Rb. Overijssel, 02-02-2022, nr. C/08/224571 / HA ZA 18-488
ECLI:NL:RBOVE:2022:294
- Instantie
Rechtbank Overijssel
- Datum
02-02-2022
- Zaaknummer
C/08/224571 / HA ZA 18-488
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBOVE:2022:294, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 02‑02‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2021:4100
ECLI:NL:RBOVE:2021:4100, Uitspraak, Rechtbank Overijssel, 30‑06‑2021; (Eerste aanleg - enkelvoudig, Tussenuitspraak)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOVE:2022:294
- Vindplaatsen
JERF Actueel 2022/52
JERF Actueel 2021/466
Uitspraak 02‑02‑2022
Inhoudsindicatie
Vernietiging koopovereenkomst onroerend goed ad. € 1,= wegens ontbreken wil door geestelijke stoornis; artikel 3:34 lid 2 BW. Afwijzing te onderbouwen vordering bij onttrekking van advocaat zonder vervanging. Informatie advocaat over gevolgen onttrekking.
Partij(en)
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer : C/08/224571 / HA ZA 18-488
Vonnis van 2 februari 2022
in de zaak van
MR. [A], in hoedanigheid van
vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie en in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. N.H.M. Poort te Heerenveen,
als voortzettende procespartij van
de stichting
STICHTING OMEGA BEHEER,
in hoedanigheid van curator van [erflater] ,
gevestigd te Hollandscheveld,
advocaat Mr. A. Grollé te Hoogeveen,
tegen
[B] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie en in voorwaardelijke reconventie,
advocaat voorheen mr. E.A.M. Claassen (onttrokken).
Partijen zullen hierna [A] , Omega Beheer en [B] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 30 juni 2021
- -
het bericht (B2 formulier) van 28 september 2021 tot onttrekking van de advocaat van [B] op de rol van 4 november 2021
- -
het vervallen van de zitting van de meervoudige kamer op 4 november 2021
- -
de verwijzing naar de rol van 27 oktober 2021 voor uitlating ex artikel 2.26 van het procesreglement wegens onttrekking van de advocaat van [B]
- -
het verzoek om vonnis van [A]
1.2.
De rechtbank heeft bij bovenvermeld tussenvonnis een verschijning van partijen bevolen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank. Die verschijning was bepaald op 4 november 2021. Door de onttrekking van de advocaat van [B] heeft deze verschijning echter geen doorgang gevonden. In verband hiermee zal de behandeling van de zaak door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank worden vervolgd.
2. De verdere beoordeling
in conventie
De rechtbank vernietigt de koopovereenkomst van 18 december 2017 tussen [erflater] en [B] , waarbij een woonhuis met ondergrond, tuin en erf, en een nabij gelegen perceel erf en tuin, aan [B] zijn verkocht voor één euro. Zij doet dit op grond van artikel 3:34 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft bij [erflater] de wil om tot deze overeenkomst over te gaan ontbroken vanwege een stoornis in de geestvermogens. [B] wordt veroordeeld tot de overdracht van de onroerende zaken aan de erfgenamen van [erflater] . Ook roerende zaken die zich in de registergoederen bevonden en waarop conservatoir beslag is gelegd, moeten worden overgedragen aan de erfgenamen, terwijl door [B] ontvangen huurpenningen moeten worden afgedragen aan de erfgenamen.
2.1.
Voor de rechtsoverwegingen voor de beslissing op de vorderingen van [A] , behalve die inzake de proces- en beslagkosten, verwijst de rechtbank integraal naar haar tussenvonnis van 30 juni 2021.
2.2.
De rechtbank verstaat dat de praktisch gang van zaken met betrekking tot de overdracht van de registergoederen, roerende goederen en huuropbrengsten, aan de erfgenamen zal plaatsvinden op de wijze zoals die door [A] als vereffenaar van de nalatenschap zal worden aangegeven.
2.3.
Wat betreft de over te dragen roerende goederen verwijst de rechtbank naar het proces-verbaal van het bij deurwaardersexploot van 15 oktober 2018 gelegd conservatoir beslag, aangezien de goederen volgens (de foto’s van) productie 4 bij de dagvaarding te onbepaald zijn.
2.4.
[A] vordert om [B] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 382,93 voor verschotten en € 478,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 478,00), in totaal dus op € 860,93,
2.5.
Aangezien [B] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot aan de zijde van:
a. Omega Beheer als aanvankelijke procespartij:
- dagvaarding € 99,91
- griffierecht - 1.324,00
- salaris advocaat - 1.195,00 (2,5 punten x tarief € 478,00)
subtotaal € 2.618,91
b. [A] als opvolgende procespartij:
- salaris advocaat € 478,00 (1 punt x tarief € 478,00).
totaal generaal € 3.096,91.
2.6.
De rechtbank zal bepalen dat [B] de proceskosten moet voldoen aan [A] en verstaat dat [A] de kostenvergoeding ten behoeve van Omega Beheer aan de laatste zal afdragen. Hetzelfde geldt voor de toewijzing en de ontvangst van de beslagkosten.
in reconventie en voorwaardelijke reconventie
Aangezien het door de onttrekking van de advocaat van [B] en het niet stellen van een vervangende advocaat niet meer mogelijk was om de vorderingen te behandelen op een comparitie, teneinde op basis van een nader aan te leveren onderbouwing van de vorderingen aan de zijde van [B] tot een beoordeling door de rechtbank te kunnen komen dan wel om partijen ten overstaan van de rechtbank tot een vergelijk te doen komen over die vorderingen, zal de rechtbank de vorderingen als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
2.7.
