HR, 29-06-2010, nr. 08/04369
ECLI:NL:HR:2010:BL8787
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-06-2010
- Zaaknummer
08/04369
- Conclusie
Mr. Jörg
- LJN
BL8787
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BL8787, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑06‑2010; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARN:2008:BE0212, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BL8787
ECLI:NL:PHR:2010:BL8787, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑03‑2010
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2008:BE0212
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BL8787
- Vindplaatsen
Uitspraak 29‑06‑2010
Inhoudsindicatie
HR: 81 RO.
29 juni 2010
Strafkamer
Nr. 08/04369
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 14 augustus 2008, nummer 21/002291-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en M.A. Loth, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M.Hart, en uitgesproken op 29 juni 2010.
Conclusie 16‑03‑2010
Mr. Jörg
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 14 augustus 2008 verzoeker wegens — kort gezegd — 1. diefstal door twee of meer verenigde personen en 2. medeplegen van opzetheling, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Voorts heeft het hof een werkstraf voor de duur van 180 uur opgelegd, subsidiair 90 dagen hechtenis, waarop twintig uur, subsidiair tien dagen, in mindering is gebracht. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen (gedeeltelijk) toegewezen, schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en beslissingen genomen over het beslag, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2.
Namens verzoeker heeft mr. Aart H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.
3.
Het eerste middel klaagt erover dat het hof het onder 1 bewezenverklaarde niet toereikend heeft gemotiveerd.
4.
Het hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij in of omstreeks de periode van 3 november 2006 tot en met 4 november 2006 te Katwijk aan Zee, gemeente Katwijk, tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een (bedrijfs)auto (merk Volkswagen, type LT en met kenteken [AA-00-BB]), geheel of ten dele toebe[benadeelde partij 1]de partij 1].’
5.
Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
‘Uit de aangifte van [benadeelde partij 1] blijkt dat een grijze Volkswagen LT, met het kenteken [AA-00-BB], aan hem toebehorend, op 3 of 4 november 2006 is weggenomen uit Katwijk, zonder dat [benadeelde partij 1] daar toestemming voor had gegeven. Uit het rittenoverzicht, afkomstig van het GPS-systeem waarmee de Volkswagen was uitgerust is inzage verkregen in de afgelegde route van het voertuig en de tijden waarop deze Volkswagen heeft gereden en stilgestaan. Daaruit blijkt dat het voertuig op 3 november 2006 om 22.00 uur uit Katwijk is vertrokken en via Bodegraven en Veenendaal uiteindelijk op 3 november 2006 om 23.35 uur in Terschuur is beland. In Veenendaal arriveerde het voertuig om 23.18 uur om vervolgens zijn weg richting Terschuur om 23.19 uur te vervolgen. Aldaar is het voertuig door de politie op 4 november 2006 aangetroffen in de eerder genoemde loods.
Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in opdracht van reeds genoemde [betrokkene 1] om 7 uur in de ochtend van 4 november 2006 in Veenendaal op een parkeerplaats een grijze Volkswagen heeft opgehaald. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij het voertuig uit Katwijk aan Zee heeft weggenomen. Het hof is van oordeel dat deze vermelding van de plaats (Katwijk aan Zee) waar verdachte de auto zou hebben weggenomen c.q. opgehaald, als een kennelijke verschrijving moet worden beschouwd, nu elders in dat proces-verbaal is vermeld dat de politierechter is uitgegaan van het meenemen van de auto in Veenendaal, hetgeen de verdachte heeft bevestigd. Ook ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij de auto in Veenendaal op de parkeerplaats bij de MacDonalds heeft opgehaald.
Het hof zal van de verklaring dat de verdachte de auto in Veenendaal heeft opgehaald en vervolgens de auto naar de loods in Terschuur heeft gereden uitgaan.
