TFO 2025/200.2
Fiscale eenheid omzetbelasting: is kiezen voor een keuze een optie?
Prof. dr. S.B. Cornielje, datum 13-08-2025
- Datum
13-08-2025
- Auteur
Prof. dr. S.B. Cornielje1
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD21640:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht (R)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
- Wetingang
Voetnoten
Voetnoten
Bijzonder hoogleraar indirecte belastingen aan de Vrije Universiteit, partner bij PwC en rechter-plaatsvervnager bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Fiscale eenheid is de Nederlande benaming die voortvloeit uit artikel 7 lid 4 Wet OB 1968. Dat is een implementatie van de kan-bepaling van artikel 11 Btw-richtlijn die veelal wordt aangeduid als de btw-groepoptie. Waar ik in deze bijdrage spreek over de Nederlandse implementatie zal ik de term ‘fiscale eenheid’ bezigen terwijl ik ‘btw-groep’ of ‘btw-groepoptie’ gebruik voor de Unierechtelijke mogelijkheid die aan lidstaten wordt geboden.
HR 22 april 2005, nr. 38 659, ECLI:NL:HR:2005:AT4477, BNB 2005/230.
Zie S.B. Cornielje, ‘Neutraal verlanglijstje voor het ondernemingsklimaat’, WFR 2024/233.
Dit is een raadgevend Comité voor de Belasting op de toegevoegde waarde dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en de Europese Commissie, ingevoerd op grond van artikel 398 Btw-richtlijn. Het Btw-Comité moet bij verschillende maatregelen die de lidstaten op grond van de Btw-richtlijn kunnen nemen worden geraadpleegd of in kennis gesteld en kan daarnaast onderzoek doen en standpunten innemen op eigen initiatief of op verzoek van één van de lidstaten.
K. Vyncke, ‘EU VAT Grouping from a Comparative Tax Law Perspective’, EC Tax Review 2009-6; S. Pfeifer, ‘VAT Grouping from a European Perspective’, IBFD Doctoral Series 2015, 34, p. 163.
Zie S. Pfeifer, ‘VAT Grouping from a European Perspective’, IBFD Doctoral Series 2015, 34, p. 163; en Draft paper on topic for discussion Meaning of ‘financial, economic and organisational links’ among VAT group members, VAT Expert Group 18th meeting – 5 februari 2018, taxud.c.1(2018)339756. Voor deze bijdrage is geen eigen rechtsvergelijkend onderzoek gedaan.
Vgl. K. Vyncke, ‘EU VAT Grouping from a Comparative Tax Law Perspective’, EC Tax Review 2009-6 die er op deze basis van uit lijkt te gaan dat een facultatieve fiscale eenheid is toegestaan; S. Pfeifer, ‘VAT Grouping from a European Perspective’, IBFD Doctoral Series 2015, 34, p. 163.
Zie HvJ EU 16 juli 2015, C-108/14 en C-109/14 (Larentia en Minerva/Marenave), V-N 2015/44.18, r.o. 50.
HR 11 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2498, r.o. 2.4.5.
HvJ EU 25 april 2013, C-480/10 (Commissie/Zweden), V-N 2013/24.15, r.o. 34; HvJ EU 15 april 2021, C-868/19 (M GmbH), FED 2021/96, r.o. 44; HvJ EU 1 december 2022, C-141/20 (Norddeutsche Gesellschaft für Diakonie), V-N 2023/4.13, r.o. 65.
Zie ook de vragen die recent zijn gesteld aan het HvJ EU, die beantwoord zullen woorden door het Gerecht, met betrekking tot Deense implementatie (Sampension Livsforsikring A/S, T-268/25).
Het is overigens geen unicum dat het HvJ EU de veronderstelde beoordelingsruimte voor lidstaten in de Btw-richtlijn uiteindelijk zelf invult. Zo is er van de beoordelingsruimte in artikel 135 lid 1 onderdeel g Btw-richtlijn feitelijk maar weinig over nu het HvJ EU in het verschillende arresten tamelijk precies heeft vastgesteld wat de invulling moet zijn van het begrip ‘gezamenlijk beleggingsfonds’. Vgl. A.J. van Deosum & G.J. van Norden, Omzetbelasting (Fed Fiscale Studieserie, nr. 6), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 321.
HvJ EU 25 april 2013, C-480/10 (Commissie/Zweden), V-N 2013/24.15, r.o. 39.
HvJ EG 12 juni 1979, C-181/78 en C-229/78 (Ketelhandel van Paassen/Dienstbetoon Denkavit), ECLI:EU:C:1979:151.
