Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/7.2.3.5
7.2.3.5 Art. 13l Wet VPB 1969; Aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS401778:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU van 18 september 2003, nr. C-168/01, BNB 2003/344.
De thincapregels waren alleen van toepassing indien de belastingplichtige met andere lichamen in een groep verbonden was in de zin van art. 2:24b BW. Was er geen sprake van een groep, dan bleef art. 10d Wet VPB 1969 (oud) verder buiten toepassing. Het uitgangspunt van de thincapregeling was de vaste debt-equityratio van 3:1. Dit betekende dat een vennootschap voor maximaal 75% met vreemd vermogen mocht zijn gefinancierd. Werd deze grens van 75% overschreden dan was de rente die betrekking had op dit surplus aan vreemd vermogen niet aftrekbaar (echter met als maximum de aan verbonden lichamen verschuldigde rente). Wel gold er een franchise van € 500.000 (aan vermogen) die bovenop het reeds genoemde maximaal toelaatbare vreemd vermogen van 75% kwam. Deze franchise was ingevoerd om het MKB te ontzien. Naast bovengenoemde vaste ratio kende art. 10d Wet VPB 1969 (oud) nog een concernratio. Naar keuze van de belastingplichtige kon voor de vraag of hij met te veel vreemd vermogen was gefinancierd, worden gekeken naar de verhouding tussen het eigen en het vreemd vermogen zoals die gold voor het concern als geheel, waarvan de belastingplichtige deel uitmaakte, in plaats van naar de vaste ratio van 3:1.
Zie onder andere de aangenomen motie-Bashir/Van Vliet, Kamerstukken II 2010-2011, 32 800, nr. 17.
Kamerstukken II, 2011-2012, 33 287, nr. 3, blz. 23-40. Voor een gedetailleerde uiteenzetting kunnen onder andere de volgende stukken worden geraadpleegd: O.C.R. Marres, Deelnemingsrente, WFR 2012/1426 en J. van Strien, de aftrekbeperking van bovenmatige deelnemingsrente, Fiscaal Actueel nr. 15, Kluwer, 2013, 1e druk.
Art. 13l Wet VPB 1969 is relatief nieuw in de vennootschapsbelasting. De bepaling, die ziet op de beperking van aftrek van bovenmatige deelnemingsrente, is ingevoerd per 1 januari 2013 en te zien als een secundaire reactie op het Bosal-arrest.1 In het desbetreffende arrest bepaalde het Europese Hof van Justitie dat het niet in aftrek toelaten van de rentelasten ten aanzien van buitenlandse deelnemingen strijdig was met het Europese recht. In het toenmalige art. 13 lid 1 Wet VPB 1969 waren deze rentelasten effectief uitgesloten, omdat deze niet middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van in Nederland belastbare winst. De wetgever koos er na de Bosal uitspraak voor om voortaan alle rentelasten ten aanzien van zowel binnenlandse als buitenlandse deelnemingen in aftrek toe te laten. Per 1 januari 2004 werd als gevolg van het Bosal-arrest een thincap-regeling (art.10d Wet VPB 1969 oud)2 ingevoerd, alsmede de in hoofdstuk 6.3.2. besproken houdster– en financieringsverliesregel. De thincapregeling werd per 1 januari 2013 vervangen door het huidige art. 13l Wet VPB 1969, omdat laatstgenoemde bepaling beter geschikt zou zijn om het Bosal-gat te dichten.3 Art. 13l Wet VPB 1969 heeft als doel te voorkomen dat de belastinggrondslag wordt uitgehold door de bovenmatige financiering van deelnemingen met vreemd vermogen.4 Kern van de aftrekbeperking is een rekenregel (art. 13l lid 1 Wet VPB 1969) waarin beschreven staat hoe de deelnemingsschuld moet worden vastgesteld. De deelnemingsschuld is het verschil tussen het gezamenlijke bedrag van de verkrijgingsprijzen van de deelnemingen en het (fiscaal) eigen vermogen. De rente die samenhangt met de deelnemingsschuld is niet aftrekbaar. Om het MKB te ontzien en de administratieve lasten te beperken, is de aftrekbeperking slechts van toepassing voor zover de bovenmatige deelnemingsrente hoger is dan € 750.000 per jaar. Daarnaast wilde de wetgever zoveel mogelijk het ondernemings- en vestigingsklimaat ontzien. Daarom worden uitbreidingsinvesteringen (uitbreiding van operationele activiteiten, art. 13l lid 5 Wet VPB 1969) uitgezonderd. Deelnemingen die door de groep zijn verworven of uitgebreid door daar eigen vermogen in te brengen in verband met een uitbreiding op dat moment dan wel in de daaraan voorafgaande of daaropvolgende periode van twaalf maanden gelden als uitbreidingsinvestering. De verkrijgingsprijs die daaraan kan wordt toegerekend, kan in mindering worden gebracht op het totaal van de verkrijgingsprijzen voor de berekening van de deelnemingsschuld. Als de uitbreiding van operationele activiteiten echter gefinancierd is door middel van ongewenste (double dip-achtige) structuren, dan wordt voornoemde uitzondering op grond van art. 13l lid 6 Wet VPB 1969 weer beperkt. In het Uitvoeringsbesluit aftrekbeperking bovenmatige deelnemingsrente zijn nog specifieke regels opgenomen. Het Uitvoeringsbesluit ziet grofweg op drie probleempunten, te weten reorganisaties (art. 2 t/m 5); voeging in en ontvoeging uit een fiscale eenheid (art. 6); en de samenloop tussen art. 13l en art. 15ad (art. 7). Tot slot merk ik op dat de regering in het op 10 oktober 2017 gepubliceerde regeerakkoord heeft aangekondigd dat als gevolg van de implementatie van de earningsstrippingsmaatregel per 1 januari 2019 enkele bestaande specifieke renteaftrekbeperkingen worden afgeschaft. Hoewel dat niet expliciet wordt aangegeven, wordt daar mijns inziens ook art. 13l Wet VPB 1969 mee bedoeld.