Het rittenoverzicht toont dat het gestolen voertuig in nagenoeg een doorlopende rit van Katwijk aan Zee naar Terschuur is gereden. Blijkens het rittenoverzicht heeft de auto van 22.37 uur tot 22.39 uur stilgestaan bij Bodegraven en vervolgens heeft de auto van 23.18 uur tot 23.19 uur stilgestaan in Veenendaal. De auto heeft dus maximaal één minuut stilgestaan in Veenendaal, alvorens de auto naar het eindpunt in Terschuur is gereden. Gelet op deze korte tijdspanne kan het niet anders dan dat de verdachte reeds in Veenendaal ter plaatse moet zijn geweest op het moment van aankomen van de auto en de auto van die ander heeft overgenomen. De door verdachte gegeven lezing dat hij is aan komen rijden, niemand heeft gezien, zijn eigen auto heeft afgesloten, naar de bus is gelopen en deze vervolgens heeft gestart met de autosleutels die zich in de asbak zouden hebben bevonden acht het hof strijdig met de gegevens zoals deze vermeld staan in het rittenoverzicht. Gelet op het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal. Verdachte heeft op een parkeerplaats op 3 november 2006 om 23.19 uur een auto overgenomen van een onbekend gebleven persoon of personen die hij vervolgens naar een loods heeft gebracht. In die loods stonden meer gestolen auto's naast deze grijze Volkswagen LT, met het kenteken [AA-00-BB], van welke auto verdachte inmiddels al twee deuren had verwijderd toen de politie daar arriveerde op 4 november 2006.’
6.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat op het moment dat verzoeker volgens het hof de auto in Veenendaal heeft overgenomen, de diefstal van dat voertuig al was voltooid en mitsdien volgens de steller van het middel slechts sprake is van begunstiging, op grond waarvan het hof ten onrechte het medeplegen van diefstal heeft bewezenverklaard.
7.
In deze formulering is het cassatiemiddel zonder meer tot mislukken gedoemd. Men kan immers heel wel medepleger van diefstal zijn zonder daadwerkelijk een uitvoeringshandeling te verrichten. Dat leert al het Containerdiefstalarrest (HR 17 november 1981, LJN AC7387, NJ 1983, 84,m.nt. ThWvV). Kennelijk is het hof van oordeel geweest dat verzoeker zo bewust en nauw met de dief of dieven heeft samengewerkt dat sprake is van diefstal in vereniging. Bewijs van die bewuste en nauwe samenwerking kan worden gevonden in gedragingen van de deelnemer ‘after the fact.’ Waar het op aan komt is of die gedraging(en) redelijkerwijs kan/kunnen worden beschouwd als uitingen van die nauwe en bewuste samenwerking.
‘Materiële elementen daarbij kunnen zijn de intensiteit van de samenwerking, een taakverdeling, de rol in voorbereiding, uitvoering of afhandeling en het belang van die rol (…).’ En: ‘[D]e indruk [wordt bevestigd] dat een bewuste, enigszins planmatige bijdrage al snel als voldoende voor medeplegen wordt gezien. Vooral indien de bewijsmotivering helderheid verschaft en indien wordt gezocht naar ‘compenserende’ aanwijzingen ter motivering van de bewuste samenwerking, lijkt deze rechtspraak aanvaardbaar’ aldus De Hullu (Materieel Strafrecht, 4e, p. 441 en 451).
8.
In zijn bewijsoverweging heeft het hof kennelijk beslissend voor de samenwerking geacht dat verzoeker al op een parkeerplaats in Veenendaal aanwezig was op het moment dat een of meer anderen met de gestolen auto kwam(en) aanrijden en hij die auto van hem/hen heeft overgenomen. Dit volgt volgens het hof uit het GPS-rittenoverzicht, waaruit blijkt dat de auto daar één minuut heeft stilgestaan, en uit de mededeling dat verzoeker daar de auto heeft meegenomen. Uit die eigen verklaring blijkt dus dat hij niet die ene minuut gebruikt heeft om een bestelling uit het raam van McDonalds aldaar te ontvangen. Het zou beter zijn geweest indien het hof expliciet had gezegd dat het hieruit opmaakt dat er tevoren een afspraak was gemaakt dat de afhandeling van de diefstal er kennelijk uit bestaan heeft dat de rol van verzoeker daarbij was het transporteren van de gestolen auto naar de ontmantelingsloods. Maar ook zonder die expliciete vermelding is wel duidelijk dat het hof dit heeft bedoeld. Zoals De Hullu (a.w., p. 438) terecht opmerkt maken de moderne communicatiemiddelen het medeplegen zonder lijfelijke