Ik wijs erop dat in het verleden door de Europese Commissie een aantal inbreukprocedures is gestart die betrekkng hadden op de wijze waarop lidstaten de btw-groep hadden geïmplementeerd. Zie onder meer HvJ EU 25 april 2013, C-480/10 (Commissie/Zweden), V-N 2013/24.15; en HvJ EU 25 april 2013, C-65/11 (Commissie/Nederland), V-N 2013/24 waaruit zou kunnen worden afgeleid dat van Europese goedkeuring van een implementatie als gevolg van de consultatie van het Btw-comité geen sprake is.
HvJ EU 17 september 2014, C-7/13 (Skandia), BNB 2015/74.
Zie ook S. Pfeifer, ‘VAT Grouping from a European Perspective’, IBFD Doctoral Series 2015, 34, p. 170-171.
Zie de Explanatory Memorandum to the Proposal for a Sixth Council Directive, COM(73) 950, 20 juni 1973.
Zie ook de opmerkingen van de Europese Commissie bij de beantwoording van de eerste vraag in HvJ EG 12 juni 1979, C-181/78 en C-229/78 (Ketelhandel van Paassen/Dienstbetoon Denkavit), ECLI:EU:C:1979:1.
A. van Doesum e.a., Fundamentals of EU VAT Law, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2025, p. 104.
Zie in deze zin S. Cornielje & B. Willemsen, ‘The Fundamentals of VAT Grouping in the Netherlands’, Studi Tributari Europei 2020, vol. 10(1) (te raadplegen via https://doi.org/10.6092/issn.2036-3583/11711; A.J. van Deosum & G.J. van Norden, Omzetbelasting (Fed Fiscale Studieserie, nr. 6), Deventer: Wolters Kluwer 2023, p. 105.
HvJ EG 22 mei 2008, C-162/07 (Ampliscientifica), V-N 2008/25.20.
Het lijkt mij overigens sterk dat een dergelijke handelwijze als ‘fraude’ zou kunnen worden gekenschetst maar dat is voor deze bijdrage niet van belang.
Recent bevestigd in HvJ EU 11 juli 2024, C-184/23, ECLI:EU:C:2024:599 (Finanzamt T II).
Zie in deze zin A. van Doesum e.a., Fundamentals of EU VAT Law, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2025, p. 104, op grond van de territoriale beperking zijn de gevolgen van dispariteiten tussen lidstaten evenwel beperkt.
Deze paragraaf is ten dele gebaseerd op S. Cornielje & B. Willemsen, ‘The Fundamentals of VAT Grouping in the Netherlands’, Studi Tributari Europei 2020, vol. 10(1) (te raadplegen via https://doi.org/10.6092/issn.2036-3583/11711).
Deze impliciete implementatie van de btw-groep leidde ertoe dat verschillende Nederlandse ondernemingen de geldigheid van de omzetting in twijfel trokken, met het argument dat de implementatie van btw-groep vereiste dat een lidstaat de regels voor groepering expliciet in de nationale wetgeving vastlegde. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) oordeelde echter in de zaak Van Paassen dat de conceptuele erfenis van entiteitsgroepering in een btw-groeperingsregime door de interpretatie van juridische normen die alleen leken te verwijzen naar de normale definitie van een belastingplichtige niet in strijd was met de Tweede Richtlijn. Desondanks besloot de Nederlandse wetgever in hetzelfde jaar als het Van Paassen-arrest om de regels voor btw-groepering alsnog in de nationale wetgeving vast te leggen.
Zie als voorbeelden: Tariefcommissie 23 februari 1953, nr. 6510 O, ECLI:NL:DETARCO:1953:AY3253; Tariefcommissie 15 maart 1954, nr. 6500 O, ECLI:NL:DETARCO:1954:AY3059; Tariefcommissie 7 oktober 1957, nr. 8297 O, ECLI:NL:DETARCO:1957:AY1386.
1. Inleiding
In de omzetbelasting geldt dat meerdere ondernemers tezamen als één ondernemer kunnen worden aangemerkt door een fiscale eenheid2 te vormen. Hierbij geldt in Nederland dat het vormen van een fiscale eenheid wilsonafhankelijk is: indien een groep ondernemers aan de gestelde voorwaarden voldoet, is sprake van een fiscale eenheid.3 Met enige regelmaat wordt gepleit voor een wijziging in de regeling van artikel 7 lid 4 Wet OB 1968 die zou neerkomen op het wegnemen van het verplichte karakter van de fiscale eenheid door de invoering van een keuzerecht als gevolg waarvan ondernemers opteren voor een fiscale eenheid.
