Hof Arnhem-Leeuwarden, 17-02-2015, nr. 200.126.301
ECLI:NL:GHARL:2015:1091
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
17-02-2015
- Zaaknummer
200.126.301
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2015:1091, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 17‑02‑2015; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2014:5274, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 01‑07‑2014; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
AR 2015/396
OR-Updates.nl 2015-0126
INS-Updates.nl 2015-0100
OR-Updates.nl 2015-0118
INS-Updates.nl 2015-0099
Uitspraak 17‑02‑2015
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Feitelijk bestuurder. Bewijsopdracht. Niet is komen vast te staan dat de bedrijfsleider/interim-manager het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.126.301
(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen 133660)
arrest van de tweede kamer van 17 februari 2015
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. S.J.B. Drijber,
tegen
mr. Annemieke Wiltink, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nijbo Stacaravan Industrie B.V.,
kantoorhoudende te Doetinchem,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Wiltink.
Partijen zullen hierna [appellant] en de curator worden genoemd. De gefailleerde vennootschap Nijbo Stacaravan Industrie B.V. zal Nijbo worden genoemd.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar het tussenarrest in deze zaak van 1 juli 2014. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de processen-verbaal van de op 26 september 2014 en 5 december 2014 gehouden getuigenverhoren.
1.2
Na afloop van de getuigenverhoren hebben partijen om arrest gevraagd en heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Bij voornoemd tussenarrest heeft de curator de gelegenheid gekregen om - kort gezegd - de door haar gestelde en door [appellant] betwiste feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit zou volgen dat [appellant] feitelijk bestuurder van Nijbo was. De curator heeft in enquête drie getuigen doen horen. [appellant] heeft in contra-enquête eveneens drie getuigen (waaronder zichzelf) doen horen.
2.2
Uit de getuigenverklaringen volgt dat [getuige 1] [appellant] in 2006 heeft aangenomen om hem te ontlasten. De bedoeling was, zo heeft [getuige 1] zelf verklaard, dat [appellant] de zaak op de fabriek zou regelen omdat het bedrijf groeide en [getuige 1] veel op pad was. [appellant] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat hij een paar maanden als interim-manager binnen het bedrijf van [getuige 1] zou werken. Aan het personeel werd [appellant] gepresenteerd als “de nieuwe baas”. Dat volgt niet alleen uit de verklaring van [appellant] zelf, ook de getuige [getuige 2] (de toenmalige boekhouder van Nijbo) heeft verklaard dat [appellant] door [getuige 1] werd gepresenteerd als de nieuwe baas en dat hij in de praktijk ook inderdaad de dagelijkse leiding had. Daar staat tegenover dat in de optiek van [getuige 3], die in 2006 als timmerman bij Nijbo in dienst is gekomen, [getuige 1] de baas van Nijbo was.
2.3
Over de functiebenaming die door [appellant] werd gehanteerd, is wisselend verklaard. [getuige 1] kon het zich niet herinneren, volgens [getuige 4] (vanaf oktober 2008 accountant van Nijbo) stelde [appellant] zich aan hem voor als directeur en [appellant] zelf heeft verklaard dat hij aanvankelijk de aanduiding bedrijfsleider of interimmanager hanteerde. Voor wat betreft het verslag van een bezoek van de arbeidsinspectie (productie 2 bij memorie van antwoord) is onduidelijk door wie het is opgesteld en welke status het verslag heeft, zodat daaraan weinig bewijswaarde kan worden toegekend. Volgens [appellant] is pas rond 1 mei 2007 afgesproken dat hij de titel algemeen directeur zou voeren omdat vanaf dat moment [getuige 1] de feitelijke leiding op zich zou nemen, hij [getuige 1] daarbij zou begeleiden en [getuige 1] zelf naar buiten toe moest worden afgeschermd omdat hij overwerkt was.
2.4
Over de gang van zaken had [appellant] regelmatig en in ieder geval wekelijks overleg met [getuige 1], zo hebben zowel [getuige 1] als [appellant] verklaard. [getuige 1] hield zich bezig met de verkoop, maar hield ook in de gaten of de kwaliteit in orde bleef en welke betalingen er werden gedaan, nam - samen met [appellant] - besluiten over het verlenen van service en greep soms in op besluiten die [appellant] had genomen. [appellant] overlegde met [getuige 1] de plannen die hij had voor het doorvoeren van een aantal veranderingen binnen Nijbo. [getuige 1] was regelmatig op kantoor.
