HR, 26-05-2026, nr. 24/02243
ECLI:NL:HR:2026:800
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-05-2026
- Zaaknummer
24/02243
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:800, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑05‑2026; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:75
ECLI:NL:PHR:2026:75, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 10‑03‑2026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:800
Uitspraak 26‑05‑2026
Inhoudsindicatie
Profijtontneming, w.v.v. uit valsheid in geschrift (t.a.v. 5 werknemers in periode van 1-1-2014 tot en met 3-11-2016) en andere strafbare feiten (grootschalige fraude t.a.v. andere werknemers), art. 36e.2 Sr. Is structurele fraude t.a.v. andere werknemers ttz. in hoger beroep voldoende aan de orde gesteld en is betrokkene voldoende in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over niet tlgd. feiten? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/02246. CAG (strekking): art. 80a RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02243 P
Datum 26 mei 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 11 juni 2024, nummer 22-002837-23, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat S.F.W. van ’t Hullenaar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep met toepassing van artikel 80a RO.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.
Conclusie 10‑03‑2026
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Het middel, dat inhoudt dat betrokkene onvoldoende in gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan, mist feitelijke grondslag: art. 80a RO. De conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Samenhang met 24/02246.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02243 P
Zitting 10 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de betrokkene
1. Inleiding
1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 11 juni 2024 (rolnr. 22-002837-23) het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 258.710,95 en de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een bedrag van € 242.460,95. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd bepaald op 1080 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de strafzaak tegen de betrokkene met nummer 24/02246. In deze zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. Waar het in cassatie om gaat
2.1
In deze ontnemingszaak heeft het hof geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen zijn dat binnen [A] B.V, onder de feitelijke leiding van de verdachte (tevens betrokkene), in de periode van 1 januari 2014 t/m 3 november 2016 ten aanzien van meerdere werknemers met Oost-Europese namen strafbare feiten zijn gepleegd soortgelijk aan het in de onderliggende strafzaak bewezenverklaarde strafbare feit. Het middel houdt in dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat er waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.
2.2
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
3. Het middel
3.1
Het middel bevat de klacht dat de betrokkene onvoldoende in de gelegenheid is gesteld aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door hem zijn begaan.
3.2
De in het middel verwoorde eis is neergelegd in HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, NJ 2021/46 m.nt. Reijntjes r.o. 2.4.4. Uit de met de onderhavige ontnemingszaak samenhangende strafzaak waarin ik vandaag ook concludeer, blijkt zonder meer (zie de conclusie voor die strafzaak onder 3.20 en 4.5) dat de verdachte en zijn raadsman de gelegenheid hebben gehad aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de fraude zich ook tot andere werknemers met Oost-Europese namen heeft uitgestrekt. Het middel mist dan ook feitelijke grondslag.
3.3
Het middel faalt.
4. Afronding
4.1
Deze conclusie strekt ertoe dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG