Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.4
3.4 Afronding
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946131:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel I), p. 494.
Stb. 2009, 245.
HR 4 december 2018, NJ 2019/297, m.nt. Rozemond.
In hoeverre de Hoge Raad dit een relevant onderscheid vindt, blijkt niet uit het arrest. De Hoge Raad maakt echter wel het voorbehoud dat het naspeuren van (mede)slachtoffers niet onder alle omstandigheden acceptabel zal zijn, door te overwegen dat de naspeuringen in dit geval acceptabel zijn ‘op de wijze en onder de omstandigheden als door het hof zijn vastgesteld’. Het is dan ook zeer wel mogelijk dat het naspeuren op andere wijze niet steeds acceptabel zal zijn, bijvoorbeeld indien de handelingen die de politie verricht al tot grote ruchtbaarheid leidt voor de klachtdelicten waaromtrent nog geen klacht is ingediend.
Noot Rozemond, paragraaf 4 bij HR 4 december 2018, NJ 2019/297.
Van Dorst 2018.
HR 8 mei 2007, NJ 2007/527.
Swier 1998, p. 168.
Savornin Lohman e.a. 1998 (Deelrapportage I), p. 58-61.
Noot Reijntjes bij HR 8 mei 2007, NJ 2007/527, paragraaf 4.
In dit hoofdstuk staat de huidige regeling van klachtdelicten centraal en is uiteengezet op welke wijze daaraan in de rechtspraktijk invulling wordt gegeven. Daarmee is beoogd meer zicht te bieden op de functie en plaats van klachtdelicten in het Nederlandse strafrechtelijke bestel.
De huidige regeling van klachtdelicten bestaat uit een materieelrechtelijk en formeelrechtelijk deel. Tot het materieelrechtelijke deel behoort de aanwijzing van klachtdelicten en klachtgerechtigden. De klachtdelicten worden onderscheiden in absolute en relatieve klachtdelicten. Een van de absolute klachtdelicten, art. 207b Sr, betreft een oneigenlijk klachtdelict en het is aanbevelingswaardig het vereiste van een klacht bij deze strafbepaling te schrappen. Daarnaast hebben art. 272, 418 en 419 als voorwaardelijk absolute klachtdelicten te gelden, omdat voor de vervolging van die feiten slechts onder bepaalde omstandigheden een klacht is vereist. Deze misdrijven worden desondanks onder de absolute klachtdelicten geschaard, omdat de eis van klacht – anders dan bij relatieve klachtdelicten – niet afhankelijk is van het bestaan van een familiaire relatie tussen de dader en het slachtoffer. De klacht behoeft bij die strafbare feiten niet te zijn gericht tegen een bepaald persoon en kan evenmin worden beperkt tot één of meerdere daders. Die uit art. 316 lid 2 Sv voortvloeiende bijzonderheden gelden uitsluitend voor relatieve klachtdelicten. Daarmee wordt invulling gegeven aan de achterliggende gedachte dat aan een familiaire relatie voorrang kan worden verleend (en vervolging uitblijft), indien en voor zover het slachtoffer daarop prijs stelt. De relatie tussen dader en slachtoffer is daarentegen niet redengevend voor het klachtvereiste bij absolute klachtdelicten. Er bestaat dan ook geen reden de klachtgerechtigde bij die feiten het recht te geven uitsluitend de vervolging van specifieke daders mogelijk te maken, waarbij de vervolging van één of meerdere andere daders wordt belet.
De formulering van de wettekst waarmee klachtdelicten zijn aangewezen loopt uiteen. Er is sprake van kleine verschillen in zinsbouw en woordkeuze waaraan juridisch gezien geen betekenis toekomt. Daarnaast kunnen de meer substantiële verschillen in terminologie bij het aanwijzen van klachtdelicten goeddeels worden verklaard doordat de gekozen bewoordingen vaak direct verband houden met de specifieke wijze waarop invulling wordt gegeven aan het klachtvereiste bij die feiten. Bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 stelde minister van Justitie Modderman dat Boek I algemene bepalingen over het indienen van de klacht moest bevatten om te voorkomen dat elk misdrijf (dat als klachtdelict is aangewezen in Boek II) een nadere omschrijving van de klacht behoeft.1 Het is dan ook opvallend dat bij verschillende (absolute) klachtdelicten alsnog een nadere omschrijving van de klacht is opgenomen ter duiding van de zin en strekking van de klacht bij de betreffende strafbepalingen.