2.5
[getuige 1] heeft verklaard dat [appellant] de contacten met de leveranciers onderhield en dat [appellant] achter zijn rug om had beslist om veel leveranties via Corundecor te laten lopen. [appellant] heeft dit ontkend en verklaard dat [getuige 1] of [getuige 1] er altijd bij waren als hij overleg had met een toeleverancier. Deze ontkenning vindt steun in de verklaring van [getuige 5] (in januari 2008 in dienst gekomen van Nijbo als productieleider) dat [getuige 1] degene was die de contacten met de toeleveranciers onderhield. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat de leverancierscontacten via [getuige 5] en [getuige 1] verliepen, zij het dat daarnaast ook [appellant] wel contacten met leveranciers had. Dat [appellant] voor Nijbo reizen naar China heeft ondernomen, zoals [getuige 1] heeft verklaard, is met klem door [appellant] en [getuige 5] tegengesproken en de reizen naar Duitsland en Zwitserland heeft [appellant] volgens diens verklaring samen met [getuige 1] gemaakt. Dat [appellant] zelf bepaalde of contacten met een leverancier werden stopgezet of gecontinueerd, is daarmee niet komen vast te staan, nog daargelaten dat [appellant] en [getuige 5] hebben verklaard dat Nijbo helemaal niet in de positie was om dat te bepalen.
2.6
Over de vraag in hoeverre [appellant] zelfstandig beslissingen nam ten aanzien van het personeelsbeleid zijn de verklaringen niet eenduidig. Volgens [getuige 1] kwam het voor dat [appellant] - zonder [getuige 1] er (van te voren) in te kennen - personeel aannam, personeel van Hameland te werk stelde, functioneringsgesprekken voerde en salarisverhogingen doorvoerde. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat [appellant] alle personeelszaken deed. [appellant] heeft niet weersproken dat hij zich bezighield met personeelszaken, maar heeft daarbij verklaard dat hij zijn plannen eerst met [getuige 1] besprak en dat hij ze pas uitvoerde als [getuige 1] groen licht had gegeven. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [getuige 5] dat hij, voordat hij werd aangenomen, bij [getuige 1] op gesprek is geweest en met [getuige 1] de arbeidsvoorwaarden heeft besproken, alsmede in de verklaring van [getuige 3] die ook heeft verklaard dat hij door [getuige 1] na een gesprek met hem is aangenomen. [getuige 5] heeft verder verklaard dat de beslissing of iemand werd aangenomen altijd door [getuige 1] werd genomen. Verder heeft [appellant] verklaard dat vanaf een bepaald moment [getuige 1] het initiatief nam in het aannemen van nieuw personeel, maar dat uiteindelijk [getuige 1] altijd besliste of iemand wel of niet werd aangenomen. Ook was het volgens [appellant] [getuige 1] die besliste over de tewerkstelling van personeel van Hameland. Al met al is daarmee niet komen vast te staan dat [appellant] het personeelsbeleid bepaalde.
2.7
Wat betreft de bemoeienis van [appellant] met de administratie, boekhouding en financiële gang van zaken binnen het bedrijf, heeft [appellant] zelf verklaard dat hij zich niet met de boekhouding bemoeide en dat hij aanvankelijk geen betalingsopdrachten of betalingsaanwijzingen gaf. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat [appellant] zich niet met de administratie bemoeide. [getuige 2] heeft verder - en anders dan [getuige 1] - verklaard dat hij de betalingen zonder overleg met [appellant] verrichtte, zij het dat [appellant] sporadisch wel eens opdrachten gaf. Dat laatste komt overeen met de verklaring van [appellant] dat hij vanaf mei 2007 wel eens aanwijzingen gaf welke leveranciers voorrang moesten krijgen bij de betalingen. Daarbij heeft [getuige 2] verklaard dat deze opdrachten soms vanuit Corundecor kwamen. [appellant] heeft slechts korte tijd een beperkte volmacht gehad. [appellant] heeft ontkend dat hij eind december 2008 een betaling aan Corundecor heeft gedaan of daartoe opdracht heeft gegeven. Ook heeft hij ontkend dat hij vanuit Corundecor betalingen ten behoeve van het personeel van Nijbo zou hebben gedaan. [getuige 1] heeft verklaard dat hij ervan uitging dat [appellant] betalingsopdrachten aan de boekhouder [getuige 2] gaf, maar uit eigen waarneming