De advocaat van [B] heeft zich blijkens diens bericht aan de rechtbank van 28 september 2021 aan de zaak onttrokken met als vermelde roldatum 4 november 2021 (de datum van de comparitie). Na dit bericht is de zaak conform het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken (hierna: procesreglement) verwezen naar de rol van 13 oktober 2021 voor het stellen van een nieuwe advocaat. Omdat zich op de laatstgenoemde datum geen nieuwe advocaat voor [B] heeft gesteld, is de zaak verwezen naar de rol van 27 oktober 2021 voor partijberaad als bedoeld in artikel 2.16 van het procesreglement. Aangezien [A] op de rol van 27 oktober 2021 vonnis heeft gevraagd, is conform het procesreglement op dat moment direct een roldatum voor vonnis bepaald.
2.8.
De rechtbank overweegt dat de rechtsverhouding tussen de zich onttrekkende advocaat en zijn (voormalige) cliënt meebrengt dat op eerstgenoemde de plicht rust zijn (voormalige) cliënt te wijzen op de gevolgen van de onttrekking en de noodzaak om een nieuwe advocaat te doen optreden als die zich in het rechtsgeding wil doen vertegenwoordigen. Volgens het rolreglement bevestigt de advocaat de rechtbank dat hij zijn (voormalige) cliënt heeft geïnformeerd en op de gevolgen van de onttrekking heeft gewezen.
2.9.
In het bericht tot onttrekking van de advocaat van [B] heeft deze conform het bepaalde in 6.1 van het procesreglement bevestigd dat hij de op hem rustende verplichting om zijn opdrachtgever over de gevolgen van de onttrekking te informeren, is nagekomen, onder de vermelding dat die gevolgen bij e-mailbericht van 9 september 2021 (lees: aan haar) zijn toegelicht.
2.10.
De onttrekking is een eenzijdige proceshandeling die door de (regie)rechter niet op rechtsgeldigheid wordt getoetst. Slechts indien de voorgeschreven bevestiging van de onttrekkende advocaat niet aan [B] zou zijn gedaan, zou de rechtbank hieraan mogelijk een gevolg kunnen verbinden. Op de rechter rust verder geen verplichting om de cliënt over de gevolgen van de onttrekking te informeren, ook niet in het kader van artikel 6 EVRM.1.
2.11.
De rechtbank gaat er aldus van uit dat de onttrokken advocaat [B] heeft geïnformeerd over de procedurele gevolgen hiervan – te weten dat zij geen verdere proceshandelingen meer kan verrichten zonder een (nieuwe) advocaat – en dat hij [B] ook heeft geïnformeerd over de mogelijke gevolgen en risico’s voor haar resterende (meer) subsidiaire vorderingen. Het belang van [B] om vertegenwoordigd te worden op de comparitie die in de zaak bepaald was, moet voor de zich onttrekkende advocaat immers onmiskenbaar duidelijk zijn geweest.
2.12.
De rechtbank neemt voorts nog in aanmerking dat tussen het moment waarop de onttrekking blijkens de mededeling van de advocaat feitelijk aan [B] is gecommuniceerd (toelichting van 9 september 2021) en de datum waarop de comparitie was bepaald (4 november 2021) voor [B] een geruime tijd heeft bestaan om een vervangende advocaat in te schakelen.
2.13.
Aangezien een verder juridisch debat door het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [B] in deze procedure niet meer mogelijk is, zal de rechtbank op de vorderingen moeten beslissen zoals die tot dusver naar voren zijn gebracht en waaromtrent zij in het tussenvonnis reeds heeft overwogen. Dit betekent dat de vorderingen bij gebrek aan nadere onderbouwing zullen worden afgewezen.
2.14.
Nu [B] in het ongelijk is gesteld en het hier zelfstandige vorderingen betreft, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot aan de zijde van [A] op salaris advocaat € 2.228,00 (2 punten x tarief € 1.114,00). De rechtbank zal bepalen dat [B] de proceskosten moet voldoen aan [A] en verstaat dat [A] de kostenvergoeding ten behoeve van Omega Beheer aan de laatste zal afdragen.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
vernietigt de koopovereenkomst van 18 december 2017 tussen [erflater] en [B] , als genoemd onder 2.2 van het tussenvonnis van 30 juni 2021,
3.2.
veroordeelt [B] om na betekening van dit vonnis binnen vier weken na door de door [A] ingeschakelde notaris daartoe schriftelijk te zijn opgeroepen, medewerking te verlenen aan de overdracht van de onroerende zaken waarop de vernietigde koopovereenkomst betrekking heeft, aan de erfgenamen van [erflater] ,
3.3.
veroordeelt [B] tot betaling aan [A] c.q. de erfgenamen van [erflater] een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat zij niet voldoet aan de veroordeling sub 3.2, met een maximum van € 150.000,00,
3.4.
veroordeelt [B] tot teruggave/afgifte van de roerende zaken, die zich blijkens het proces-verbaal van beslaglegging bij deurwaardersexploot van 11 oktober 2018 in het bijgebouw/de schuur bevonden, aan [A] c.q. de erfgenamen van [erflater] ,
3.5.
veroordeelt [B] tot betaling aan [A] c.q. de erfgenamen van [erflater] van de huurinkomsten van het voorste gedeelte van de woning aan de [adres] te [plaats] ten bedrage van € 7.800,00 per jaar, ofwel € 650,00 per maand, ingaande op 29 december 2017 tot en met de dag dat de onroerende zaken door [B] zijn geleverd aan de erfgenamen van [erflater] , behoudens voorzover de verhuur eerder is beëindigd in welk geval de huuropbrengsten tot aan de dag van beëindiging moeten worden betaald,
3.6.
veroordeelt [B] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 860,93, te betalen aan [A] ,
3.7.
veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van de proceskosten, aan de zijde van [A] met inachtneming van rechtsoverweging 2.5 begroot op € 3.096,91,
3.8.
verklaart dit vonnis, behoudens de beslissing sub 3.1, uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie en voorwaardelijke reconventie
3.9.