Zelf deed ik deze oproep onlangs in een column.4 Daarbij gaf ik aan dat enige twijfels gevoeld kunnen worden bij de vraag of de facultatieve fiscale eenheid Unierechtelijk geoorloofd is. Die twijfels zijn uiteraard voldoende reden om eens dieper op deze vraag in te gaan. In deze bijdrage onderzoek ik daarom de vraag of het invoeren van een facultatieve fiscale eenheid is toegestaan op basis van de Europese Btw-richtlijn en of invoering ervan in de Nederlandse wet in dit verband voor de hand ligt.
In paragraaf 2 bespreek ik de richtlijnbepaling die het invoeren van een btw-groep mogelijk maakt voor lidstaten. In paragraaf 3 bespreek ik in algemene zin wat de beoordelingsruimte is voor lidataten die van deze mogelijkheid gebruikmaken. In paragraaf 4 ga ik in op de ruimte die het Btw-comité biedt voor een faculatieve implementatie van artikel 11 Btw-richtlijn en in paragraaf 5 onderzoek ik of artikel 11 Btw-richtlijn een dergelijke faculatieve implementatie toestaat. In paragraaf 6 ga ik in op de achtergrond van de Nederlandse implementatie en de vraag of het voor de hand ligt dat Nederland kiest voor een implementatie met keuzerecht. Tot slot bespreek ik in kort bestek een aantal ‘designopties’ die Nederland zou hebben indien het inderdaad over zou gaan tot het invoeren van een optionele fiscale eenheid.
2. De btw-groepoptie in de Btw-richtlijn
Artikel 11 Btw-richtlijn bepaalt:
“Iedere lidstaat kan na raadpleging van het BTW-comité5 personen die binnen het grondgebied van deze lidstaat gevestigd zijn en die juridisch gezien zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, tezamen als één belastingplichtige aanmerken. Het is lidstaten daarbij toegestaan om alle maatregelen vast te stellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling te voorkomen.”
Ik wijs erop dat de richtlijnbepaling hoe dan ook een facultatief element kent. Het is namelijk een kan-bepaling. Dit betekent dat lidstaten niet verplicht zijn om de fiscale eenheid te implementeren. Vanzelfsprekend vloeit hier niet per definitie uit voort dat indien een lidstaat er voor heeft gekozen artikel 11 Btw-richtlijn te implementeren de nationale bepaling daarmee een keuzerecht biedt aan belastingplichtigen. Om verwarring op dit punt te voorkomen merk ik op dat waar ik in het hiernavolgende spreek over keuzerecht of implementatie met een keuzerecht ik doel op een specifieke implementatie van artikel 11 Btw-richtlijn die een keuzerecht voor belastingplichtigen inhoudt, en doel ik dus niet op het inherente kan-karakter van de bepaling.
Vaststaat dat de implementaties van artikel 11 Btw-richtlijn door lidstaten inhoudelijk aanzienlijk van elkaar verschillen.6 Wat daarbij opvalt is dat alleen Duitsland, Oostenrijk en Nederland een verplichte toepassing van de fiscale eenheid voorschrijven (iedereen die aan de voorwaarden voldoet wordt als uitgangspunt als zodanig behandeld), als gevolg waarvan er een grote meerderheid is van lidstaten die hebben gekozen voor een implementatie met keuzerecht (die overigens ook weer van elkaar kunnen verschillen, zie voor een aantal variabelen paragraaf 7).7 Op die basis kan worden geconcludeerd dat het invoeren van een fiscale eenheid met keuzerecht kennelijk mag. Immers, de lidstaten die een keuzerecht hebben, zijn verplicht geweest voorafgaand aan die implementatie het Btw-comité te raadplegen. Het Btw-comité heeft kennelijk geen bezwaar gezien tegen een implementatie met keuzerecht en ook de Europese Commissie heeft nooit een inbreukprocedure gestart tegen één van deze lidstaten.8 Er lijkt dan ook geen twijfel over dat Nederland een keuzerecht mag invoeren als andere lidstaten dit ook wordt toegestaan. Als interpretatie van artikel 11 Btw-richtlijn schiet die conclusie evenwel tekort.
Dit geldt temeer omdat op basis van een eerste blik op de tekst van artikel 11 Btw-richtlijn (zie hiervoor) de mogelijkheid van een implementatie met keuzerecht geenszins evident is. Dit roept de vraag op of de rechtstfiguur op deze wijze bedoeld is. Die vraag wordt bovendien ingekapseld en voorafgegaan door de meer algemene vraag naar de ruimte die lidstaten hebben om tot een eigen invulling te komen van de toepassingsvoorwaarden voor de fiscale eenheid.
3. Beoordelingsruimte lidstaten
Met de vaststelling dat lidstaten de keuze hebben om artikel 11 Btw-richtlijn te implementeren is nog niet gezegd in hoeverre de lidstaten vervolgens de vrijheid hebben zelf te bepalen welke toepassingsvoorwaarden voor de regeling gelden.
3.1 Geen rechtstreekse werking
Met betrekking tot de vereiste dat de betrokken personen financieel, economisch en organisatorisch verweven moeten zijn, is door het HvJ EU geoordeeld dat deze voorwaarden dienen te worden gepreciseerd op nationaal niveau als gevolg waarvan de bepaling voorwaardelijk is en als zodanig niet kan worden geacht rechtstreekse werking te hebben.9 Door de Hoge Raad is dit oordeel bevestigd met betrekking tot de vraag of alle niet-belastingplichtigen deel mogen uitmaken van de Nederlandse fiscale eenheid.10 Het staat derhalve vast dat lidstaten een zekere beoordelingsruimte hebben bij het implementeren van de fiscale eenheid. Daarbij zij evenwel aangetekend dat het HvJ EU in meer recente arresten het in toenemende mate tot zijn taak rekent toch de piketpalen te plaatsen voor de invullig van de verwevenheidseisen en daarbij aangeeft dat bijvoorbeeld de vereiste van ‘nauwe financiële banden’ autonoom en uniform moet worden uitgelegd,11 waardoor mag worden aangenomen dat de beoordelingsruimte voor lidstaten uiteindelijk mogelijk tóch beperkt zal blijken.12 Dit roept overigens de vraag op of voor artikel 11 Btw-richlijn ook in die context zal blijven gelden dat het artikel geen rechtstreekse werking toekomt,13 maar voor het moment lijkt dat onverkort de conclusie.
3.2 Bestrijden fraude en misbruik
Waar lidstaten eveneens, en expliciet, beoordelingsruimte wordt geboden is in de tweede volzin van artikel 11 Btw-richtlijn. Deze bepaalt:
“Een lidstaat die de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid toepast, kan alle maatregelen vaststellen die nodig zijn om belastingfraude en -ontwijking met gebruikmaking van deze bepaling te voorkomen.”
Lidstaten mogen maatregelen nemen maar dat hoeft niet. Uit de rechtspraak van het HvJ EU blijkt dat de tweede volzin een reden kan zijn voor lidstaten om de werking van de btw-groep in hun lidstaat te beperken. Zo lijkt het HvJ EU ten minste voor mogelijk te houden dat de keuze van Zweden om de btw-groep alleen open te stellen voor financiële instellingen, omdat deze onder bijzonder toezicht staan, en dus alle andere ondernemers uit te sluiten van de regeling, een toegestane maatregel ter bestrijding van fraude ern misbruik kan inhouden.14 Daarin ligt de suggestie besloten dat de vrijheid van lidstaten om tot een bijzondere implementatie te komen zolang dat is bedoeld om fraude en misbruik te voorkomen, groot is.
Het laat zich evenwel moeilijk indenken hoe het implementeren met een keuzerecht tot toepassing van de btw-groep zou kunnen worden gezien als een maatregel die is gericht op het voorkomen van fraude en misbruik, te meer omdat (zie ook hierna in paragraaf 5.2) het voorkomen van fraude en misbruik nu juist een belangrijke overweging was om de btw-groepoptie in het secundaire unierecht op te nemen. Een keuzerecht voor belastingplichtigen tot toepassing van de btw-groep zou om die reden mogelijk juist niet comfortabel passen binnen de Btw-richtlijn.
4. Welke ruimte biedt het Btw-comité?
Op grond van artikel 11 Btw-richtlijn moet iedere lidstaat die de btw-groepoptie wil implementeren het Btw-comité raadplegen. De veronderstelling zou dus kunnen zijn dat het ultimo het Btw-comité is dat bepaalt wat de beoordelingsruimte is die op grond van artikel 11 Btw-richtlijn toekomt aan de lidstaten.
