onderzocht op welke wijze het ETS in de Nederlandse wet en regelgeving is geïmplementeerd en hoe het in de Nederlandse praktijk functioneert. Daarbij is tevens getoetst of de formele en materiële implementatie in overeenstemming is met de Richtlijn ETS en andere uit het EU-recht voortvloeiende normen. Dit onderzoek draagt derhalve bij aan een beter begrip van de Nederlandse functionering van het ETS, en draagt concrete oplossingen aan voor geconstateerde knelpunten met het EU-recht. Het ETS bestaat uit vijf kernelementen: (1) de toewijzing van emissierechten (kosteloos of via veiling), (2) de handel in emissierechten, (3) het toezicht op het ETS, daaronder begrepen de vergunningplicht en de inlevering van voldoende emissierechten en (4) de rechtsbescherming tegen besluiten op grond van het ETS. Gezien de verwevenheid van ETS-activiteiten met activiteiten die onder de Richtlijn IE vallen, kan ook dit onderdeel als een kernelement van het ETS worden beschouwd (5). De volgende onderzoeksvragen staan daarom in dit onderzoek centraal:
Op welke wijze wordt het ETS in Nederland geïmplementeerd en hoe functioneren de toewijzing en de handel in broeikasgasemissierechten in het Nederlandse omgevingsrecht?
Op welke wijze wordt in het kader van de verlening van omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten (inrichtingen), de coördinatie tussen het ETS en de Richtlijn IE toegepast?
Doen zich bij de implementatie of de toepassing van het ETS - mede bezien in relatie tot de Richtlijn IE - knelpunten voor waardoor Nederland de Europese doelstelling op het gebied van het tegengaan van broeikasgasemissies onvoldoende realiseert, dan wel beter zou kunnen realiseren, en zo ja, welke oplossingen zijn denkbaar?
Ten behoeve van de beantwoording van deze hoofdvragen is dit proefschrift opgedeeld in vier onderdelen, waarin tevens de bovengenoemde kernonderdelen terugkomen:
Onderdeel I beschouwde het ETS vanuit internationaalrechtelijke kaders. Daarin werd het ETS getoetst aan relevante verdragen en hoger EU-recht. Deze toets is van belang. Immers daar waar het ETS zelf in strijd zou zijn met hoger recht, heeft een strijdigheid van de Nederlandse implementatie met het ETS in zoverre geen betekenis meer. Sommige onderdelen werden niet behandeld, nu deze reeds uitvoerig aan bod zijn geweest. Onder meer de toetsing van het ETS aan het EU gelijkheidsbeginsel, het principe ‘de vervuiler betaalt’ en het voorzorgsbeginsel is reeds uitvoerig beschouwd door Peeters en Chen. De conclusie naar aanleiding van deze bijdragen van Peeters en Chen, en de rechtspraak die zij bespreken, is dat het ETS, in beginsel, in overeenstemming met de genoemde beginselen is.1
Onderdeel II gaf een theoretische beschouwing van de Nederlandse implementatie van het ETS. In dit onderdeel werd de formele implementatie van het ETS getoetst aan EU-normen, zoals de vergunning- en inleverplicht. Bepaalde onderdelen werden wegens hun nauwe verwevenheid met praktijkonderdelen (onderdeel III van dit onderzoek) bewust buiten beschouwing gelaten.
Onderdeel III gaf een beschouwing van de uitvoeringspraktijk, daaronder begrepen de toewijzing van emissierechten, de handel in emissierechten, de rechtsbescherming, handhaving en de Nederlandse afstemming van de implementatie van het ETS en Richtlijn IE. Daarmee samenhangende regelgeving die niet reeds in onderdeel 2 is behandeld, werd hier eveneens besproken.
Onderdeel IV (het onderhavige onderdeel) bevat het slot van dit onderzoek, met daarin de conclusies en aanbevelingen.