wijst de vorderingen af,
3.10.
veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van de proceskosten, aan de zijde van [A] met inachtneming van rechtsoverweging 2.14 begroot op € 2.228,00,
3.11.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken door mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek op 2 februari 2022 in tegenwoordigheid van de griffier. | ||
(RA(O)
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 02‑02‑2022
Uitspraak 30‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Tussenvonnis. Vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst registergoederen ad. € 1,00. Geestelijk onvermogen. Koop- c.q. schenkingsovereenkomst is op grond van wilsgebreken aan de kant van erflater vernietigbaar ingevolge artikel 3:34 lid 2 BW. Rechtbank beveelt een verschijning van partijen voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer / rolnummer: C/08/224571 / HA ZA 18-488
Vonnis van 30 juni 2021
in de zaak van
MR. [A], in hoedanigheid van
vereffenaar in de nalatenschap van [erflater] ,
kantoorhoudende te [plaats 1] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie en in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. N.H.M. Poort te Heerenveen,
als voortzettende procespartij van
de stichting
STICHTING OMEGA BEHEER,
in hoedanigheid van curator van [erflater] ,
gevestigd te Hollandscheveld,
advocaat Mr. A. Grollé te Hoogeveen,
tegen
[B] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie en in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. E.A.M. Claassen te Zwolle.
Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de rolbeslissing van 23 december 2020
- -
de akte hervatting rechtsgeding ex artikel 227 lid 2 sub b Rv van [A] op de rol van 13 januari 2021.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[erflater] is geboren op [1938] .
2.2.
Op 18 december 2017 hebben [erflater] en [B] een koopovereenkomst gesloten ter zake van de verkoop aan [B] van de volgende registergoederen:
a. het woonhuis met ondergrond, erf en tuin gelegen te [plaats 2] , [adres 1] , kadastraal bekend [gemeente] , [kadasternummer] ter grootte van zeven are en vijfennegentig centiare (7 a 95 ca),
b. het recht van eigendom, belast met het nader te omschrijven zakelijk recht als bedoeld in artikel 5 lid 3 onder b van de Belemmeringenwet Privaatrecht zoals deze luidde tot een januari negentienhonderdtweeënnegentig, met betrekking tot een perceel erf en tuin gelegen nabij [plaats 2] , [adres 1] , kadastraal bekend [gemeente] , [kadasternummer] ter grootte van zeventien are en zeventig centiare (17 a 70 ca).
Als koopprijs van het verkochte zijn partijen € 1,00 (één euro) overeengekomen.
2.3.
Levering van het verkochte bij notariële akte heeft plaatsgevonden op 29 december 2017. Blijkens de leveringsakte zijn partijen voor “genoemd registergoed” een waarde van € 201.600,00 overeengekomen en bedraagt de WOZ-waarde van het registergoed hiervoor sub a genoemd € 360.000,00. De waarde van het registergoed hiervoor sub b genoemd, is blijkens de akte door een makelaar-taxateur getaxeerd op € 18.000,00.
2.4.
Van het uit twee zelfstandige woningen bestaande woonhuis genoemd onder 2.1 sub a werd één woning door [erflater] verhuurd met een jaaropbrengst van € 7.800,00. Per 1 december 2017 heeft [B] de andere woning met [adres 2] betrokken.
2.5.
[erflater] exploiteerde als eenmanszaak een vakantieboerderij/pension “ [naam] ” op het perceel [adres 3] te [plaats 2] . Hij woonde zelf ook op dit adres.
2.6.
Tot aan de hierna vermelde ondercuratelestelling van [erflater] , behartigde [B] vanaf begin september 2017 de zakelijke belangen van [erflater] wat betreft de verhuur van de groepsaccommodatie en de contacten met verhuur-intermediair Belvilla. Voorts verrichte [B] vanaf medio 2016 schoonmaakwerkzaamheden in de vakantieboerderij. [B] heeft alle werkzaamheden per 1 oktober 2018 gestaakt.
2.7.
[B] heeft na zijn ziekenhuisopname (zie r.o. 4.11) in september 2017 tot aan juni 2018 in verband met diens sterk teruglopende gezondheid van [erflater] voor hem – in haar woorden op alle momenten en overal op alle niveaus - ondersteunende activiteiten in de sfeer van persoonlijke verzorging verricht (zoals door haar zijn genoemd in bad doen, hulp bij de maaltijdbereiding, vervoer per auto, doktersbezoek e.d.).
2.8.
[erflater] is op 29 mei 2018 met een rechterlijke machtiging bij wijze van crisisopvang voor zes maanden opgenomen in verpleeghuis De Schiphorst te Meppel met 24 uurs-zorg in een gesloten woonvorm. Deze opname is verlengd met zes maanden op 12 december 2018.
Eind januari 2019 is [erflater] verhuisd naar een andere afdeling van De Schiphorst.
2.9.
[erflater] is bij beschikking van deze rechtbank van 9 augustus 2018, zaaknummer 6907062 CU VERZ 128-60, onder curatele gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand waardoor hij niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke en
niet-vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Stichting Omega Beheer is daarbij benoemd tot curator.
2.10.
Op 15 oktober 2018 heeft Stichting Omega Beheer conservatoir beslag tot afgifte en levering gelegd ten laste van [B] op roerende zaken in de schuur/garage op het perceel [adres 1] te [plaats 2] .
2.11.
Op [datum] is [erflater] te Meppel overleden.
2.12.
Erfgenamen van [erflater] zijn zijn kinderen, [X] , wonende te [plaats 3] en [Y] , woonplaats kiezende te [plaats 3] .
[X] heeft de nalatenschap van [erflater] op 6 april 2020 aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.
2.13.
Bij beschikking van 22 september 2020, zaaknummer C/08/254440 / H RK 10-116, heeft deze rechtbank op verzoek van beide kinderen [A] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van [erflater] .