In praktische zin moet de rol van het Btw-comité evenwel niet worden overschat. Dit komt eerstens omdat op grond van het Ketelhandel van Paassen/Dienstbetoon Denkavit-arrest duidelijk is dat de raadplegingsprocedure niet noodzakelijkerwijs veel om het lijf hoeft te hebben.15 Ten tweede geldt dat het Btw-comité geen beslissings- of regelgevende macht heeft. De visies van het comité zijn niet bindend. Dat roept onmiddellijk de vraag op wat de waarde is van de consultatieprocedure die door artikel 11 Btw-richtlijn wordt voorgeschreven. Met enig cynisme zou kunnen worden gesteld dat een consultatie de schijn van Europese goedkeuring geeft voor een implementatie, terwijl het Btw-comité de lidstaten doorgaans maar weinig in de weg legt (en daar ook gewoon de bevoegdheden niet voor heeft).16 In dit licht valt op grond van het onderstaande, niet-limitatieve overzicht op dat het Btw-comité in de loop der jaren verschoven is als het gaat om zijn visie op een implementatie van de btw-groep met keuzerecht.
In Working Paper No. 813 uit oktober 2014, naar aanleiding van vragen uit Duitsland over HvJ EU 25 april 2013, C-480/10 (Commissie/Zweden), V-N 2013/24.15; en HvJ EU 9 april 2013, C-85/11 (Commissie/Ierland), V-N 2013/24.13, sluit het Btw-comité een facultatieve implemenatatie uit door te stellen:
“that Member States making use of Article 11 of the VAT Directive are not allowed to provide for in their national legislation an option for possible group members to decide to become part of a VAT group.”
In Working Paper No. 845 uit februari 2015 naar aanleiding van het Skandia-arrest,17 lijkt het Btw-comité wat meer ruimte te zien:
“But it is nonetheless true that Article 11 of the VAT Directive can also be used for administrative simplification purposes […]. In such circumstances, it would seem that application of the VAT grouping rules need not to be automatic.”
In Working Paper No. 1002 uit oktober 2020, naar aanleiding van een consultatie op grond van artikel 11 Btw-richtlijn door Frankrijk blijft een oordeel wat achterwege maar wordt Frankrijk geenszins ontmoedigd om een variant met keuzerecht in te voeren (wat vervolgens ook is gebeurd):
“The French VAT grouping scheme with its optional elements and wide scope can be an instrument of modernisation that is very flexible for businesses, but at the same time, also more open to abuses.
The fact that the choice of whether to become a member of a VAT group and its perimeter is freely left for businesses to determine […], are the elements that make the scheme attractive for businesses. However, these elements are not without effects on tax revenue for the State.”
In Working paper No. 1083 uit maart 2024 naar aanleiding van een consultatie op grond van artikel 11 Btw-richtlijn door Slovenië maakt het Btw-comité duidelijk dat lidstaten verschillende overwegingen kunnen hebben bij het invoeren van de btw-groep en accepteert dat dit tot verschillen tussen lidstaten kan leiden:
“Any disparity between Member States leaving it to potential group members to decide whether to join a VAT group (optional application) or imposing the use of a VAT group on members without them being able to opt out (automatic application) stems from the objectives of Article 11 of the VAT Directive.”
Al met al lijkt het Btw-comité weinig moeite te hebben met lidstaten die de beoordelingsruimte nemen die er is, bijvoorbeeld door te kiezen voor een implementatie met keuzerecht. Dat beantwoordt evenwel nog niet de vraag of artikel 11 Btw-richtlijn wel ruimte biedt voor een dergelijke implementatie.
5. Staat artikel 11 Btw-richtlijn een implementatie met keuzerecht toe?
5.1 De tekst en context van de bepaling
Zoals hiervoor reeds aangestipt is op grond van de tekst van artikel 11 Btw-richtlijn niet onmiddellijk evident dat is beoogd een implementatie met keuzerecht mogelijk te maken. De zinsconstructie: “de lidsstaat […] kan aanmerken”, suggereert eerder dat het steeds aan de lidstaat is om groepen ondernemers als zodanig aan te merken en dus niet om groepen ondernemers de mogelijkheid te bieden om aangemerkt te worden (of zichzelf aan te merken) als btw-groep. Artikel 11 Btw-richtlijn lijkt geformuleerd als mogelijkheid voor lidstaten en niet als faciliteit voor ondernemers.
Dit wordt des te duidelijker als voor het ogenblik verondersteld zou worden dat artikel 11 Btw-richtlijn géén kan-bepaling zou zijn maar een verplichte bepaling voor de lidstaten. Het lijkt dan voor de hand te liggen dat de redactie van het artikel – ceteris paribus – als volgt zou luiden:
“personen die juridisch gezien zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn worden tezamen als één belastingplichtige aangemerkt.”
Zonder de ruis van het kan-karakter van de bepaling lijkt (nog) aannemelijk(er) dat een regeling is beoogd die verplichtend werkt voor belastingplichtigen.