heeft hij daarover niet kunnen verklaren. Dat [appellant] het vermogen van Nijbo beheerde, is door geen van de getuigen verklaard. Uit de verklaringen van [appellant] en [getuige 4] volgt dat het idee om [getuige 4], als externe accountant voor Nijbo, te benaderen van [appellant] kwam, maar dat [getuige 1] heeft beslist om met [getuige 4] in zee te gaan. [getuige 4] voerde de gesprekken over de (analyse van de) cijfers en de toekomst van Nijbo met [getuige 1]. [getuige 4] heeft verklaard zich niet te kunnen herinneren opdrachten gekregen te hebben van [appellant]. In zijn brief van 6 mei 2010 aan de voormalige curator (productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft [getuige 4] in dit verband geschreven dat hij op verzoek van [getuige 1] heeft getracht de bedrijfsvoering in beeld te brengen en van advies te voorzien, dat [getuige 1] hem heeft verzocht om vanaf 2008 de cijfers in beeld te brengen, dat [getuige 1] goed zicht had op de orderportefeuille en het verdere reilen en zeilen binnen de onderneming (getuige de planningen die ze regelmatig bespraken), dat in overleg met [getuige 1] is afgesproken de activa te activeren bij de BV waar dat hoort, dat medio maart 2009 een eerste concept met [getuige 1] is besproken en dat naarmate het aankwam op bestuur en beheer de contacten via [getuige 1] verliepen. Tijdens zijn getuigenverhoor heeft [getuige 4] hieromtrent niet wezenlijk anders verklaard. Dat [appellant] actieve bemoeienis had met de boekhouding, in dat kader opdrachten gaf, het vermogen van Nijbo beheerde, betalingen uitvoerde en – meer dan incidenteel – betalingen liet uitvoeren, acht het hof dan ook niet bewezen.
2.8
De verklaring van [getuige 1] dat [appellant] contact onderhield met de huisbankier (Rabobank) over overschrijdingen van het kredietlimiet, vindt onvoldoende steun in andere verklaringen. [appellant] heeft verklaard dat de bank dit altijd met [getuige 1] besprak voor zover het Nijbo aanging. [appellant] heeft verklaard dat hij wel eens gesprekken heeft gehad met de bank maar dat [getuige 1] daar altijd bij was en dat hij, [appellant], bij die gesprekken aanwezig was omdat het financieringspakket ook Corundecor aanging. Daar komt bij dat [getuige 1] heeft verklaard dat de bank, toen het echt moeilijk werd, bij hem terecht kwam. Volgens [appellant] heeft hij hooguit één à twee keer met ABN AMRO contact gehad. Dat [appellant] in relevante mate voor Nijbo overleg had met de banken, is daarmee niet komen vast te staan.
2.9
Al met al komt uit deze verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, het beeld naar voren dat [appellant] tijdelijk, als bedrijfsleider/interim-manager en om [getuige 1] “uit de wind te houden”, de leiding had over de feitelijke gang van zaken binnen het bedrijf van Nijbo en als “de baas” het aanspreekpunt was voor het personeel, terwijl [getuige 1] zich feitelijk weinig met het bedrijf bemoeide maar achter de schermen de gang van zaken in de gaten hield, belangrijke beslissingen nam, overleg had met de accountant en de banken en de grote lijnen bepaalde. De door de curator ten behoeve van het pleidooi in hoger beroep overgelegde stukken, zoals de salarisstrook van [appellant] waarop de titel algemeen directeur staat vermeld, de brief van [getuige 1] d.d. 23 september 2008 (waarover [getuige 1] heeft verklaard dat de inhoud daarvan niet klopt), en de diverse e-mailcorrespondentie maken dat beeld in het licht van de afgelegde verklaringen niet, althans in onvoldoende mate, anders. Dat [appellant], zoals de stellingen van de curator impliceren, het beleid bepaalde ten aanzien van het personeel, de toeleveranciers en de financiële gang van zaken binnen Nijbo is niet komen vast te staan. [appellant] was er voor het regelwerk (zoals [getuige 1] heeft verklaard), maar het beleid binnen het bedrijf werd uiteindelijk nog altijd bepaald en beslist door [getuige 1]. Er zijn onvoldoende feiten komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat [appellant] het beleid van Nijbo heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. De curator is dus niet in het haar opgedragen bewijs geslaagd.
