Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.2.3.1
5.2.3.1 Het (aanvullend) vereiste: verzekeraar dient in een redelijk belang geschaad te zijn
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS357060:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 mei 1970, NJ 1970, 435(Twaalfhoven-Railway Passengers).
Zie P. Abas, NJB 1970, p. 1454 e.v. en Rb. Amsterdam 5 juni 1968, NJ 1970, 416: 'Onder deze omstandigheden (verzekerde krijgt in juni 1961 een ongeval dat aanvankelijk geen ernstige gevolgen lijkt te hebben, maar in september 1963 wordt levenslange invaliditeit vastgesteld, NvT) komt verzekeraars - mede gelet op de goede trouw waarmee overeenkomsten behoren te worden ten uitvoer gelegd - geen beroep op het feit van te late aanmelding toe, nu verzekeraars niet hebben betwist - dat verzekerde de aanmelding heeft gedaan terstond nadat hij had gehoord levenslang invalide te zullen blijven'. Anders lijkt RvT 8 april 2002, 2002/16 WA: 'Daaraan doet niet af dat verzekeraar, indien klaagster hem de aansprakelijkheidstelling door de vroegere werknemer in mei 1997 (tijdig, NvT) had gemeld, met klaagster tot het oordeel had kunnen komen dat de eventuele verdere ontwikkeling kon worden afgewacht.' In casu ging het niet om het afwachten van een genezingsproces, maar om het nemen van vervolgstappen door de wederpartij).
Wanneer nu is sprake van bovenbedoelde belangenbenadeling? Onder het oude recht heeft bij de beantwoording van die vraag heel lang het Twaalfhoven-Railway Passengers arrest centraal gestaan. De casus was als volgt. Mevrouw Twaalfhoven heeft door tussenkomst van assurantiekantoor Vermolen een ongevallenpolis gesloten. Op 16 november 1964 is Twaalfhoven bij een bezoek aan een kapel in Vught uitgegleden, waarbij zij de linkerknie heeft geblesseerd. De opgelopen blessure liet zich naar het oordeel van de behandelende specialisten niet ernstig aanzien en aanvankelijk werd aan Twaalfhoven zelfs nog toegestaan om ondanks haar blessure - op 24 november 1964 - op zakenreis te gaan naar India. Later achtte de behandelend orthopedisch chirurg opname in een ziekenhuis en een operatie toch noodzakelijk, zodat de reis uiteindelijk toch niet doorging en Twaalfhoven op 23 november geopereerd werd. Omdat het been zich niet zo snel herstelde als wel verwacht mocht worden, is Twaalfhoven na overleg met een tweede orthopedisch chirurg voor een tweede keer geopereerd. Die tweede operatie vond plaats op 24 november 1965. Twaalfhoven heeft zowel na de val in de kapel, als na de eerste en vóór de tweede operatie melding daarvan gedaan bij haar tussenpersoon Vermolen. Een en ander is door Vermolen eerst op 19 november 1965, dus een jaar na de val en de eerste operatie, aan Railway Passengers gemeld, ondanks dat de polis verplichtte tot kennisgeving binnen drie maal 24 uur. Tot zover de feiten.