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[A] vordert om de koopovereenkomst van 18 december 2017 (hierna: de koopovereenkomst) te vernietigen, primair op de voet van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en subsidiair op de voet van artikel 3:44 lid 1 juncto lid 4 BW. Aan deze vordering heeft [A] voorts in alle gevallen nog enkele vorderingen verbonden, kort gezegd strekkende tot:
- -
de overdracht van de registergoederen door [B] aan [erflater] (op straffe van een dwangsom)
- -
de teruggave/afgifte van roerende zaken die zich ten tijde van de levering in het bijgebouw/schuur bevonden en
- de afdracht van verkregen huurinkomsten ten bedrage van € 7.800,00 per jaar ofwel € 650,000 per maand, ingaande 29 december 2017 tot aan de overdracht van de registergoederen aan [erflater] .
Tenslotte vordert [A] veroordeling van [B] in de proceskosten en in de kosten van gelegde beslagen.
3.2.
[B] voert verweer en vordert niet-ontvankelijkverklaring van [A] in haar vorderingen dan wel integrale afwijzing hiervan.
in reconventie
3.3.
[B] vordert om [A] te veroordelen tot het aan haar betalen van een bedrag van € 23.520,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, primair vanaf de dag der dagvaarding, subsidiair vanaf de datum van de conclusie in reconventie, in beide gevallen tot de dag der volledige betaling. [B] vordert dit bedrag ter vergoeding van door haar in opdracht van [erflater] uitgevoerde werkzaamheden (672 uren) ten behoeve van het vakantieverblijf van 1 september 2017 tot en met 1 september 2018.
3.4.
[A] voert verweer en vordert primair niet-ontvankelijk-verklaring en subsidiair afwijzing van de vordering.
in voorwaardelijke reconventie
3.5.
[B] vordert om [A] te veroordelen tot het aan haar betalen van een bedrag van € 63.096,00 over de periode 1 september 2017 tot en met 31 januari 2019 en voor de periode na 31 januari 2019 te verhogen met een bedrag van € 3.640,00 per maand (104 uren à € 35,00), te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen, primair vanaf de dag der dagvaarding, subsidiair vanaf de datum van de conclusie in reconventie, in beide gevallen tot de dag der volledige betaling. Deze vordering betreft in opdracht van [erflater] verrichte en nog te verrichten mantelzorgwerkzaamheden. Als voorwaarde voor deze vordering heeft [B] de vernietiging van de koopovereenkomst gesteld.
3.6.
[A] voert verweer en vordert primair niet-ontvankelijk-verklaring en subsidiair afwijzing van de vordering.
4. De beoordeling
in conventie
4.1.
[A] heeft aan haar primaire vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst ten grondslag gelegd dat [erflater] op 18 december 2017 tot die koopovereenkomst is overgegaan onder invloed van een stoornis van de geestvermogens, waaruit het onweerlegbaar vermoeden volgt dat bij hem een met zijn verklaring overeenstemmende wil tot het sluiten van de koopovereenkomst, die (voorzienbaar) nadelig voor hem was, geacht moet worden te hebben ontbroken.
4.2.
Volgens [B] was in geen geval sprake van een geestelijke stoornis bij [erflater] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst en betreft de verkoop een weloverwogen tot stand gekomen beslissing van [erflater] tot verkoop, bij de voorbereiding waarvan de boekhouder/accountant van [erflater] en de notaris betrokken zijn geweest en waarbij er van uit kan en worden gegaan dat de notaris de geestvermogens van [erflater] heeft gecontroleerd.
4.3.
Op de comparitie van 27 mei 2019 hebben partijen met elkaar de optie van benoeming van een deskundige (psychiater) besproken en afgestemd om medische expertise te verkrijgen over de geestelijke vermogens van [erflater] ten tijde van diens wilsverklaring tot het aangaan van de koopovereenkomst, dit in verband met de primaire vordering van [A] Partijen hebben daarbij de rechtbank verzocht een deskundige te zoeken.
4.4.
Omdat [erflater] toen al was opgenomen in het verpleeghuis was het niet eenvoudig om een deskundige (bereid) te vinden die, anders dan in de gebruikelijke praktijk met bezoek van betrokkene aan de deskundige, een deskundigenbericht zou kunnen opstellen over [erflater] op grond van onderzoek in het verpleeghuis. Hoewel de rechtbank er uiteindelijk na veel tijd en moeite erin was geslaagd om een psychiater bereid te vinden tot zodanig onderzoek, heeft het daarvan door het kort vóór het wijzen van het benoemingsvonnis overlijden van [erflater] niet (meer) kunnen komen.
4.5.
Het voorgaande brengt mee dat de rechtbank bij het vervallen van de optie om een deskundige te consulteren over de geestelijke vermogen van [erflater] ten tijde van belang, op basis van hetgeen partijen dienaangaande in het debat hebben ingebracht zelfstandig tot een oordeel hierover moet komen.
4.6.
De rechtbank overweegt als volgt.
4.7.
De vorderingen van [A] strekken tot vernietiging van de koopovereenkomst van 18 december 2017. Ter gelegenheid van de comparitie heeft [B] afstand genomen van haar stelling dat de levering op een koopovereenkomst berust en verklaard dat de titel voor de overdracht schenking is geweest.
De rechtbank stelt vast dat blijkens de notariële akte van levering van 29 december 2017 de titel voor de levering van de daarin genoemde registergoederen een koopovereenkomst van 18 december 2017 is, die als zodanig in de akte wordt benoemd. Die akte is niet (mee) overgelegd, maar gelet op de door [B] overgelegde (niet gedagtekende en niet ondertekende) koopovereenkomst op briefpapier van dezelfde notaris, gaat de rechtbank er van uit dat om dezelfde koopovereenkomst gaat.