aanwezigheid goed mogelijk. In dit geval was het zo dat verzoeker in ieder geval niet te laat op het parkeerterrein arriveerde om de uit Katwijk vertrokken auto zonder vertraging te kunnen meenemen. Anders dan het hof acht ik de verklaring van verzoeker dat ‘hij is komen aanrijden, niemand heeft gezien, zijn eigen auto heeft afgesloten, naar de bus is gelopen en deze vervolgens heeft gestart met de autosleutels die zich in de asbak bevonden’ een bevestiging van het beraamde plan om de auto te stelen (en vervolgens spoorslags te ontmantelen). De opvatting van het hof begrijp ik in zoverre niet, dat verzoekers verklaring n.m.m. niet in strijd is met het rittenoverzicht, maar wel té onwaarschijnlijk is voor toeval; dit moet afgesproken werk zijn geweest. Het is onwaarschijnlijk dat iemand zonder enige (andere) aanleiding zijn auto op een parkeerplaats stopt, naar een willekeurige bus loopt, die toevallig niet afgesloten blijkt te zijn, en zonder tijdrovend zoeken de autosleutels toevallig in de asbak aantreft, de auto start en wegrijdt. Dit alles in één minuut. Bovendien vergt de uitvoering van de hele onderneming dat de door verzoeker in Veenendaal achtergelaten auto ook weer moet worden opgehaald. De suggestie dat verzoeker een naïeve uitvoerder van opdrachten van anderen was wordt weersproken door zijn eigen zielenroerselen, die inhouden dat hij tijdens het slopen van auto's wel aan de zuiverheid van de zaak (ik lees: bedrijf) twijfelde. Hij had het vermoeden dat de werkzaamheden in de loods niet helemaal zuiver waren; ‘het sloeg nergens op dat hij de auto's moest slopen’ (p-v van de appelzitting, p. 2).
9.
De bewijsoverweging houdt dus zeker niet over maar het kan niet anders of hier is van een planmatige bijdrage aan de diefstal sprake door de afregeling van het vervolgtraject, zodat nog juist gezegd kan worden dat van een nauwe en bewuste samenwerking sprake moet zijn geweest en dus was.
10.
Het middel faalt.
11.
Het tweede middel klaagt erover dat het hof het onder 2 bewezenverklaarde niet toereikend heeft gemotiveerd.
12.
Het hof heeft onder 1 bewezenverklaard dat:
‘Hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 10 oktober 2006 tot en met 4 november 2006 te Terschuur, gemeente Barneveld, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, voorhanden heeft gehad een of meer personen- en of bedrijfsauto's (te weten Volkswagens met kentekens [BB-00-CC] en [CC-00-DD] en [DD-00-EE]), terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voormelde goederen wist dat deze door enig misdrijf waren verkregen.’
13.
Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
‘De politie trof op 4 november 2006 in een loods in Terschuur een witte, gestripte Volkswagen Transporter aan met het kenteken [BB-00-CC], met betrekking tot welke door [betrokkene 2] namens benadeelde [benadeelde partij 2] aangifte van diefstal was gedaan. Ook trof de politie een zwarte, gestripte Volkswagen Jetta aan met kenteken [DD-00-EE], met betrekking tot welke door [betrokkene 3] namens benadeelde [benadeelde partij 3] aangifte van diefstal was gedaan. Voorts vond de politie in de loods een mapje met de gegevens van een groene Volkswagen Transporter met het kenteken [CC-00-DD], met betrekking tot welke auto door de eigenaar [benadeelde partij 4] aangifte was gedaan. Verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de periode van 10 oktober 2006 tot 4 november 2006 in Terschuur in een loods auto's sloopte. Hij verklaarde tot vier maal toe voor ene ‘[betrokkene 1]’ deze werkzaamheden te hebben verricht waarbij verdachte voertuigen ‘stripte’ die nagenoeg nieuw waren. Verdachte heeft verklaard onder andere een witte Volkswagen, een groene Volkswagen en een Jetta te hebben gesloopt. Verdachte spreekt voorts van ene ‘[A]’ die bij genoemde werkzaamheden betrokken zou zijn geweest. Gelet op het feit dat de gestripte voertuigen in de loods in Terschuur waar verdachte zijn sloopwerkzaamheden verrichtte zijn aangetroffen, en de verklaring van verdachte dat hij betrokken is geweest bij het strippen van een witte Volkswagen, een groene Volkswagen en een Jetta, komt het hof tot de conclusie dat verdachte voorgaande voertuigen voorhanden heeft gehad.