2.10
Bij voornoemd tussenarrest is reeds overwogen dat in dat geval de vorderingen van de curator grond missen. Het hoger beroep slaagt dus. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van de curator jegens [appellant] zullen alsnog worden afgewezen. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties. De kosten aan de zijde van [appellant] zullen voor de eerste aanleg worden begroot op nihil en voor het hoger beroep op: - griffierecht € 299,00 - explootkosten € 92,82 - getuigentaxe € 28,50subtotaal € 420,32 - salaris advocaat € 2.682,00 (maximum aantal van 3 punten x tarief II).
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, van 27 februari 2013, en opnieuw rechtdoende:
wijst de vorderingen van de curator af;
veroordeelt de curator in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op nihil en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 420,32 voor verschotten en op € 2.682,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, L.J. de Kerpel-van de Poel en A.M.C. Groen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2015.
Uitspraak 01‑07‑2014
Inhoudsindicatie
Bestuurdersaansprakelijkheid. Feitelijk bestuurder. Bewijsopdracht. Niet is komen vast te staan dat de bedrijfsleider/interim-manager het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.126.301
(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen 133660)
arrest van de eerste kamer van 1 juli 2014
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat: mr. S.J.B. Drijber,
tegen
mr. Annemieke Wiltink, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Nijbo Stacaravan Industrie B.V.,
kantoorhoudende te Doetinchem,
geïntimeerde,
advocaat: mr. A. Wiltink.
Partijen zullen hierna [appellant] en de curator worden genoemd. De gefailleerde vennootschap Nijbo Stacaravan Industrie B.V. zal Nijbo worden genoemd.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het tussen de curator als eiseres en (onder andere) [appellant] als gedaagde gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Zutphen, van 27 februari 2013.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep d.d. 19 april 2013;
- -
de memorie van grieven, met producties;
- -
de memorie van antwoord, met producties;
- -
de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities, ter gelegenheid waarvan akte is verleend van de door [appellant] ten behoeve van het pleidooi ingediende producties 10 tot en met 13.
2.2
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.
3. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd bestreden, staan tussen partijen de volgende feiten vast.
3.1
Nijbo was een onderneming die zich bezig hield met de productie en verkoop van stacaravans.
3.2
Bestuurder van Nijbo was Nijbo Beheer B.V. (hierna: Nijbo Beheer). Bestuurder van Nijbo Beheer was [de vennootschap] (hierna: [de vennootschap]). Bestuurder van [de vennootschap] was [bestuurder] (hierna: [bestuurder]).
3.3
[appellant] was sinds september 2006 in dienst bij Nijbo, laatstelijk in de functie van bedrijfsleider. In de periode 28 oktober 2008 tot 1 januari 2009 is [appellant] als beperkt gevolmachtigde van Nijbo ingeschreven geweest in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Met deze beperkte volmacht kon hij Nijbo binden voor bedragen tot € 35.000,-.
3.4
[appellant] was voorts bestuurder en aandeelhouder van Corundecor B.V. (hierna: Corundecor). Corundecor was leverancier van Nijbo.
3.5
Nijbo is bij vonnis van de rechtbank Zutphen van 28 april 2009 in staat van faillissement verklaard.
4. De motivering van de beslissing in hoger beroep
4.1
De curator heeft [appellant], Nijbo Beheer, [de vennootschap] en [bestuurder] (hierna gezamenlijk te noemen: [de bestuurders]) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor het boedeltekort in het faillissement van Nijbo wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur van Nijbo. Daaraan heeft de curator - samengevat - ten grondslag gelegd dat [de bestuurders] er niet voor heeft zorggedragen dat Nijbo voldeed aan haar boekhoudplicht ex artikel 2:10 BW en voorts dat in de periode voorafgaande aan het faillissement van Nijbo diverse schuldeisers zijn bevoordeeld ten opzichte van overige schuldeisers, dat er een “zwarte kas” werd aangehouden, dat in 2008 aan [de vennootschap] een hoge managementfee werd toegekend terwijl duidelijk was dat de resultaten van Nijbo dat niet toelieten, dat de huurprijs vlak voor het faillissement buitensporig is verhoogd en dat er door [bestuurder] gelden aan de onderneming zijn onttrokken. [appellant] was volgens de curator gevolmachtigde en feitelijk beleidsbepaler van Nijbo en is uit dien hoofde evenzeer aansprakelijk voor het boedeltekort. De rechtbank heeft jegens [appellant] verstek verleend en heeft de vorderingen van de curator jegens [de bestuurders] toegewezen. Daarbij heeft de rechtbank - zakelijk samengevat - voor recht verklaard dat [de bestuurders] aansprakelijk is voor het faillissementstekort en [de bestuurders] veroordeeld tot betaling daarvan.