4.8.
De rechtbank acht door [B] onvoldoende onderbouwd dat sprake zou zijn geweest van een (formele) schenking. Niettemin ontwaart zij in de koopovereenkomst, gelet op de inhoud van de wederzijdse prestaties, een potentieel (vernietigbare) materiële schenking. Daarop zal bij de beoordeling worden teruggekomen.
4.9.
Artikel 3:34 lid 1 BW luidt:
“Heeft iemand wiens geestvermogens blijven of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.”
Het tweede lid van artikel 3:34 BW bepaalt in aansluiting op het eerste lid dat een zodanig ontbreken van wil een meerzijdige rechtshandeling vernietigbaar maakt.
4.10.
Aangezien [A] zich beroept op de vernietigbaarheid van de rechtshandeling tot verkoop, berust de stelplicht en bewijslast dat ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst bij [erflater] sprake was van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW op haar. Daarbij geldt dat van een zodanige geestesstoornis sprake is in alle gevallen waarin de handelende persoon niet over een normale wil beschikt en zich geen rekenschap kan geven van wat hij doet of de strekking van de handeling. [A] moet ook stellen en aannemelijk maken dat in verband met die geestesstoornis de wil van [erflater] tot het sluiten van de koopovereenkomst heeft ontbroken. Op dat punt (de kwestie van het causaal verband) komt de wetgever degene die aan een geestesstoornis lijdt, tegemoet door de twee in het eerste lid van artikel 3:34 BW genoemde vermoedens. Het eerste onweerlegbare vermoeden treedt in als de betrokkene aantoont dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette. Het tweede onweerlegbare vermoeden treedt in als de betrokkene aantoont dat zijn verklaring onder invloed van een stoornis is gedaan. Met betrekking tot dat tweede vermoeden biedt het eerste lid van artikel 3:34 BW in de tweede zin een weerlegbaar (hulp)vermoeden. Als de rechtshandeling voor betrokkene nadelig was, wordt de verklaring vermeend onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.
4.11.
[A] heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat de geestesvermogens van [erflater] vóór en ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op18 december 2017 gestoord waren, aangevoerd dat uit zijn anamnese volgt dat [erflater] bekend was met psychische aandoeningen, die een redelijke waardering van zijn belangen belette. Hij was immers bekend met schizofrenie en psychoses, waarvan algemeen bekend is dat deze aan een juiste waardering van vermogensrechtelijke- en andere belangen in de weg staan. Daarbij heeft zij aangegeven dat [erflater] op 5 september 2017 een cerebraal vasculair accident (CVA) (een beroerte) heeft gehad en heeft zij gerefereerd aan vermeldingen in het patiëntendossier van het Isala Diaconessenhuis te Meppel. Met name betreft dit een vermelding op datum 20 oktober 2017, ten tijde van de opname, te weten “Sinds voorgeschiedenis (psychose, schizofrenie) ontspoort patiënt snel.” en de vermelding bij ontslag “Dhr. was tijdens opname met vlagen verward, kon soms ineens erg geagiteerd worden.” [A] heeft voorts gewezen op een door het ziekenhuis gemaakte afspraak voor een intake bij de polikliniek psychiatrie op 3 november 2017, aan welke afspraak [erflater] geen gevolg heeft gegeven. Zij heeft medicamenteuze behandeling met psychofarmaca (Haloperidol) genoemd en verder nog een uitnodiging van Dimence geestelijke gezondheidszorg te Zwolle voor een gesprek bij een psychiater op 28 mei 2018.
[A] heeft zich voorts ter comparitie mede beroepen op een neurologische diagnose van neuroloog [C] van 4 april 2018, opgenomen in het patiëntendossier van Isala. Daarnaast heeft gewezen op vermeldingen in het patiëntendossier van [erflater] bij huisarts [D] en op een brief van [E] , specialist ouderengeneeskundige, van 2 juli 2018. [A] verwijst in het bijzonder naar gegevens van Isala over de periodes september tot en met december 2017 en van de huisarts over de periodes september 2017 tot en met 6 december 2017. Hieruit komt volgens [A] een beeld en gedrag naar voren dat zich laat koppelen aan CVA’s, (vasculaire) dementie, Lewy body dementie, afgestorven en/of verkalkte delen in de hersenen (weefselverlies) een frontaal kwab trauma, verwardheid, geheugenstoornissen, angststoornissen, schizofrenie, psychosen, compulsieve headbanging, suïcidegedachten, diverse antipsychotica medicatie, het niet kunnen leggen van verbanden, beperkte info-opname enz.
Gelet op de psychische aandoeningen en geestelijke toestand per ultimo oktober/november 2017, met toenemende verwardheid en waanbeelden en gemakkelijk “ontsporen”, aandoeningen die langere tijd bestaan en ook zijn blijven bestaan in de tijd daarna, was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst volgens [A] van een stoornis sprake, die maakte dat [erflater] de registergoederen aan [B] verkocht voor € 1,00 met mede het vervallen van huurinkomsten tot gevolg. Die stoornis brengt volgens [A] mee dat bij [erflater] de wil tot het sluiten van de koopovereenkomst geacht moet worden te hebben ontbroken, hetgeen die overeenkomst vernietigbaar maakt.
4.12.
[B] betwist de stellingen van [A] Zij voert aan dat de beslissing om de koopovereenkomst aan te gaan weloverwogen tot stand is gekomen, dat geen sprake was van een geestelijke stoornis bij [erflater] in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW en dat de wil van [erflater] tot het verrichten van de rechtshandelingen niet heeft ontbroken. Daarbij plaatst [B] de koopovereenkomst in een kader van andere zaken, te weten het op dezelfde dag bij notariële akte verlenen van een algehele volmacht aan haar en een plan om te komen tot het oprichten van een vennootschap onder firma met gedaagde. [B] wijst voorts op een voortraject inzake de koopovereenkomst en op de rol van de accountant en de notaris daarbij in de zin van het dienen van advies en het geven van informatie. Zij ziet in het passeren van de akte door de notaris een bevestiging dat die zich van de geestelijke vermogens van [erflater] heeft vergewist. Ook de accountant [F] heeft zich daarvan kunnen overtuigen.
