Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.1
10.1 Inleiding
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197264:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
In de literatuur wordt wat de temporele werking van wetten betreft wel onderscheid gemaakt tussen onmiddellijke werking, terugwerkende kracht en uitgestelde werking. Schuver Bravenboer 2009 heeft deze begrippen in haar proefschrift gedefinieerd. Zij definieert onmiddellijke werking als volgt: “Een wet verbindt vanaf het inwerkingtredingsmoment rechtsgevolgen aan op het inwerkingtredingsmoment bestaande toestanden alsmede aan feiten die zich op of na het inwerkingtredingsmoment voordoen.”Terugwerkende kracht definieert zij als volgt: “Ná het inwerkingtredingsmoment veranderen de materiële rechtsgevolgen die zijn verbonden aan feiten die zich voordeden vóór het inwerkingtredingsmoment of aan toestanden die bestonden op het moment van aanvang van de werking dan wel in de periode tussen aanvang van de werking en het inwerkingtredingsmoment zijn ontstaan.” En uitgestelde werking definieert zij als volgt:“Een wet geldt, maar gedurende een vastgestelde periode werkt zij nog niet ten aanzien van op het inwerkingtredingsmoment bestaande of nadien ontstane toestanden alsmede ten aanzien van feiten die zich in de periode tussen de inwerkingtreding van de wet en aanvang van de werking voordoen.”
In de doctrine worden er twee vormen van terugwerkende kracht onderscheiden. De eerste vorm is wat door Pauwels “de formeel technische benadering van terugwerkende kracht” wordt genoemd. Volgens Pauwels is in deze benadering van terugwerkende kracht sprake ingeval de wet van toepassing is op rechtsfeiten die zich hebben voorgedaan vóór haar inwerkingtreding. Het gaat dan om gevallen waar het feitelijke ingangstijdstip van de wet is gelegen vóór het moment van inwerkingtreding van de wet. Tegenover de formeel terugwerkende kracht staat de materieel terugwerkende kracht. In die benadering wordt volgens Pauwels niet gekeken naar het ingangstijdstip van de wet, maar naar het effect van de nieuwe wet.
Pauwels 2009, Pauwels 2013bF en Schuver-Bravenboer 2009.
Een aspect van de rule of law dat ook ten grondslag ligt aan artikel 1 Eerste Protocol, is dat de overheid gerechtvaardigde verwachtingen moet eerbiedingen. In hoofdstuk 4 bleek al dat gerechtvaardigde verwachtingen (legitimate expectations) een “possession” kunnen zijn in de zin van artikel 1 Eerste Protocol, zodat bij schending van die verwachtingen een beroep kan worden gedaan op de bescherming van het eigendomsgrondrecht. Gerechtvaardigde verwachtingen kunnen ook in het geding komen als de wetgever besluit om wetgeving met terugwerkende kracht ten nadele van de belastingplichtige te wijzigen. De rechtsgevolgen van de handelingen van de belastingplichtige blijken dan achteraf anders te zijn dan die waarvan hij ten tijde van die handelingen vanuit mocht gaan op basis van de toen geldende belastingwet. Zoals ik eerder (par. 3.4.2 en hoofdstuk 5) schreef brengt het vereiste van lawfulness mee dat iedere (overheids)aantasting van eigendom moet zijn gebaseerd op een wettelijke bepaling. Het is de vraag hoe dit zit als de wetgever met terugwerkende kracht voorziet in een wettelijke basis of die basis achteraf verandert.1 Het is evident dat in zo een geval de voorzienbaarheid van de belastingheffing te wensen overlaat. In par. 10.2 ga ik in op de wijze waarop het EHRM omgaat met dit spanningsveld tussen de voor rechtvaardiging van een eigendomsaantasting noodzakelijke voorzienbaarheid van fiscale verplichtingen enerzijds en de wens en redenen voor de wetgever om in bepaalde omstandigheden met terugwerkende kracht belastingwetgeving in te voeren anderzijds.
In par. 10.4.1 tot en met par. 10.4.7 bespreek ik vervolgens de rechtspraak van het EHRM over belastingheffing met terugwerkende kracht.
In het kader van mijn onderzoek is vooral relevant de vraag of gerechtvaardigde verwachtingen geschonden worden en zo ja, welke rechtvaardigingen voor die schending bestaan, omdat dat de criteria zijn op basis waarvan het EHRM terugwerkende belastingwetgeving beoordeelt. Hij houdt zich niet bezig met theorievorming en definities. Om dezelfde reden zal ik mij niet bezig houden met de vraag of in een bepaald geval sprake is van materiële of formele terugwerkende kracht.2
Het EHRM lijkt ook daaraan geen belang te hechten. Voor theorievorming over de temporele werking van wetswijzigingenverwijs ik naar de proefschriften van Pauwels en Schuver-Bravenboer.3 Ik zal het in het hiernavolgende kortheidshalve over ‘terugwerkende kracht’ hebben als ik bedoel toepassing van belastingwetgeving die pas is aangenomen en afgekondigd nádat de belastbare feiten zich al hebben voorgedaan waarop die pas later aangenomen wetgeving desondanks wordt toegepast.