De verschillen bij het aanwijzen van klachtdelicten beperken zich niet tot de terminologie. De aanduiding als klachtdelict geschiedt ook afwisselend in artikelleden, in opvolgende wetsartikelen en met behulp van schakelbepalingen. De wetgever heeft klachtdelicten op een efficiënte wijze aangewezen door nodeloze herhaling te voorkomen, bijvoorbeeld door opeenvolgende klachtdelicten gezamenlijk als zodanig aan te wijzen. Die gezamenlijke aanwijzing blijft echter achterwege in het geval dat het klachtvereiste bij opeenvolgende klachtdelicten is voorzien van een uiteenlopende, nadere invulling. De wetgever heeft daarnaast een zoekplaatje willen voorkomen door de aanwijzing als klachtdelict in alle gevallen te laten plaatsvinden binnen de titel waarin de strafbepaling is gelegen. Dit vindt onder meer zijn uitwerking in het Wetboek van Strafrecht door middel van schakelbepalingen aan het einde van titels, waarin art. 316 Sr (en het daarin gelegen relatieve klachtvereiste) van overeenkomstige toepassing is verklaard op in die titels gelegen strafbare feiten. Het gebruik van schakelbepalingen voorkomt dat de (langere) wettekst van art. 316 Sr steeds is herhaald.
De keerzijde van deze wetssystematiek is dat het relatieve klachtvereiste via deze schakelbepalingen een groot bereik heeft in het Wetboek van Strafrecht en dit draagt niet steeds bij aan overzichtelijke en duidelijke wetgeving. Zo is het in art. 318 Sr strafbaar gestelde afdreiging in het derde lid van dat wetsartikel aangeduid als absoluut klachtdelict, maar is deze strafbepaling ook onderhevig aan een relatief klachtvereiste. Onduidelijk is hoe het absolute en het relatieve klachtrecht zich bij deze strafbepaling tot elkaar verhouden. Het brede bereik van het relatieve klachtvereiste leidt ook tot problemen bij het inpassen van nieuwe strafbepalingen in de titels waarop art. 316 Sr van overeenkomstige toepassing is verklaard. Zo is het relatieve klachtvereiste bijvoorbeeld ook van toepassing op de strafbepalingen die zijn ingevoerd met de Wet strafbaarstelling van het deelnemen en meewerken aan training voor terrorisme van 12 juni 2009.2 Het wringt dat bij de vervolgingsbeslissing ten aanzien van deze strafbepalingen voorrang wordt verleend aan de persoonlijke belangen van een direct benadeeld familielid, terwijl die strafbepalingen hoofdzakelijk strekken ter bescherming van het algemene belang dat aanslagen worden afgewend.
Dit leidt tot de vraag hoe dergelijke onvolkomenheden in de strafwetgeving kunnen worden voorkomen. Het is omslachtig om alle nieuwe strafbepalingen die zijn geënt op een andere belangenafweging, maar die desondanks thuishoren in titels waarop art. 316 Sr van toepassing is verklaard, steeds uit te zonderen van het klachtvereiste. Een andere aanwijzingssystematiek bij relatieve klachtdelicten verdient dan ook overweging, bijvoorbeeld door in één wetsartikel weer te geven op welke strafbaarstellingen een relatief klachtvereiste van toepassing is. Daarvoor worden in het afsluitende zevende hoofdstuk concrete aanbevelingen gedaan. Dit brengt het voordeel met zich dat de toepasselijkheid van het relatieve klachtvereiste niet meer aan het blikveld van de wetgever kan zijn onttrokken bij de vormgeving van nieuwe wetgeving. De wetgever zal steeds welbewust een nieuwe strafbepaling moeten aanwijzen als relatief klachtdelict door de strafbaarstelling toe te voegen aan het voorgestelde wetsartikel.