In tegenstelling tot hetgeen de verdachte bij de politie heeft verklaard, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij niet wist dat de auto's waaraan hij werkte gestolen waren. Het hof hecht aan deze laatste verklaring geen geloof en houdt de verdachte aan zijn eerdere verklaring afgelegd tegenover de politie, inhoudende dat verdachte wist dat hij met criminele activiteiten te maken had en dat hij meteen snapte datje geen nieuwe auto's gaat slopen als ze eerlijk zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij een nieuwe donkergroene Volkswagen bus helemaal moest strippen, te weten de motor, de deuren en de dubbele cabine eruit moest halen. Tevens heeft hij het chassisnummer weggeslepen van een zwarte Volkswagen.
Het verweer van de raadsman dat er voor het door verdachte voorhanden hebben van de (groene) Volkswagen Transporter met kenteken [CC-00-DD] onvoldoende bewijs aanwezig is, verwerpt het hof. Daartoe overweegt het hof dat er een mapje is gevonden met het kenteken in de loods waar verdachte de voertuigen stripte en waar verdachte door de politie is aangehouden en dat er uit het dossier niet naar voren is gekomen dat er meer groene Volkswagen Transporters in de loods aanwezig waren. Aldus is het hof van oordeel dat verdachte ook de genoemde groene Volkswagen Transporter, met kenteken [CC-00-DD], zoals opgenomen in de tenlastelegging, voorhanden heeft gehad.
Het hof komt dan aldus tot de bewezenverklaring van het subsidiair bewezenverklaarde.’
14.
In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de bewezenverklaring dat verzoeker een Volkswagen met kenteken [CC-00-DD] voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed wist dat dit door enig misdrijf was verkregen, niet uit de bewijsmiddelen kan volgen omdat in de loods geen groene Volkswagen met kenteken [CC-00-DD] is aangetroffen en er legio witte Volkswagen Transporters en zwarte Volkswagen Jetta's zijn.
15.
Uit voormelde bewijsmiddelen kan, voor zover hier van belang, het volgende worden afgeleid. Door de politie is op 4 november 2006 in een loods in Terschuur een witte, gestripte Volkswagen Transporter met kenteken [BB-00-CC] en een zwarte gestripte Volkswagen Jetta met kenteken [DD-00-EE] aangetroffen. Daarnaast is in de loods een mapje gevonden met de gegevens van een groene Volkswagen Transporter met kenteken [CC-00-DD], welke als gestolen was aangegeven. In de loods is verzoeker aangehouden. Verzoeker heeft tegenover de politie verklaard dat hij in de periode van 10 oktober 2006 tot 4 november 2006 in de betreffende loods auto's stripte die nagenoeg nieuw waren, waaronder een witte Volkswagen, een groene Volkswagen en een Jetta. Het hof is er aldus kennelijk — en niet onbegrijpelijk — vanuit gegaan dat het daarbij gaat om de twee gestripte voertuigen die in de loods zijn aangetroffen en het voertuig waarvan het mapje met gegevens is aangetroffen. Aan dit laatste aspect wordt in de toelichting op het middel te weinig aandacht besteed. De mogelijke onwetendheid van verzoeker dat dit mapje in de loods aanwezig was staat niet aan de conclusie in de weg dat het de bij die papieren behorende groene Volkswagen wasdie verzoeker heeft zitten strippen. De bewezenverklaring op dit punt toereikend gemotiveerd.
16.
Het middel faalt.
17.
Het derde middel klaagt erover dat het hof de beslissingen inzake de vorderingen van de benadeelde partijen op onjuiste gronden heeft genomen, nu het hof om de redenen vermeld in de middelen 1 en 2 ten onrechte een relatie tussen het bewezenverklaarde en de door de benadeelde partijen geleden schade heeft aangenomen.
18.
Het middel faalt als gevolg van het falen van de eerste twee middelen. Zij kunnen alle met de aan art. 81 RO ontleende overweging worden afgedaan. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
19.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G