De Hoge Raad oordeelt op het punt van de belangenbenadeling als volgt:
'dat het Hof door te beslissen dat Railway Passengers door de verlate aangifte in een redelijk belang is geschaad, te weten doordat haar de mogelijkheid werd onthouden tijdig een onderzoek in te stellen, waartoe de polisvoorwaarden haar het recht gaven, geen rechtsregel heeft geschonden;
dat, nu Twaalfhoven aan Railway Passengers de mogelijkheid heeft onthouden tijdig een onderzoek in te stellen en de polisvoorwaarden hieraan verval van de aanspraken van Twaalfhoven jegens Railway Passengers verbonden, Railway Passengers niet behoefde te stellen en in dit geding niet behoeft te worden onderzocht wat eventueel zou zijn geschied en gebleken indien Railway Passengers wel tijdig gebruik had kunnen maken van deze mogelijkheid; dat 's Hofs gedachtengang dat krachtens de polisvoorwaarden het recht op uitkering vervalt indien de verzekerde door niet-tijdige aangifte Railway Passengers belet haar belangen tijdig waar te nemen en dat Railway Passengers door de verlate aangifte in een redelijk belang is geschaad, niet onduidelijk is; dat de stelling dat goede trouw niet aanwezig mag worden geacht indien niet-nakoming van een verplichting niet tot gevolg zou hebben dat de verzekeraar een schade zou moeten betalen die bij nakoming niet te zijnen laste zou zijn gekomen, in haar algemeenheid niet opgaat;
dat aan die stelling kennelijk ten grondslag ligt de gedachte dat de strekking van het onderhavige beding omtrent de aanmelding van een ongeval uitsluitend zou zijn te bevorderen dat de verzekerde op de juiste wijze wordt behandeld; dat echter in 's Hofs overwegingen (.), in onderling verband en samenhang bezien, besloten ligt dat het voor de verzekeraar mede in verband met een eventuele bewijslevering van belang is dat een ongeval zo spoedig mogelijk wordt aangemeld en dat het beding derhalve mede de strekking heeft te voorkomen dat de verzekeraar nog in een discussie zou moeten treden omtrent het 'verloop van zaken', indien hij niet van meet af aan in de gelegenheid is geweest om een zelfstandig onderzoek in te stellen; dat het (... ) middel (... ) mitsdien in alle onderdelen faalt.'1
Wat dit arrest voor de bruikbaarheid in de praktijk zo lastig maakt, is dat natuurlijk op zichzelf juist is, dat - zoals de Hoge Raad aangeeft - het voor verzekeraar mede in verband met een eventuele bewijslevering van belang is dat een ongeval zo spoedig mogelijk wordt aangemeld. Ook is juist dat het beding (daarom) mede de strekking heeft te voorkomen dat de verzekeraar nog in discussie zou moeten treden omtrent het 'verloop van zaken', indien hij niet van meet af aan in de gelegenheid is geweest om een zelfstandig onderzoek in te stellen. Een dergelijke discussie is belastend voor de (rechts)verhouding tussen partijen en had voorkomen kunnen worden, wanneer de verzekerde inderdaad zo spoedig mogelijk gemeld zou hebben. Daarmee is de belangenbenadeling die, ook naar het oordeel van de Hoge Raad, noodzakelijk is ter rechtvaardiging van het verval van het recht op uitkering, naar mijn mening echter nog niet gegeven. Het is aan de verzekeraar om die belangenbenadeling te stellen en in het verlengde daarvan kan het mijns inziens niet anders dan op zijn weg liggen om - juist in een geval als in dit arrest aan de orde waarin in de procedure wel aangenomen kan worden dat de (medische) behandelwijze en de manier waarop nä het ongeval met de gevolgen van het voorval is omgegaan, op het eerste gezicht geëigend voorkomt - aannemelijk te maken dat en waarom een op een tijdige melding gevolgde eigen interventie per saldo tot andere gevolgen zou hebben geleid. Daarmee is mijns inziens onontkoombaar een inschatting te maken van wat zou zijn geschied indien de melding wél tijdig zou hebben plaatsgehad. En zou het dan in de casus van het arrest niet zo zijn geweest, dat wanneer de verzekeraar wél direct op de hoogte zou zijn gebracht door de verzekerde, hij met haar het verdere verloop van de genezing zou hebben afgewacht?
Wat in het arrest Twaalfhoven/Railway Passengers voor de uitkomst mede bepalend zal kunnen zijn geweest, is de omstandigheid dat de verzekerde zelf kennelijk wél het belang zag om van het voorval melding te doen. Over die melding aan het assurantiekantoor Vermolen oordeelt het hof met recht dat deze niet kon worden aangemerkt als kennisgeving aan de verzekeraar. Zij droeg echter wel bij tot het oordeel van de Hoge Raad dat daardoor de stelling dat zij nog niet wist en niet kon weten, dat blijvende invaliditeit was te verwachten en evenmin kon vermoeden dat een op zichzelf lichte val alsnog zou leiden tot enige invaliditeit, feitelijke grondslag ontbeert. Daardoor werd de Hoge Raad ook de mogelijkheid ontnomen om zich uit te spreken over het met name door Abas in het NJB aangestipte aspect, te weten de rol die in geval van een te late melding het feit behoort te spelen dat de verzekerde juist van een melding afziet omdat de verwezenlijking van het risico niet tot een onder de polis gedekt evenement lijkt te leiden.2