Dit volgt uit artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Rb. Zeeland-West-Brabant, 09-04-2026, nr. BRE 24/7160
ECLI:NL:RBZWB:2026:2749
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
09-04-2026
- Zaaknummer
BRE 24/7160
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:2749, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 09‑04‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/662
Uitspraak 09‑04‑2026
Inhoudsindicatie
Aanslag IB/PVV, verzuimboete, ontvankelijkheid, genietingsmoment uitkering, algemene beginselen van behoorlijk bestuur, undue delay, beroep ongegrond.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/7160
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 april 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
(gemachtigde: mr. S.B.M.A. Engelen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 27 september 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 21.629.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 200 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking) en belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd.
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar behandeld als verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur heeft de verzuimboete verminderd naar € 60.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van belanghebbende deelgenomen. Namens de inspecteur hebben mr. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] deelgenomen. Belanghebbende heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank beoordeelt tevens of de inspecteur op juiste grond een aanslag IB/PVV 2020 heeft opgelegd aan belanghebbende. Daarbij is ook in geschil of de verzuimboete- en belastingrentebeschikking terecht en naar de juiste hoogten zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. De aanslag IB/PVV 2020, de verzuimboete- en belastingrentebeschikking zijn terecht en naar de juiste hoogte opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
4. Belanghebbende verbleef in de onderhavige periode achtereenvolgens in een penitentiaire inrichting en een tbs-kliniek.
4.1.
Uit de informatie van het UWV volgt dat belanghebbende in 2020 een Wajong-uitkering heeft genoten van € 21.629. Op deze uitkering is een bedrag van € 2.521 aan loonheffing ingehouden.
4.2.
De inspecteur heeft een uitnodiging, herinnering en aanmaning tot doen van aangifte verzonden naar het adres Carl Barksweg 3 te Almere.
4.3.
Namens belanghebbende is bij brief met dagtekening 16 augustus 2023 verzocht om vrijstelling van de aangifteplicht. De inspecteur heeft per brief met dagtekening 26 september 2023 laten weten onder voorbehoud aan dit verzoek tegemoet gekomen met ingang van het jaar 2021.
Motivering
Is het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard?
5. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken.1.Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking.2.Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.3.
5.1.
Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 9 augustus 2023 is. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift eindigde dus op 20 september 2023. Belanghebbende stelt in augustus 2023 tijdig in bezwaar te zijn gegaan tegen de aanslag IB/PVV 2020. De inspecteur stelt dat het bericht van augustus 2023 niet aangemerkt kon worden als bezwaarschrift. Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2020 is, aldus de inspecteur, ontvangen op 6 december 2023. Dit is ruim twee maanden na het verstrijken van de bezwaartermijn.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 16 augustus 2023 alleen een verzoek om vrijstelling van de aangifteplicht. Het onderwerp van de brief is: “Bezwaar tegen het doen van aangifte inkomstenbelasting”. De brief heeft de inspecteur terecht niet opgevat als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2020 omdat de brief daar niet over gaat.
5.3.
Het bericht van 6 december 2023 kan wel als bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2020 aangemerkt worden. Dit bezwaarschrift is naar het oordeel van de rechtbank onverschoonbaar te laat ingediend. Het bezwaarschrift is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Rechtsstreek beroep beschikking ambtshalve vermindering aanslag IB/PVV 2020
6. Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank dan als rechtstreeks beroep kan oordelen over de afwijzende beschikking ambtshalve vermindering. Belanghebbende stelt dat de aanslag IB/PVV 2020 vernietigd moet worden omdat met de inspecteur overeen is gekomen dat de aanslagen over de tijdvakken 2019 tot en met 2023 worden vernietigd, althans op nihil gesteld zullen worden. Daarnaast stelt belanghebbende sinds 2014 gedetineerd te zijn waardoor hij al tien jaar geen inkomsten heeft. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende aangegeven dat boven tafel is gekomen dat het UWV de betaling later heeft gedaan waardoor het genietingsmoment later is. De inspecteur voert aan dat uit de ter beschikking staande gegevens voldoende reden volgt om te vermoeden dat belanghebbende meer IB/PVV verschuldigd zou zijn in 2020 dan aan voorheffingen is ingehouden.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het UWV een nabetaling in één keer heeft uitbetaald. Het genietingsmoment van het gehele bedrag is daardoor volgens de wet in 2020. Dit pakt voor belanghebbende ‘onder de streep’ nadeliger uit dan wanneer het bedrag per jaar was uitbetaald. Dat is tussen partijen niet in geschil. Uit de renseignementen volgt dat de inspecteur het juiste bedrag van de Wajong-uitkering heeft opgenomen in de aanslag IB/PVV 2020. De aanslag IB/PVV 2020 is naar het oordeel van de rechtbank naar de juiste grond en naar de juiste hoogte opgelegd en belanghebbende heeft dus niet doen blijken dat de aanslag te hoog is vastgesteld.
