Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 13-03-2025, nr. C-230/24
ECLI:EU:C:2025:177
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
13-03-2025
- Magistraten
N. Jääskinen, M. Condinanzi, R. Frendo
- Zaaknummer
C-230/24
- Roepnaam
Banco Santander
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:177, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 13‑03‑2025
Uitspraak 13‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Bescherming van de consument — Richtlijn 93/13/EEG — Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1 — Gelijkwaardigheidsbeginsel — Hypothecaire leningovereenkomsten — Beding volgens hetwelk de kosten verbonden aan een overeenkomst voor rekening van de consument komen — Vordering tot nietigverklaring — Verjaringstermijn van de vordering tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen — Verschillende verjaringstermijnen voor de vordering tot nietigverklaring van een contractueel beding en de vordering die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden
N. Jääskinen, M. Condinanzi, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-230/24,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Juzgado de Primera Instancia no 8 de La Coruña (rechter in eerste aanleg nr. 8, La Coruña, Spanje) bij beslissing van 12 maart 2024, ingekomen bij het Hof op 26 maart 2024, in de procedure
MF
tegen
Banco Santander SA,
wijst
HET HOF (Negende kamer),
samengesteld als volgt: N. Jääskinen, kamerpresident, M. Condinanzi en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Banco Santander SA, vertegenwoordigd door G. Fernández-Bravo, C. García Vega en J. Rodríguez Cárcamo, abogados,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door A. Pérez-Zurita Gutiérrez als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door I. Galindo Martín en P. Kienapfel als gemachtigden,
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
1
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MF, een consument, en Banco Santander SA over de vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een leningovereenkomst.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 luidt:
‘De lidstaten bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen een verkoper en een consument onder de in het nationale recht geldende voorwaarden de consument niet binden […].’
4
Artikel 7, lid 1, van die richtlijn is als volgt verwoord:
‘De lidstaten zien erop toe dat er in het belang van de consumenten alsmede van de concurrerende verkopers, doeltreffende en geschikte middelen bestaan om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers.’
Spaans recht
Algemene wet inzake de bescherming van consumenten en gebruikers
5
Bij Real Decreto Legislativo 1/2007 por el que se aprueba el texto refundido de la Ley General para la Defensa de los Consumidores y Usuarios y otras leyes complementarias (koninklijk wetsbesluit 1/2007 houdende goedkeuring van de geconsolideerde tekst van de algemene wet inzake de bescherming van consumenten en gebruikers en andere aanvullende wetten) van 16 november 2007 (BOE nr. 287 van 30 november 2007, blz. 49181) is de geconsolideerde tekst van deze wet vastgesteld, die is gewijzigd bij wet 5/2019 (hierna: ‘algemene wet inzake de bescherming van consumenten en gebruikers’).
6
Artikel 82, met als opschrift ‘Begrip oneerlijk beding’, bepaalt:
- ‘1.
Alle bedingen waarover niet afzonderlijk is onderhandeld en alle niet uitdrukkelijk overeengekomen praktijken worden als oneerlijk beschouwd indien zij, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk verstoren ten nadele van de consument en de gebruiker.
[…]
- 3.
Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding worden de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, alle omstandigheden bij de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is, in aanmerking genomen.
[…]’
7
Artikel 83 van de algemene wet inzake de bescherming van consumenten en gebruikers, met als opschrift ‘Nietigheid van oneerlijke bedingen en voortbestaan van de overeenkomst’, luidt:
‘Oneerlijke bedingen zijn van rechtswege nietig en worden als niet geschreven beschouwd. Na de partijen te hebben gehoord, stelt de rechter derhalve de nietigheid van de in de overeenkomst opgenomen oneerlijke bedingen vast, met dien verstande dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft onder dezelfde voorwaarden indien zij zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.
[…]’
Burgerlijk wetboek
8
In artikel 6, lid 3, van de Código Civil (burgerlijk wetboek) is bepaald:
‘Handelingen die inbreuk maken op dwingende regels of verbodsbepalingen zijn van rechtswege nietig, voor zover deze laatste in geval van inbreuk niet in andere gevolgen voorzien.’
9
Artikel 1303 van het burgerlijk wetboek luidt:
‘Wanneer een verbintenis nietig is verklaard, zijn de partijen bij de overeenkomst verplicht tot wederzijdse teruggave van de zaken waarop de overeenkomst betrekking had, alsmede van de door deze zaken voortgebrachte vruchten en van de prijs vermeerderd met rente, […].’
10
Op de datum van ondertekening van de hypothecaire leningovereenkomst die het voorwerp uitmaakt van het hoofdgeding, bepaalde artikel 1964 van dit wetboek:
‘Hypothecaire rechtsvorderingen verjaren na twintig jaar, en persoonlijke rechtsvorderingen die niet aan een bepaalde termijn zijn onderworpen, verjaren na vijftien jaar.’
11
In de loop van de uitvoering van de overeenkomst is dit artikel 1964 gewijzigd door Ley 42/2015 de reforma de la Ley 1/2000 de Enjuiciamiento Civil (wet 42/2015 houdende hervorming van de wet burgerlijk procesrecht 1/2000) van 5 oktober 2015 (BOE nr. 239 van 6 oktober 2015, blz. 90240). Na deze wijziging luidt die bepaling als volgt:
- ‘1.
Hypothecaire rechtsvorderingen verjaren na twintig jaar.
- 2.
Persoonlijke rechtsvorderingen die niet aan een bepaalde termijn zijn onderworpen, verjaren na vijf jaar te rekenen vanaf de dag waarop de verbintenis wordt geacht te gelden. Bij doorlopende verbintenissen om iets te doen of niet te doen, gaat deze termijn in bij elke niet-nakoming van een verbintenis.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
12
Op 19 januari 2009 heeft MF een hypothecaire leningovereenkomst met Banco Santander gesloten. Een beding in die overeenkomst bepaalde dat MF, als kredietnemer, alle kosten in verband met de sluiting ervan moest dragen, zoals de voorbereidende kosten van de transactie, alle kosten en belastingen ingevolge het vestigen van de hypotheek en de inschrijving ervan in het kadaster, de beheerskosten, alsmede de kosten die voortvloeien uit de wijziging of annulering van voornoemde overeenkomst (hierna ‘kostenbeding’).
13
Op 27 februari 2023 heeft MF een vordering tot nietigverklaring van het kostenbeding vanwege het oneerlijke karakter ervan ingesteld bij de Juzgado de Primera Instancia no 8 de La Coruña (rechter in eerste aanleg nr. 8, La Coruña, Spanje), de verwijzende rechter. Met deze vordering verzoekt MF tevens om terugbetaling van een bedrag dat gelijk is aan de helft van de notarishonoraria en alle kosten in verband met de inschrijving in het kadaster, vermeerderd met de wettelijke rente.
14
Banco Santander stelt dat de vordering tot terugbetaling van dat bedrag is verjaard. Hoewel artikel 1964 van het burgerlijk wetboek op het moment van ondertekening van de hypothecaire leningovereenkomst een verjaringstermijn stelde van vijftien jaar, is deze termijn bij wet 42/2015 gewijzigd en verminderd tot vijf jaar.
15
De verwijzende rechter heeft in het licht van het gelijkwaardigheidsbeginsel twijfels bij de mogelijkheid om een vordering tot nietigverklaring van een vermeend oneerlijk beding en een vordering die is gebaseerd op de terugbetalingsplicht ingevolge een dergelijke nietigverklaring, zoals de bij hem aanhangige vordering, verschillend te behandelen.
16
In de Spaanse rechtsorde bestaat er namelijk geen rechtsregel, noch rechtspraak die toestaat dat de verjaringstermijn van de vordering tot nietigverklaring van een contractueel beding verschilt van de verjaringstermijn die geldt voor de vordering die is gebaseerd op de gevolgen van een dergelijke nietigverklaring.
17
In deze omstandigheden heeft de Juzgado de Primera Instancia no 8 de La Coruña de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
‘Verzetten richtlijn [93/13] en het gelijkwaardigheidsbeginsel zich tegen toepassing van de mogelijkheid om de nietigheid wegens het oneerlijke karakter van een beding los te koppelen van de daaruit voortvloeiende terugbetalingsplicht, doordat enerzijds voor de vordering tot nietigverklaring geen verjaringstermijn geldt en anderzijds de vordering tot terugbetaling wel aan verjaring onderhevig is, terwijl er in de Spaanse interne rechtsorde geen regel of rechtspraak bestaat die deze loskoppeling toepast op andere rechtsbetrekkingen?’
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
18
Banco Santander betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing op grond dat daarin niet duidelijk is aangegeven welke gestelde nationale regel gunstiger is voor vorderingen wegens schending van het nationale recht dan voor vorderingen wegens schending van het Unierecht. Het Hof beschikt aldus niet over de gegevens inzake het Spaanse recht die noodzakelijk zijn om na te gaan of het gelijkwaardigheidsbeginsel is geëerbiedigd.
