Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.2:4.3.2 Bestanddelen op grond van art. 3:4 lid 1 BW
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.3.2
4.3.2 Bestanddelen op grond van art. 3:4 lid 1 BW
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644953:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Meijers verwees in zijn toelichting ook naar het Bloembollen-arrest (HR 10 december 1937, ECLI:NL:HR:1937:155), zie TM, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. Boek 3, p. 72.
MvA II, art. 3.1.1.3, Parl. Gesch. Boek 3, p. 74.
Wichers (2002), p. 60.
Zie §§ 2.1.6-2.1.9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 3:4 lid 1 BW luidt:
“Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.”
Bij de toelichting op art. 3:4 BW verwijst Meijers, net als in zijn toelichting op art. 5:3 BW, naar het Sleepboot Egbertha-arrest uit 1936.1 In dat arrest is bepaald dat de verkeersopvatting bepalend is voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van één zaak. Deze hoofdregel uit het OBW blijft voor het BW dus gehandhaafd. Wat de verkeersopvatting in het dagelijks leven als zaak beschouwt, is ook voor het recht een afzonderlijke zaak.2 Hierbij zal het recht in het algemeen aansluiten bij het spraakgebruik. Men spreekt van een auto en niet van een motor met deuren en banden. De auto is de zaak, de motor, deuren en banden zijn de bestanddelen.
Oorspronkelijk luidde het artikel in het Ontwerp Meijers dat een bestanddeel een wezenlijk onderdeel moest uitmaken van de zaak. Dit woord is verwijderd omdat het tot een te enge uitleg van deze bepaling zou kunnen leiden; “Niet nodig is met name dat het onderdeel, wil het bestanddeel zijn, mede het wezen van de zaak bepaalt.”3 Door het weglaten van het woord “wezenlijk” is een discussie voorkomen over wanneer een onderdeel als “wezenlijk” moet worden aangemerkt. Wat de één als een wezenlijk onderdeel van de zaak ziet, ziet een ander als een niet-wezenlijk onderdeel. Wichers concludeerde derhalve dan ook: “Gelukkig is het woord geschrapt”.4 Het Nederlandse recht verschilt hierin van het Duitse recht, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen wesentliche en unwesentliche Bestandteile.5