4.2
Met zijn eerste grief richt [appellant] zich tegen het door de rechtbank verleende verstek tegen hem. Uit de door [appellant] overgelegde stukken volgt dat de rechtbank ten onrechte het verstek niet gezuiverd heeft geacht, nu de advocaat van [appellant] voordat het eindvonnis was gewezen aan de rechtbank te kennen had gegeven zich in de procedure te zullen stellen. In zoverre slaagt de grief. Dit heeft voor het overige evenwel geen gevolgen. [appellant] heeft het juiste rechtsmiddel (hoger beroep) aangewend. Dit na zuivering van het verstek gewezen eindvonnis is immers een op tegenspraak gewezen vonnis (niet de uiterlijke verschijningsvorm van het vonnis is in dit verband beslissend, maar hoe het vonnis had behoren te worden uitgesproken) en het vonnis moet bovendien - zelfs indien het verstek wel terecht zou zijn verleend - ook op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering als een vonnis op tegenspraak worden beschouwd, waartegen hoger beroep open staat. [appellant] is in hoger beroep alsnog in de gelegenheid geweest, en heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt, om zich tegen de vorderingen van de curator te verweren. Voor terugwijzing naar de rechtbank kan dit geen aanleiding zijn. Door het hoger beroep wordt in beginsel de gehele zaak naar het hof overgebracht om door het hof te worden beslist. Dit brengt mee dat het hof zich niet aan deze taak mag onttrekken door, bij gegrond bevinding van een of meer grieven, (een gedeelte van) de beslissing van hetgeen aan zijn oordeel is onderworpen over te laten aan de rechter die zijn oordeel over de zaak reeds heeft gegeven (“terugwijzingsverbod”). Deze regel kan slechts in uitzonderingsgevallen geen toepassing vinden, zoals in het geval waarin de appelrechter de uitspraak van de eerste rechter vernietigt waarbij deze zich – hetzij wegens het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, hetzij op grond van het bepaalde in artikel 1022 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hetzij uit hoofde van het onderwerp van het geschil – onbevoegd heeft verklaard van het geschil kennis te nemen (HR 16 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0926) of in een geval waarin de rechter wegens ten onrechte verleende ontslag van instantie op louter processuele gronden niet aan een inhoudelijke behandeling van de zaak tussen de betrokken partijen is toegekomen (HR 11 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK0857). Het onderhavige geval kan daarmee niet op één lijn worden gesteld. Weliswaar is [appellant] in eerste aanleg niet in de gelegenheid geweest om verweer te voeren, maar de rechtbank is wel tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak gekomen. Voor een verruiming van de uitzondering op het terugwijzingsverbod tot een geval als dit, ziet het hof, mede gelet op het door de Hoge Raad voorgestane duidelijke en in de praktijk eenvoudig te hanteren criterium (zie ook HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:96), geen ruimte.
4.3
Met zijn tweede grief richt [appellant] zich tegen de toewijzing van de vorderingen van de curator en de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overweging (ex artikel 139 Rv).
4.4
De curator heeft haar vorderingen primair gebaseerd op artikel 2:248 BW. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling is iedere bestuurder jegens de boedel (hoofdelijk) aansprakelijk voor het zogenoemde faillissementstekort, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Ingevolge het tweede lid van artikel 2:248 BW heeft het bestuur zijn taak onbehoorlijk vervuld indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW en in dat geval wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Ingevolge artikel 2:248 lid 7 BW wordt voor de toepassing van het artikel met een bestuurder gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder.
4.5
Het ligt op de weg van de curator om voldoende feiten te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit kan volgen dat [appellant] als feitelijk bestuurder van Nijbo het beleid heeft bepaald of mede heeft bepaald en dat dit met terzijdestelling van het formele bestuur is gebeurd. Voor dat laatste is voldoende dat het formele bestuur feitelijk heeft toegelaten dat [appellant] als bestuurder optrad en het beleid bepaalde. Ook indien er een formele bestuurder is die mede het beleid bepaalt, kan sprake zijn van feitelijk bestuur door een (door de formele bestuurder gedoogde) persoon die feitelijk mede het beleid bepaalt als ware hij bestuurder.
4.6
Ter invulling van haar stelling dat [appellant] dient te worden aangemerkt als feitelijk bestuurder van Nijbo, heeft de curator gesteld dat [appellant] wat betreft zijn functie en werkzaamheden de algemeen directeur van Nijbo was en dat hij zich aan zijn (vanaf 2008) beperkte volmacht weinig gelegen liet liggen. Volgens de curator gebruikte [appellant] de titel (algemeen) directeur en gedroeg hij zich daarnaar, zowel richting personeel als richting externe contacten. [appellant] nam, aldus de curator, personeel aan zonder [bestuurder] daarin te kennen. [appellant] was intensief betrokken bij personeelszaken, hetgeen onder meer zou blijken uit het ter beschikking stellen vanuit Corundecor van in totaal € 55.000 ten behoeve van het kunnen voldoen van het salaris van het personeel van Nijbo. Ook had [appellant], nog steeds volgens de curator, inzicht in en toegang tot de administratie, had hij actieve bemoeienis met de boekhouding, gaf hij in dat kader opdrachten aan personeelsleden, beheerde hij het vermogen van Nijbo en voerde hij betalingen uit en liet hij deze uitvoeren. Ook zou [appellant] gesprekken voeren en corresponderen met de huisbankier over de betalingslimiet van de vennootschap. [appellant] bepaalde ook, zonder overleg, of contacten met een leverancier werden stopgezet of gecontinueerd. [bestuurder] was te druk bezig met zijn activiteiten voor andere vennootschappen en liet daarom de dagelijkse leiding in Nijbo over aan [appellant]. [appellant] lichtte [bestuurder] wekelijks in over het reilen en zeilen in de onderneming.
4.7
Voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, zouden tot de conclusie kunnen leiden dat [appellant] als feitelijk bestuurder van Nijbo dient te worden aangemerkt. Dat [appellant] in andere (arbeidsrechtelijke of bestuursrechtelijke) procedures als werknemer van Nijbo is aangemerkt, zoals [appellant] heeft aangevoerd, staat daaraan niet in de weg.
4.8
[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij bestuurstaken heeft uitgevoerd en heeft gesteld dat hij geen invloed heeft gehad op het beleid van Nijbo. Volgens [appellant] oefende [bestuurder] zelfstandig en volledig de bestuurstaak uit en was hij, [appellant], de bedrijfsleider die, samen met de broer van [bestuurder], het personeel aanstuurde en de planning van werkzaamheden voor projecten/opdrachten verzorgde. [bestuurder] was, aldus [appellant], degene die het bedrijf leidde, orders binnen haalde, betalingen deed, inzicht had in en eindverantwoordelijk was voor de administratie, en de strategie en het beleid van Nijbo bepaalde. Dat blijkt ook, zo voert [appellant] aan, uit de omstandigheid dat [bestuurder] hem per januari 2009 op non-actief heeft gesteld en zijn salarisbetaling heeft stopgezet.
4.9
Waar de curator voldoende gemotiveerd feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie zouden kunnen leiden dat [appellant] als feitelijk bestuurder van Nijbo dient te worden aangemerkt, terwijl [appellant] voldoende gemotiveerd heeft betwist dat van feitelijk bestuurderschap sprake is geweest, zal het hof de curator in de gelegenheid stellen de door haar gestelde feiten en omstandigheden zoals benoemd in rechtsoverweging 4.6 te bewijzen.
4.10
Indien de curator in dit bewijs niet slaagt, missen de vorderingen van de curator grond en dienen die te worden afgewezen. Indien de curator wel in het bewijs slaagt, dient vervolgens te worden beoordeeld of het bestuur van Nijbo zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. In afwachting van de uitkomst van voornoemde bewijslevering, houdt het hof de beoordeling daarover aan.
4.11
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat de curator toe tot het onder 4.9 vermelde bewijs;
bepaalt dat, indien de curator dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. F.J.P. Lock, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat de curator het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 15 juli 2014, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;
bepaalt dat de curator overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. F.J.P. Lock, L.J. de Kerpel-van de Poel en A.M.C. Groen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2014.