Meer toegespitst op de geestelijke vermogens betoogt [B] dat in de medische rapportage herhaaldelijk gesteld wordt dat sprake lijkt te zijn van vasculaire dementie maar dat een bevestiging daarvan nergens staat. Ook met enkele geciteerde zinsneden uit het medisch dossier van Isala en huisarts betwist [B] het bestaan van een geestesstoornis, te weten:
[G] , psychiater: “Langer bestaande en te uitgebreide casus voor consult aan bed. Voorkeur voor patiënt op de poli uit te nodigen voor uitgebreide intake en adequate diagnostiek.”;
[H] , neuroloog (1 sept 2017): “Overlegd met psychiater [J] : patiënt klinkt niet wilsonbekwaam.” ;
[K] , huisarts (19 sept 2017): “geen verwardheid meer maar wel heel onrustig in de nacht;… verder goed gesprek te voeren”.
[B] heeft voorts gesteld dat geen sprake was van ambulante behandeling van psychische stoornissen.
Volgens [B] bestaat geen enkele aanleiding om uit te gaan van het onweerlegbaar vermoeden dat de wil tot het sluiten van de koop- dan wel schenkingsovereenkomst heeft ontbroken.
4.13.
De rechtbank is van oordeel dat [B] de stellingen van [A] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Hetgeen zij heeft aangevoerd inzake het bredere geheel waarin de koop- c.q. schenkingsovereenkomst geplaatst zou moeten worden en inzake het passeren van de leveringsakte, in de door haar gestelde zin, overtuigt daartoe hoe dan ook onvoldoende. Hierbij kan worden vastgesteld dat [erflater] niet bij het passeren van de akte aanwezig is geweest, zodat de beweerdelijke positieve constatering van de notaris inzake de geestesgesteldheid van [erflater] op dat moment geen doel treft, nog daargelaten of een notaris (alsook de genoemde accountant) over specifieke deskundigheid beschikt om die geestesgesteldheid te kunnen beoordelen. Verklaringen van de notaris en de accountant hieromtrent - wat daarvan zij - die de stelling van [B] zouden bevestigen, zijn overigens niet in het geding gebracht.
Ook de onderbouwing van [B] van haar stelling dat van enige geestelijke stoornis geen sprake is geweest, acht de rechtbank ontoereikend, gelet op hetgeen [A] onder verwijzing naar voornoemde medische vermeldingen te berde heeft gebracht. [B] haalt uit die gegevens enkele zinsneden die haar verweer zouden staven, maar naar het oordeel van de rechtbank gaat zij daarmee voorbij aan hetgeen overigens daaruit is gebleken over de periodes september tot en met december 2017: toenemend geheugenverlies, verwarring, ongepast gedrag, niet voor rede vatbaar zijn, hallucinaties, halidol medicatie vanaf begin september, angstklachten, ingewikkeld mengbeeld met dementie, gemengd dementieel beeld (vasculair/Alzheimer) aanvraag psychiatrisch consult, advies opname ter observatie, cognitieve achteruitgang.
4.14.
De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van [B] dat geen sprake is geweest van behandeling van psychische klachten, dat de bevindingen uit het medisch dossier voor de behandelende sector tijdens de opname een indicatie vormden voor een psychiatrisch vervolgtraject, waarvoor zelfs vanuit de behandelende sector een afspraak was gemaakt, maar dat [B] namens [erflater] heeft doen weten van afspraken op de polikliniek psychiatrie (de eerste op 3 november 2017) geen gebruik te maken.
4.15.
[erflater] was ten tijde van de verkoop c.q. schenking op gevorderde leeftijd. Hij was toen op een aantal maanden na al de leeftijd van 80 jaar genaderd. Voor hem waren verschillende belangen aan de orde: de behoefte aan (mantel)zorg in verband met zijn gezondheidssituatie, zijn zakelijke bedrijfsvoering, de regeling van zijn nalatenschap. Een waardering van elk van die belangen, zowel wat betreft het gewicht van elk belang op zichzelf, als ook in verband met de afweging tegen elkaar in hun onderlinge wisselwerking, moet op zichzelf voor [erflater] al als zijnde gecompliceerd worden geacht. Daarbij komt dat hij blijkens de medische bevindingen kampte met psychoses, geheugenstoornissen, angststoornissen, een beperkte capaciteit tot het opnemen van informatie of het leggen van verbanden. Voorts was bij hem sprake van verwardheid. Tegen die achtergrond moest [erflater] de beweerdelijke tegenprestatie van de verkoop c.q. schenking, inhoudende een levenslange mantelzorg van de persoon jegens wie hij in dat opzicht affectie had opgevat - één van de belangen - afwegen tegen zijn vermogensrechtelijke belangen. Gezien zijn geestelijke vermogens moet hij geacht worden die voorgehouden tegenprestatie niet redelijk te hebben kunnen waarderen in het licht van de gegeven omstandigheden (waaronder die van zijn hoge leeftijd en de daarbij behorende levensverwachting), met een rechtshandeling met een zeer aanzienlijke wanverhouding tussen de prestaties tot gevolg.
4.16.
[B] beroept zich op artikel 3:35 BW. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de verklaring van [erflater] heeft opgevat overeenkomstig de zin die zij daaraan onder de omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, inhoudende dat [erflater] daadwerkelijk de registergoederen wilde verkopen dan wel schenken om de levenslange verzorging in eigen woonomgeving door gedaagde te waarborgen en om haar behulpzaam te doen zijn bij de exploitatie van de eenmanszaak (vakantieboerderij). Zij betoogt er gerechtvaardigd op vertrouwd en te hebben mogen vertrouwen dat de wil en verklaring van [erflater] overeen stemden. Zij heeft geen moment de indruk gehad of moeten hebben dat de geestelijke vermogens van [erflater] tijdelijk of blijvend gestoord waren.