19
Volgens vaste rechtspraak van het Hof is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid draagt voor de te geven rechterlijke beslissing om, rekening houdend met de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen, waarbij voor deze vragen een vermoeden van relevantie geldt. Wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op de uitlegging of de geldigheid van een regel van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden, tenzij de gevraagde uitlegging kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vraag (arrest van 12 december 2024, Kutxabank, C-300/23, EU:C:2024:1026, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
20
Eveneens moet eraan worden herinnerd dat het gelijkwaardigheidsbeginsel inhoudt dat de wijze van uitvoering van het Unierecht, die krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een zaak van hun interne rechtsorde is, niet ongunstiger mag zijn dan die welke voor soortgelijke nationale situaties geldt (zie in die zin arrest van 17 mei 2022, Unicaja Banco, C-869/19, EU:C:2022:397, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
21
De verwijzende rechter zet in het verzoek om een prejudiciële beslissing uiteen dat er in het Spaanse recht een aantal vorderingen bestaan die zijn gebaseerd op de gevolgen van een nietigverklaring en waarvoor de verjaringsregels niet verschillen van die welke gelden voor de vordering die tot die nietigverklaring heeft geleid.
22
Volgens de verwijzende rechter blijkt hieruit dat in de Spaanse rechtsorde de voorwaarden voor uitoefening van een vordering tot terugbetaling ingevolge de nietigverklaring van een oneerlijk contractueel beding ongunstiger zijn dan die welke gelden voor andere vergelijkbare vorderingen die zijn gebaseerd op de gevolgen van een nietigverklaring.
23
Ook blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht, in het bijzonder die van het gelijkwaardigheidsbeginsel, niet relevant is voor het door de verwijzende rechter te wijzen vonnis of dat de gevraagde uitlegging van de in de prejudiciële vraag bedoelde Unierechtelijke bepalingen geen verband houdt met het voorwerp van het hoofdgeding.
24
De Spaanse regering heeft eveneens twijfels over de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing. In dit verband betwist zij de premisse waarop de verwijzende rechter zijn verzoek baseert, te weten dat in de nationale rechtsorde een regeling of rechtspraak bestaat die op algemene wijze bepaalt dat voor de vordering die ertoe strekt om de uit een nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, dezelfde verjaringstermijn geldt als voor de vordering die tot die nietigverklaring heeft geleid. De Europese Commissie uit dezelfde twijfels over het bestaan van de door de verwijzende rechter aangevoerde nationale regel in het Spaanse recht.
25
Het staat echter niet aan het Hof om in het kader van het bij artikel 267 VWEU ingevoerde stelsel van rechterlijke samenwerking de door de nationale rechter gegeven uitlegging van het nationale recht te verifiëren of ter discussie te stellen, aangezien deze uitlegging tot de exclusieve bevoegdheid van de nationale rechter behoort. Wanneer het Hof uitspraak moet doen over een prejudiciële vraag van een nationale rechter, dient het zich dus te houden aan de uitlegging die deze rechter van het nationale recht heeft gegeven (zie naar analogie arrest van 12 december 2024, Volvo Group Belgium, C-436/23, EU:C:2024:1023, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Bijgevolg is het verzoek om een prejudiciële beslissing ontvankelijk.
Beantwoording van de prejudiciële vraag
27
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 en het gelijkwaardigheidsbeginsel aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling of rechtspraak die bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet verjaart, maar die een verjaringstermijn stelt voor het instellen van een vordering die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, terwijl in de nationale rechtsorde voor andere vorderingen die zijn gebaseerd op de gevolgen van een nietigverklaring geen verjaringsregeling geldt die verschilt van die welke van toepassing is op de vordering die tot die nietigverklaring heeft geleid.
28
De verwijzende rechter verduidelijkt dat er in het Spaanse recht in beginsel geen enkele situatie bestaat waarin de nietigheid en de gevolgen ervan aan twee verschillende verjaringsregelingen zijn onderworpen.
29
In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moet worden uitgelegd dat een als oneerlijk aangemerkt contractueel beding in beginsel geacht moet worden nooit te hebben bestaan, zodat het geen gevolgen heeft ten aanzien van de consument. Derhalve moet de vaststelling in rechte dat een dergelijk beding oneerlijk is in beginsel tot gevolg hebben dat de situatie waarin de consument rechtens en feitelijk zonder dat beding zou hebben verkeerd, wordt hersteld. Hieruit volgt dat de verplichting voor de nationale rechter om een oneerlijk contractueel beding tot betaling van bedragen die onverschuldigd blijken, buiten toepassing te laten, in beginsel tot een terugbetalingsplicht leidt die ziet op die bedragen (arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C-698/18 en C-699/18, EU:C:2020:537, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
30
Het Hof heeft echter reeds erkend dat de bescherming van de consument niet absoluut is en dat het met het Unierecht verenigbaar is dat in het belang van de rechtszekerheid redelijke beroepstermijnen worden vastgesteld die gelden op straffe van verval van recht (zie arrest van 22 april 2021, Profi Credit Slovakia, C-485/19, EU:C:2021:313, punt 57).