De aanduiding van klachtgerechtigden geschiedt primair in art. 64 Sr. Die bepaling schrijft voor dat het klachtrecht toekomt aan degene tegen wie het feit is begaan. In Boek II van het Wetboek van Strafrecht zijn bij de aanwijzing van een aantal misdrijven als klachtdelict tevens de klachtgerechtigden bij die feiten aangeduid. Dit moet worden begrepen als een nadere invulling van art. 64 Sr. De personen die zijn vermeld hebben te gelden als de personen jegens wie de betreffende misdrijven zijn gepleegd en zij ontlenen daaraan hun klachtrecht. De uitzondering hierop betreft de schending van bedrijfsgeheimen. In art. 273 lid 3 Sr is immers niet de onderneming wier geheimen zijn geschonden als klachtgerechtigde aangemerkt, maar uitsluitend het bestuur van die onderneming. Dit is opvallend omdat een onderneming ook het slachtoffer kan zijn van andere klachtdelicten en in die gevallen de onderneming, als rechtspersoon, zelf klachtgerechtigd is en niet slechts het bestuur de klacht namens de onderneming kan indienen.
De wetgever heeft niet uitgesloten dat in het geval dat meerdere personen klachtgerechtigd zijn één klacht volstaat om te kunnen overgaan tot vervolging, waarbij geen overeenstemming over de wenselijkheid van de vervolging behoeft te bestaan tussen de klachtgerechtigden.3 Dit standpunt van de wetgever ziet op gelijkelijk klachtgerechtigden die hun klachtrecht ontlenen aan de in art. 65 Sr gelegen vertegenwoordigingsregeling. Dit moet worden onderscheiden van de situatie dat één dader verantwoordelijk is voor het plegen van (gelijksoortige) klachtdelicten ten aanzien van meerdere slachtoffers, waarbij de slachtoffers klachtgerechtigd zijn voor zover het feit of de feiten hen zijn aangedaan. De Hoge Raad heeft in relatie tot belaging reeds uitgemaakt dat in dergelijke gevallen de klacht van de één niet maakt dat vervolging mogelijk is van de feiten die zien op andere slachtoffers. Het verdient – met het oog op de ratio achter de regeling van klachtdelicten – de voorkeur dat deze benadering wordt gehandhaafd ten aanzien van alle klachtdelicten.
Opvallend is dat de Hoge Raad de scheidslijn tussen verschillende klachtgerechtigden en de (klacht)delicten die hun zijn aangedaan minder streng bewaakt waar het de opsporing van die feiten betreft. Het uitgangspunt in de jurisprudentie van de Hoge Raad houdt in dat gericht opsporingsonderzoek naar een klachtdelict niet is toegestaan zolang een klacht ontbreekt, tenzij de klachtgerechtigde te kennen geeft dat onderzoek te wensen. Meer recent heeft de Hoge Raad echter geaccepteerd dat na een klacht eventuele andere slachtoffers worden nagespeurd.4 Het is mijns inziens van belang dat onderscheid wordt gemaakt tussen het benaderen van die personen ten behoeve van het onderzoek naar het klachtdelict waaromtrent een klacht voorhanden is en het zoeken en benaderen van die personen als klachtgerechtigden met het oog op het doen van klacht van het feit dat henzelf is aangedaan.5 De klacht van de ene klachtgerechtigde biedt geen rechtvaardiging voor het benaderen van andere klachtgerechtigden met het oog op het indienen van een klacht die ziet op de feiten die hen zijn aangedaan. De Hoge Raad oordeelt echter dat deze handelwijze niet in strijd is met de strekking van klachtdelicten, zolang niet tegen de uitdrukkelijke wens van een slachtoffer in opsporingshandelingen worden geïnitieerd of voortgezet. Er kan over worden getwist of dit inderdaad in lijn is met de ratio die ten grondslag ligt aan klachtdelicten. Rozemond benoemt in zijn noot bij het betreffende arrest bijvoorbeeld dat (mede)slachtoffers zich al in hun belang bij geheimhouding geraakt kunnen voelen, doordat de politie hun gegevens heeft onderzocht en hun identiteit heeft achterhaald.6 Het achterhalen van die identiteit brengt met zich dat ruchtbaarheid aan het slachtofferschap van de betreffende persoon kan worden gegeven ook in een strafzaak die ziet op een andere klachtgerechtigde. Van Dorst – die als raadsheer bij het betreffende arrest was betrokken – schreef in relatie tot dit klachtdelict eerder dat jaar zelfs expliciet:
“dat het aan het slachtoffer is om uit te maken of hij zijn schande liever in het geheim draagt of dat hij dit aan de grote klok hangt. Maar wat schiet het slachtoffer daarmee op als de politie op eigen initiatief op onderzoek zou mogen uitgaan met alle kans dat de zaak openbaar wordt en het zorgvuldig gekoesterde geheim bekend wordt”.7
Belangrijk is bovendien dat deze argumentatie van de Hoge Raad geen aanleiding geeft de mogelijkheid tot het benaderen van klachtgerechtigden afhankelijk te maken van het bestaan van een klacht die een ander heeft ingediend naar aanleiding van een ander (gelijksoortig) klachtdelict. De reden dat het benaderen van (mede)slachtoffers toelaatbaar wordt geacht, is er immers slechts in gelegen dat niet (verder ) wordt opgespoord in weerwil van de wens van de klachtgerechtigde. Dit biedt evenzeer ruimte voor het benaderen van klachtgerechtigden met het verzoek een klacht in te dienen indien de politie toevalligerwijs stuit op (bewijs voor ) een gepleegd klachtdelict, maar géén sprake is van een klacht ter zake een gelijksoortig misdrijf dat diezelfde dader heeft gepleegd.
De ratio achter de regeling van klachtdelicten speelt ook een centrale rol in de wijze waarop de Hoge Raad de vormvereisten ten aanzien van (het indienen van) de klacht benadert. De aan de klacht gestelde eisen zijn sterk gedeformaliseerd en gerelativeerd. Een uitdrukkelijk verzoek tot vervolging is niet noodzakelijk voor een klacht. De vaststelling volstaat dat de klachtgerechtigde de bedoeling had dat vervolging wordt ingesteld. Die bedoeling hoeft pas ter terechtzitting te blijken. Deze uitleg van de wet is geënt op de idee dat de regeling van klachtdelicten hoofdzakelijk strekt ter bescherming van de belangen van het slachtoffer. Het is vanuit dat perspectief bezien onwenselijk dat een vervolging strandt vanwege een formeel gebrek, indien duidelijk blijkt dat de klachtgerechtigde de vervolging van de dader wenst. De keerzijde is echter dat niet alle onderdelen van die regeling strekken ter bescherming van het slachtoffer. Zo dient de klachttermijn ook het algemeen belang van een voortvarende rechtspleging en de belangen van de dader. De wetgever heeft bijvoorbeeld niet gewild dat een persoon die zich smadelijk heeft uitgelaten over een ander gedurende een lange tijd aan de grillen van een klachtgerechtigde is onderworpen. Dit geeft aanleiding de vormvereisten strakker te handhaven waar die vereisten raken aan andere belangen dan die van de klachtgerechtigde.
Vooralsnog wordt de in art. 66 Sr neergelegde eis van een tijdige klacht inderdaad gehandhaafd als voorwaarde voor de vervolgbaarheid van klachtdelicten. Het voornemen is echter geuit die klachttermijn te schrappen. In de zedenwetgeving is enige tijd sprake geweest van een klachttermijn die gelijk was aan de verjaringstermijn. Bij het schrappen van de klachttermijn zal een vergelijkbare situatie ontstaan voor alle klachtdelicten. De lijn die de Hoge Raad toentertijd volgde in relatie tot de vervolging van klachtdelicten in de zedenwetgeving verdient mijns inziens geen aanbeveling. Het wegvallen van de klachttermijn in samenhang met de relativering van de overige vormvereisten ten aanzien van de klacht leidt ertoe dat nagenoeg geen beperkingen bestaan op de wijze waarop en het moment waarop kan worden vastgesteld dat een klacht is ingediend. Voor de vaststelling van een klacht is in dat geval uitsluitend de bedoeling van de klachtgerechtigde richtinggevend. Dit betekent dat ook op een veel later moment (bijvoorbeeld in hoger beroep) bij de klachtgerechtigde kan worden nagegaan of de vervolging is gewenst.