Ik wijs er daarbij op dat er ook kan-bepalingen zijn die – indien ervoor wordt gekozen deze te implementeren – naar hun aard óók een keuze voor belastingplichtigen impliceren. Zo bepaalt artikel 137 Btw-richtlijn:
“De lidstaten kunnen aan de belastingplichtigen het recht verlenen voor belastingheffing ter zake van de volgende handelingen te kiezen: […].”
Hier is duidelijk dat deze kan-bepaling is bedoeld om lidstaten de mogelijkheid te bieden een keuzerecht te scheppen voor belastingplichtigen. In dit verband moet worden vastgesteld dat dit in artikel 11 Btw-richtlijn niet op deze wijze is gedaan. Gesteld zou kunnen worden dat als de richtlijngever een facultatieve implemenatie van artikel 11 Btw-richtlijn mogelijk had willen maken, hij hiervoor een vergelijkbare formulering als gekozen in artikel 137 had kunnen gebruiken.18 Nu dat niet is gebeurd zou dat kunnen worden gezien als bewijs dat een faculatieve implemenatatie niet is bedoeld. Toch blijft het wat in het midden.
Hoe dan ook kan op basis van de tekst weinig twijfel bestaan dat artikel 11 Btw-richtlijn zeer wel te rijmen is met een implementatie met een verplicht karakter zoals die thans in Nederland geldt.
5.2 Doel van de regeling
Nu de tekstuele en contextuele analyse van artikel 11 Btw-richtlijn geen sluitende conclusie biedt – maar het meest wijst in de richting van een kan-bepaling met een verplichtend karakter voor belastingplichtigen – komt de vraag op of een teleologische benadering van de regeling meer duidelijkheid biedt.
Vanuit teleologisch opzicht is artikel 11 Btw-richtlijn een bijzonder geval. Dat wordt niet zozeer veroorzaakt door het feit dat de bepaling verschillende doelen dient, maar wel in het feit dat die doelen in zekere mate in strijd met elkaar komen. Ik licht dit toe.
Bij de totstandkoming van de btw-groepoptie in het unierecht werd aangegeven dat:19
“[…] in the interests of simplifying administration or of combating abuses (e.g. the splitting up of one undertaking among several taxable persons so that each may benefit from a special scheme) Member States will not be obliged to treat as taxable persons those whose ‘independence’ is purely a legal technicality.”
Van Doesum et al. wijzen erop dat de regeling lijkt te zijn gestoeld op de Duitse Organshaft gedachte20 – die met name lijkt neer te komen op een erkenning van het feit dat een enkele onderneming kan bestaan uit meerdere vennootschappen.21 Juridisch gefragmenteerd maar economisch één. Hier lijkt de Commissie ook op te doelen waar wordt gesproken over ‘whose independende is purely a legal technicality’. In die zin kan de regeling in hoofdzaak worden gezien als een wijze om recht te doen aan de economische realiteit door zoveel mogelijk rechtsvormneutraal naar de belastingplicht te kijken. Als zodanig moet de regeling worden gezien als uitwerking van de term ‘zelfstandig’ uit artikel 9 Btw-richtlijn.22 Voor deze rechtsvormneutrale blik zijn – blijkens de geciteerde passage uit het voorstel voor een Zesde Richtlijn – twee rechtvaardigingen aan te voeren.
Ten eerste kan een rechtvaardiging worden gevonden in administratieve vereenvoudiging, die zowel voor belastingdiensten als belastingplichtigen het leven eenvoudiger kan maken. Hieruit vloeit voort dat de btw-groep als één belastingplichtige wordt aangemerkt met één btw-aangifte.23 Ten tweede kan een rechtvaardiging worden gevonden in het bestrijden of voorkomen van fraude en misbruik. Fraude en misbruik zou er in kunnen bestaan dat belastingplichtigen ervoor kiezen hun activiteiten te verdelen over meerdere juridische entiteiten om op die manier tot een meer voordelige btw-positie te komen.24 Zo zouden vrijgestelde financiële activiteiten in een afzonderlijke vennootschap kunnen worden gezet om te voorkomen dat deze het evenredige aftrekrecht ‘besmetten’ van overige, met btw belaste activiteiten. In zoverre moet de regeling worden gezien als manier om eventuele malicieuze intenties van creatieve belastingplichtigen te beteugelen.