4.17.
De rechtbank overweegt als volgt. [B] heeft zich materieel gezien niet onterecht op het standpunt gesteld dat de omstreden rechtshandeling een schenking impliceert, zijnde een rechtshandeling om niet. Bij rechtshandelingen om niet vergen redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW) dat voor een beroep op artikel 3:35 BW door de wederpartij zwaardere eisen gelden (HR 12 september 1986, NJ 1987/267 en
HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF0585).
4.18.
Het beroep van [B] op de wilsvertrouwensleer schiet tekort in het licht van de omstandigheden, die [A] onweersproken heeft benoemd en die inhouden dat [B] vanuit een directe betrokkenheid bij opname en behandeling van [erflater] “van A tot Z” op de hoogte was van de medische c.q. geestestoestand van [erflater] , voor hem contact- en vertrouwenspersoon voor artsen was en voor hem afspraken maakte of afzegde, het laatste in ieder geval wat betreft een medisch geïndiceerde psychiatrische observatie. Dat zij deze weg niet heeft willen opgaan, kan veeleer als een indicatie worden opgevat voor een wegkijken of negeren van de geestestoestand van [erflater] , dan als steun voor haar stelling dienaangaande.
4.19.
De rechtbank komt al met al op grond van het voorgaande tot het oordeel dat een stoornis in de geestvermogens van [erflater] hem een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette, in verband waarmee zijn met de verklaring overeenkomende wil geacht wordt te hebben ontbroken. Daarmee is sprake van een onweerlegbaar vermoeden dat bij [erflater] de wil tot de omstreden rechtshandeling geacht moet worden te hebben ontbroken. De koop- c.q. schenkingsovereenkomst is daarom op grond van wilsgebreken aan de kant van [erflater] vernietigbaar ingevolge artikel 3:34 lid 2 BW.
4.20.
De rechtbank overweegt verder nog het volgende in het verlengde van rechtsoverweging 4.10.
De koopovereenkomst betreft de verkoop tegen een verkooprijs van € 1,00 van registergoederen. In de leveringsakte is opgenomen dat het woonhuis wordt gewaardeerd op € 201,600,00 mét verhuur. De jaarlijks huuropbrengst is vermeld als € 7.800,00. Als waarde in onverhuurde staat is opgenomen € 360.000,00, welk bedrag overeenkomt met de WOZ-waarde. De (markt)waarde van het perceel en tuin is vastgelegd als € 18.000,00. Niet gebleken is dat voor het woonhuis een hypothecaire lening van [erflater] is afgelost.
4.21.
Tegen de stelling van [A] dat het sluiten van de koopovereenkomst voor [erflater] evident extreem nadelig was, heeft [B] aangevoerd dat de koopovereenkomst voor [erflater] juist zeer voordelig was, omdat hij zich daarmee kon verzekeren van tot zijn overlijden blijvende mantelzorg en zorg voor zijn zakelijke beslommeringen door [B] . Voorts kon hij daarmee aan de onterving van zijn kinderen invulling geven, conform een blijkens een overgelegde ontwerpakte van de notaris voornemen, met benoeming van [B] tot enig erfgename. Daarbij ontbrak het [erflater] niet aan financiële middelen, aldus [B] .
4.22.
De rechtbank is van oordeel dat het aangaan van de koop- c.q. schenkingsovereenkomst voor [erflater] redelijkerwijs niet anders dan als voor hem uiterst nadelig kan worden aangemerkt. Niet valt in te zien dat het gestelde voordeel van het “feitelijk onterven” van zijn kinderen voor [erflater] een belang was waartegen een dergelijke substantiële vermogensafdracht aan [B] zou moeten staan. Bij de wil daartoe had [erflater] al eerder kunnen voorzien in een testamentaire beschikking. Evenmin valt in te zien dat de verkoop of schenking van de registergoederen noodzakelijk zou zijn voor het verkrijgen of behouden van mantelzorg en/of het verrichten van bedrijfsmatige werkzaamheden voor de verhuur van accommodatie, te minder gezien de gestelde financiële “welstand” van [erflater] . Dat de beschikbaarstelling van de registergoederen uit ander oogpunt, in het bijzonder het voor de mantelzorg ter plaatse wonen, nodig was, acht de rechtbank daarvoor ook geen zwaarwegend argument. Niet vanwege de korte afstand van de woning van [erflater] tot de woonplaats van [B] , noch vanwege de mogelijkheid om in die huisvesting te kunnen voorzien door verhuur of een gebruiksrecht. Dit nadeel was ten tijde van de rechtshandeling te voorzien.
4.23.
Het voorgaande brengt mee dat het beroep van [A] op de vernietigbaarheid van de koop- c.q. schenkingsovereenkomst op grond van artikel 3:34 lid 2 BW terecht is ingeroepen en deze overeenkomst vernietigd dient te worden. De primaire vordering van [A] ligt daarom voor toewijzing gereed.
4.24.
Aangezien met de vernietiging van de koopovereenkomst de rechtsgeldige titel voor de levering van de registergoederen is weggevallen, komt de daaraan verbonden vordering tot overdracht van de registergoederen, zij het met inachtneming van het navolgende, eveneens voor toewijzing in aanmerking.
4.25.
Overdracht aan [erflater] , zoals gevorderd, is door diens overlijden niet meer mogelijk. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering aldus moet worden verstaan dat de registergoederen moeten worden overgedragen aan de erfgenamen. De rechtbank zal bij eindvonnis in deze zin de vordering tot overdracht van de registergoederen toewijzen.