6.2.
De rechtbank begrijpt van de inspecteur dat hij soortgelijke zaken ziet waarin het UWV het ‘nadeel’ van de betaling in een keer, compenseert. De rechtbank overweegt dat binnen de wettelijke kaders van het belastingrecht daar geen mogelijkheid voor is. Voor een eventuele compensatie zou een verzoek aan het UWV kunnen worden gericht.
6.3.
De stelling van belanghebbende dat overeen is gekomen dat de aanslagen over de tijdvakken 2019 tot en met 2023 zouden worden vernietigd of op nihil zouden worden gesteld wordt naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende onderbouwt deze stelling niet en reeds daarom blijkt daar niet uit dat de aanslag te hoog is vastgesteld.
Is sprake van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?
7. Belanghebbende stelt dat de inspecteur de uitspraken op bezwaar onvoldoende deugdelijk en begrijpelijk heeft gemotiveerd. Hierdoor heeft, aldus belanghebbende, geen integrale heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden.
7.1.
Een uitspraak op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering.4.Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de uitspraak op bezwaar deugdelijk gemotiveerd. Zo heeft de inspecteur uitgelegd waarom het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Verder heeft de inspecteur het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur is deels tegemoet gekomen aan het verzoek en dit is deugdelijk gemotiveerd. Ondanks dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, heeft er een integrale heroverweging van het primaire besluit plaatsgevonden.
7.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat belanghebbende erop mocht vertrouwen dat hij geen aangifte hoefde te doen voor het jaar 2020, slaagt dit beroep niet. Uit de stukken blijkt niet dat een dergelijke toezegging aan belanghebbende is gedaan.
Is de boetebeschikking terecht en naar de juiste hoogte opgelegd?
8. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen als de belastingplichtige geen aangifte heeft gedaan binnen een in de aanmaning gestelde termijn.5.
8.1.
Belanghebbende heeft de aangifte IB/PVV 2020 niet tijdig ingediend, ondanks dat hij daartoe is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand. De verzuimboete is in beginsel dan ook terecht aan belanghebbende opgelegd. Belanghebbende stelt echter dat sprake is van afwezigheid van alle schuld.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank had belanghebbende geen vrijstelling voor het doen van aangifte voor het jaar 2020 (zie ook punt 6.3). Van afwezigheid van alle schuld is daarom geen sprake. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan terwijl hij hiervoor wel was uitgenodigd, herinnerd en aangemaand waardoor de verzuimboete terecht opgelegd is.
8.3.
De inspecteur heeft de verzuimboete in bezwaar verminderd van € 385 naar € 60. Deze verminderde verzuimboete is naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.
Undue delay
9. De rechtbank constateert ambtshalve dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn voor behandeling van de zaak in eerste feitelijke instantie. De boete is minder dan € 1.000 waardoor de verdragsschending met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden naar het oordeel van de rechtbank voldoende is gecompenseerd.6.
Belastingrente
10. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2020, de verzuimboete- en de belastingrentebeschikking in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. de Vos, griffier.
griffier | rechter |
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑04‑2026
Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
Artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.
Dit volgt uit artikel 67a, eerste lid, van de AWR.
Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, r.o. 4.2.3.