Zo bezien krijgt de regeling in zekere zin een januskop. Enerzijds is het de bedoeling te voorkomen dat belastingplichtigen misbruik maken van de subject-benadering die in de btw het uitgangspunt is. Anderzijds is het de bedoeling de heffing te vereenvoudigen met belangrijke voordelen, met name nu het aanmerken van een groep personen als één belastingplichtige noodzakelijkerwijs tot gevolg heeft dat transacties tussen die personen buiten de reikwijdte van de btw blijven.25 Vanuit die voordelen bezien is de tweede volzin van artikel 11 Btw-richtlijn logisch; deze geeft lidstaten de mogelijkheid maatregelen te nemen om fraude en misbruik die voortvloeien uit het gebruikmaken van de regeling te voorkomen. Die tweede volzin is evenwel merkwaardig indien wordt aangenomen dat de regeling nu juist bedoeld is om misbruik en fraude te voorkomen.
Dit wat schizofrene karakter is van belang (doch niet erg behulpzaam) voor de vraag of lidstaten mogen kiezen voor een implementatie met keuzerecht. Immers, indien de regeling primair wordt gezien als mogelijkheid om fraude en misbruik te bestrijden dan past een facultatief karakter daar niet bij. Voor zover de regeling primair als faciliteit wordt gezien die het (administratieve) leven van belastingplichtigen er eenvoudiger op kan maken, dan ligt een facultatief karakter veel meer voor de hand. Tot slot moet evenwel ook worden opgemerkt dan indien en voor zover het bereiken van rechtsvormneutraliteit als uiteindelijke, overkoepelende doelstelling van de regeling wordt gezien, facultatieve toepassing minder wenselijk lijkt. Immers, (rechtsvorm)neutraliteit is er juist op gericht om zoveel mogelijk gelijke behandeling van gelijke gevallen tot stand te brengen wat zich slecht laat verhouden tot een keuzerecht. Overigens geldt in dit verband dat indien de rechtsvormneutraliteit écht serieus zou worden genomen ook het kan-karakter van de bepaling – dat leidt tot verschillen tussen de lidstaten – weinig voor de hand liggend is.26
Op conceptueel niveau komt in dit verband de vraag op of lidstaten bij implementatie van artikel 11 Btw-richtlijn in feite een keuze maken voor ófwel een instrument dat bedoeld is fraude en misbruik te vookromen, ófwel een faciliteit die bedoeld is als vereenvoudiging en die voordelen biedt voor belastingplichtigen. Zo bezien zou kunnen worden beargumenteerd dat het kan-karakter van artikel 11 Btw-richtlijn niet alleen de keuze inhoudt om wel of niet te implementeren maar ook een keuze inhoudt voor welke variant (instrument voor msibruikbestrijding of faciliteit voor vereenvouding) wordt geimplementeerd. Uiteraard is helder dat die ‘keuze’ (als deze al als zodanig zou worden gepercipieerd door de lidstaten) in praktische zin in belangrijke mate zonder gevolg blijft. Immers, indien een lidstaat primair beoogt fraude en misbruik te bestrijden en daarom een btw-groep invoert kan die lidstaat niet voorkomen dat het ook leidt tot vereenvouding en de daarmee samenhangende voordelen. Die vloeien immers rechtstreeks voort uit het unierecht. Desalniettemin is deze keuze (althans de overwegingen die in een lidstaat een rol spelen bij implementatie) van belang bijvoorbeeld voor de vraag of het voor de hand ligt om de regeling in die lidstaat facultatief te maken. In die zin is het nuttig om te onderzoeken welke overwegingen in Nederland ten grondslag hebben gelegen aan de invoering van de fiscale eenheid.
6. Achtergrond Nederlandse regeling27
De Nederlandse figuur van de fiscale eenheid bestond reeds voordat van een unierechtelijke kan-bepaling sprake was. Gesteld kan worden dat de Nederlandse rechtsfiguur een derivaat was van de Duitse Organshaft-gedachte die ten grondslag heeft gelegen aan wat uiteindelijk artikel 11 Btw-richtlijn is geworden. De Nederlandse fiscale eenheid is in zoverre vooraf gegaan aan de Unierechtelijke btw-groep. Uiteindelijk heeft dat geen belang nu het Unierecht voorrang heeft op het nationale recht en de Nederlandse implementatie – anciëniteitsclaims ten spijt – gewoon gedicteerd wordt door de Btw-richtlijn.
Het concept van entiteitsgroepering ontstond voor het eerst in de Nederlandse jurisprudentie met betrekking tot de fabrikantenbelasting die in 1933 werd ingevoerd. De verschuldigde belasting werd berekend als een percentage van de prijs die de fabrikant bij verkoop ontving. Leveringen van goederen door andere partijen dan fabrikanten vielen buiten het toepassingsgebied van de belasting.