31
Voorts verzetten artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich niet tegen een nationale regeling die bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet verjaart, maar die een verjaringstermijn stelt voor het instellen van een vordering die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, voor zover die termijn niet ongunstiger is dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen geldt (gelijkwaardigheidsbeginsel), en voor zover de uitoefening van de door het Unierecht en in het bijzonder door richtlijn 93/13 verleende rechten daardoor in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt (doeltreffendheidsbeginsel) [zie in die zin arresten van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C-698/18 en C-699/18, EU:C:2020:537, punt 58, en 8 september 2022, D.B.P. e.a. (Hypothecair krediet in vreemde valuta), C-80/21–C-82/21, EU:C:2022:646, punt 90].
32
Wat met name het gelijkwaardigheidsbeginsel betreft, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, moet eraan worden herinnerd dat voor de naleving van dit beginsel is vereist dat de betrokken nationale regel gelijkelijk van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het Unierecht, en op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht en eenzelfde doel en grondslag hebben (zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C-698/18 en C-699/18, EU:C:2020:537, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33
Richtlijn 93/13 en het gelijkwaardigheidsbeginsel verzetten zich er aldus niet tegen dat een verjaringstermijn geldt voor de vordering die ertoe strekt om de terugbetalingsplicht te doen gelden die voortvloeit uit de nietigverklaring van een oneerlijk contractueel beding, terwijl de vordering tot nietigverklaring van dat beding niet verjaart, voor zover die verjaringstermijn niet ongunstiger is dan die welke van toepassing is op vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht en eenzelfde doel en grondslag hebben.
34
In casu staat het aan de nationale rechter om na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vorderingen en de andere soorten vorderingen die zijn gebaseerd op het nationale recht en waarnaar hij in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing verwijst, vergelijkbaar zijn qua doel, grondslag en voornaamste kenmerken (zie naar analogie arrest van 9 juli 2020, Raiffeisen Bank en BRD Groupe Société Générale, C-698/18 en C-699/18, EU:C:2020:537, punt 77).
35
Bij dat onderzoek zal die rechter derhalve moeten nagaan of de Spaanse rechtsorde op andere gebieden dan die welke door richtlijn 93/13 worden geregeld, vorderingen kent die zijn gebaseerd op de gevolgen van een nietigverklaring en die qua doel, grondslag en voornaamste kenmerken vergelijkbaar zijn met de vordering die MF bij hem aanhangig heeft gemaakt, maar waarvoor overeenkomstig het nationale recht of de nationale rechtspraak evenwel geen verjaringstermijn geldt die vergelijkbaar is met die welke van toepassing is op laatstgenoemde vordering. Indien dit het geval is, schendt de nationale regeling die voorziet in de toepassing van die verjaringstermijn op de vordering in het hoofdgeding, het gelijkwaardigheidsbeginsel.
36
In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of, rekening houdend met de in de punten 32 tot en met 35 van het onderhavige arrest genoemde factoren, het gelijkwaardigheidsbeginsel is geëerbiedigd [zie naar analogie arrest van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep), C-180/17, EU:C:2018:775, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
37
Gelet op een en ander moet op de prejudiciële vraag worden geantwoord dat het gelijkwaardigheidsbeginsel alsmede artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling of rechtspraak die bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet verjaart, maar die een verjaringstermijn stelt voor het instellen van een vordering die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, voor zover de nationale rechtsorde op andere gebieden dan die welke door richtlijn 93/13 worden geregeld, vorderingen kent die zijn gebaseerd op de gevolgen van een nietigverklaring, die qua doel, grondslag en voornaamste kenmerken vergelijkbaar zijn met de vordering die ertoe strekt de uit de nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden en waarvoor een verjaringstermijn geldt die vergelijkbaar is met die welke van toepassing is op laatstgenoemde vordering.
Kosten
38
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Negende kamer) verklaart voor recht:
Het gelijkwaardigheidsbeginsel alsmede artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling of rechtspraak die bepaalt dat een vordering tot nietigverklaring van een oneerlijk beding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument niet verjaart, maar die een verjaringstermijn stelt voor het instellen van een vordering die ertoe strekt de uit die nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden, voor zover de nationale rechtsorde op andere gebieden dan die welke door richtlijn 93/13 worden geregeld, vorderingen kent die zijn gebaseerd op de gevolgen van een nietigverklaring, die qua doel, grondslag en voornaamste kenmerken vergelijkbaar zijn met de vordering die ertoe strekt de uit de nietigverklaring voortvloeiende terugbetalingsplicht te doen gelden en waarvoor een verjaringstermijn geldt die vergelijkbaar is met die welke van toepassing is op laatstgenoemde vordering.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 13‑03‑2025