De idee achter de regeling van klachtdelicten wordt echter ondergraven, indien de later gebleken klacht als een rechtvaardiging wordt aanvaard voor eerder verrichte opsporing en vervolging. Het opent de deur voor het verrichten van opsporingsonderzoek naar en het starten van vervolgingen inzake klachtdelicten, terwijl het initiatief niet uitgaat van de klachtgerechtigde en zonder dat is gebleken dat de klachtgerechtigde het onderzoek wenselijk acht. De belangen van de klachtgerechtigde kunnen (doordat ruchtbaarheid ontstaat voor het verrichte onderzoek) al zijn geschaad, voordat men besluit het standpunt van de klachtgerechtigde in te winnen. De belangen van de klachtgerechtigde zijn niet gewaarborgd, indien het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in het geval dat de rechter ter zitting vaststelt dat de vervolging niet is gewenst. Het onheil is dan al geschied.
Swier stelde zich – in reactie op het arrest waarin de Hoge Raad de verklaring van het slachtoffer ter zitting in hoger beroep accepteerde als klacht inzake art. 247 Sr8 – mijns inziens terecht op het standpunt dat het openbaar ministerie zonder klacht geen vervolgingsrecht heeft en dat het openbaar ministerie dat recht niet met terugwerkende kracht moet kunnen verkrijgen als achteraf (toevallig) blijkt dat een klachtgerechtigde vervolging wenste. Swier legt de vinger op de zere plek door erop te wijzen dat het staande houden van een hollende kleurling ook niet rechtmatig wordt, indien achteraf blijkt dat hij drugs bij zich heeft.9 Reijntjes beschrijft in diens noot bij datzelfde arrest dat het klachtvereiste bij zedendelicten geleidelijk is weggesleten. Eerder in dit hoofdstuk is gewezen op het in 1998 verschenen onderzoeksrapport dat ziet op het functioneren van het klachtvereiste in de zedenwetgeving. Daarin is de relativering van vormvereisten aangeduid als een ‘behoefte aan reparatie’ die hoofdzakelijk is ingegeven door de gevoelde noodzaak om daders van ernstigere gevallen van ontucht te kunnen (blijven) opsporen en vervolgen.10 Reijntjes stelt zich op het standpunt dat voorkomen moet worden dat de relativeringsslag ook andere (klacht)delicten treft. Hij wijst erop dat het klachtvereiste bij zedendelicten inmiddels is vervangen door het in art. 167a Sv gelegen voorschrift het slachtoffer te horen en ziet daarin aanleiding de teugels weer aan te halen. Het is zijns inziens gewenst terug te keren naar het uitgangspunt dat het beginnen van een vervolging zonder dat klacht is gedaan ontoelaatbaar is en dat evenmin ruimte bestaat voor het instellen van een opsporingsonderzoek naar wat de wetgever zonder klacht strikt binnen de privésfeer van de betrokken burgers heeft willen houden.11 In lijn met deze standpunten van Swier en Reijntjes meen ik dat het aanbevelingswaardig is om de vormvereisten ten aanzien van de klacht strenger te handhaven en de relativering van die vormvereisten een halt toe te roepen. De noodzaak daartoe neemt toe indien de in art. 66 Sr gelegen klachttermijn wordt geschrapt. Willen klachtdelicten daadwerkelijk de daaraan toebedeelde functie (kunnen) vervullen, dan moet gewicht (blijven) toekomen aan het moment waarop de klacht is ingediend. Het past immers bij het gedachtegoed dat ten grondslag ligt aan klachtdelicten dat het initiatief tot opsporing en vervolging uitgaat van de klachtgerechtigde en dat opsporing en vervolging achterwege blijven totdat een klacht is ingediend, tenzij de klachtgerechtigde expliciet te kennen heeft gegeven opsporingsonderzoek te wensen. De grondgedachte is immers dat de klachtgerechtigde de keuze wordt gegeven een zaak te laten rusten.