4.26.
Wat betreft de vordering tot teruggave van roerende zaken overweegt de rechtbank dat deze roerende zaken niet zijn mee verkocht met de registergoederen. Dit volgt uit de leveringsakte. Voorts is niet gebleken van enige onderbouwing van de stelling dat de goederen door [erflater] aan [B] op informele wijze zouden zijn geschonken en aan haar in eigendom toebehoren. De roerende zaken, waarop conservatoir beslag is gelegd, zullen daarom op dezelfde grond als in rechtsoverweging 4.25 vermeld aan de erfgenamen van [erflater] moeten worden overgedragen, zodat de vordering ter zake bij eindvonnis in die zin zal worden toegewezen.
4.27.
Het enkele verweer tegen de vordering tot afdracht van huurpenningen wegens verhuur van een gedeelte van de registergoederen, inhoudend dat tegenover die inkomsten onkosten staan van [B] , zal worden gepasseerd als onvoldoende onderbouwd. Deze vordering zal daarom bij eindvonnis worden toegewezen ten bedrage van € 650,00 per maand, met ingang van 29 december 2018 tot en met de dag waarop de registergoederen weer terug zijn geleverd aan de boedel, behoudens voor zover de huur eerder is beëindigd.
Waar geen andere begunstigde voor de terugbetaling is genoemd geldt ook ter zake dat de rechtbank deze vordering verstaat als strekkende tot afdracht aan de erfgenamen.
in (voorwaardelijke) reconventie
4.28.
Aangezien in conventie zal worden voldaan aan de voor de voorwaardelijke reconventie gestelde voorwaarde dat de koopovereenkomst wordt vernietigd, geldt mede de onder deze noemer gedane reconventionele vordering. Aldus gaat het om twee vorderingen, één betreffende werkzaamheden voor het vakantiebedrijf en één betreffende mantelzorgwerkzaamheden.
werkzaamheden vakantieboerderij ad € 23.520,00 c.a.
4.29.
[B] heeft primair als juridische grondslag aan haar vordering ten grondslag gelegd een mondelinge overeenkomst van vennootschap onder firma, waarvoor zij een concept-akte heeft overgelegd. Subsidiair voert zij als grondslag aan een overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 e.v. BW. Meer subsidiair vordert zij het bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking van [erflater] ten koste van [B] (artikel 6:212 BW).
4.30.
De rechtbank is van oordeel dat [B] onvoldoende aan haar stelplicht heeft voldaan wat betreft het standpunt dat zij uit hoofde van een overeenkomst van vennootschap onder firma als vennoot een vordering op [erflater] zou hebben.
Het ter zake door [A] gevoerde uitvoerige verweer treft doel. Een enkel overgelegde concept-akte kan de stelling van [B] niet schragen.
4.31.
Voor zover al zou (moeten) worden uitgegaan van een concept overeenkomst waartoe [erflater] zich had willen verbinden, geldt dat het hiervoor vastgestelde wilsgebrek aan de zijde van [erflater] ook op dit onderdeel geacht moet worden te gelden.
4.32.
Voor zover [B] ongerechtvaardigde verrijking aan haar vordering ten grondslag legt, komt de rechtbank hierna daarop terug.
mantelzorgwerkzaamheden ad € 63.096,00 c.a.
4.33.
Ook ter zake van deze werkzaamheden doet [B] haar vordering steunen op de stelling dat zij met [erflater] een - in dit geval mondelinge - overeenkomst van opdracht is aangegaan. Subsidiair beroept zij zich wederom op ongerechtvaardigde verrijking.
De rechtbank is van oordeel dat wat betreft de eerste grondslag onvoldoende is aangevoerd of gebleken. Bovendien geldt ook ten aanzien van deze beweerdelijke overeenkomst het eerder vastgestelde wilsgebrek bij [erflater] .
ongerechtvaardigde verrijking
4.34.
Hoewel zij de subsidiaire grondslag voor beide vorderingen in verband met de voornoemde werkzaamheden voorshands niet genoegzaam onderbouwd acht, is niettemin voor een vergoeding aan [B] voor haar activiteiten in verband met de vakantieboerderij als ook voor die in het kader van de persoonlijke verzorging van [erflater] een juridische basis denkbaar.
4.35.
In verband hiermee alsook mede ter wille van het beproeven van een schikking tussen partijen en om te onderzoeken wat een redelijke “honorering” van de diensten van [B] zou kunnen zijn, ziet de rechtbank aanleiding tot het bepalen van een comparitie voor de meervoudige kamer van deze rechtbank, derhalve enkel ter zake van de vorderingen wegens werkzaamheden voor de vakantieboerderij en mantelzorgwerkzaamheden.
4.36.
De rechtbank zal bij gevolg een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
5.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 21 juli 2021 voor het bepalen van dag en tijdstip waarop de comparitie van partijen zal plaatsvinden. Partijen hoeven niet aanwezig te zijn bij deze rolzitting. Partijen kunnen tot uiterlijk de vrijdag voordien schriftelijk 20 verhinderdata (of 40 verhinderingsdagdelen) opgeven voor
de maanden september tot en met november 2021,
5.3.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen, alsmede dat bij de planning geen rekening zal worden gehouden met de verhinderingen van een partij die meer verhinderingen heeft opgegeven dan hiervoor onder 5.2 genoemd;
5.4.
bepaalt dat de comparitie in beginsel niet zal worden uitgesteld nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
5.5.
wijst partijen er op, dat voor de comparitie anderhalf uur zal worden uitgetrokken;
5.6.
wijst partijen er op dat zij eventuele nadere stukken ten behoeve van de comparitie tot uiterlijk tien dagen voor de comparitie in het geding kunnen brengen,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken door
mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek als rolrechter op 30 juni 2021.