Dit onderscheid bracht verschillende fabrikanten ertoe ontwijkingsconstructies te bedenken. Een constructie bestond doorgaans uit het opzetten van een afzonderlijke rechtspersoon die echter volledig onder controle van de fabrikant stond. De fabrikant zou zijn goederen aan deze afzonderlijke rechtspersoon verkopen voor een zeer lage prijs – waarover dus weinig belasting verschuldigd was. Vervolgens zou de gecontroleerde rechtspersoon de ‘werkelijke’ verkopen aan derden doen voor normale prijzen. Omdat die verkopen door een afzonderlijke rechtspersoon die zelf geen ‘fabrikant’ was werden gedaan werden deze geacht de belasting te ontlopen. De Tariefcommissie verwierp deze ‘oplossing’ op grond van de aanduiding van de ‘fabrikant’ dat de belastingplichtige in de wetgeving niet noodzakelijkerwijs verwees naar een enkele rechtspersoon, en dat in een dergelijk geval van volledige controle beide rechtspersonen voor de toepassing van de belasting tezamen als één 'fabrikant' moesten worden beschouwd.
Toen de fabrikantenbelasting werd vervangen door de cumulatieve omzetbelasting van 1954, handhaafde de Tariefcommissie het uitgangspunt dat de aanduiding van de ‘ondernemer’ door de wetgever niet een situatie uitsloot waarbij, voor belastingdoeleinden, meerdere afzonderlijke rechtspersonen als één subject werden beschouwd. Dit vloeide in de ogen van de Tariefcommissie rechtstreeks voort uit de tekst, context en doelstellingen van de relevante wetgeving. Hoewel het uitgangspunt voor het eerst naar voren kwam in de context van procedures met betrekking tot ontwijkingsconstructies, was het daartoe niet beperkt. Mits aan verschillende materiële voorwaarden werd voldaan, moesten afzonderlijke rechtspersonen van rechstwege als één belastingplichtige worden beschouwd. Zelfs de invoering van de Eerste en Tweede Richtlijn bracht Nederland aanvankelijk niet tot codificatie, hoewel duidelijk was dat Nederland de btw-groepoptie bedoelde te implementeren.28
Uiteindelijk besloot de wetgever alsnog om de btw-groepoptie te codificeren, als onderdeel van een grotere aanpassing aan het unierecht van het ondernemerschap in de omzetbelasting. Gezien de historische context bleef een toelichting op dit deel van de wetswijziging zeer beperkt. In de memorie van toelichting wordt er nauwelijks een woord aan gewijd, maar in de memorie van antwoord gaat de staatsscretaris in op vragen van de CDA- en VVD-fracties die blijk geven van een voorkeur voor een facultatieve regeling. De staatssecretaris stelt slechts vast dat de unierechtelijke bepaling de mogelijkheid biedt de bestaande praktijk voort te zetten.29
Het is gevaarlijk al te zware teleologische conclusies te verbinden aan het voorgaande. De oorspronkelijke achtergrond van de entiteitengroep in de Nederlandse indirecte belastingen lijkt evenwel eerstens te zijn gelegen in het bestrijden van misbruik en een interpretatie van wie als ‘zelfstandig’ ondernemer kan worden aangemerkt. In dat laatste lijkt besloten te liggen dat met name de Tariefcommissie op rechtsvormneutrale wijze keek maar het rechtssubject.30 Veel minder evident is het dat administratieve vereenvoudiging of de voordelen die het vormen van een fiscale eenheid bieden hierbij een belangrijke rol speelden. In die zin kan worden geconcludeerd dat het, gezien hetgeen in paragraaf 5 hiervoor werd besproken, logisch is dat Nederland tot op heden niet heeft gekozen voor een implementatie met keuzerecht. De doelstellingen van misbruikbestrijding en rechtsvormneutraliteit verzetten zich daar tegen. Uiteraard is het gewicht van die conclusie relatief: indien Nederland zou besluiten artikel 7 lid 4 Wet OB 1968 zo aan te passen dat een keuzerecht ontstaat voor belastingplichtigen dan is historische inconsistentie daarvoor geen beletsel.
7. Wat kan Nederland doen?
De conclusies uit voorgaande zijn wat ambigu. Zowel tekstueel als teleologisch is het bepaald niet boven twijfel verheven of de richtlijnbepaling lidstaten de mogelijkheid biedt een btw-groepoptie in te voeren die een keuzerecht in zich draagt. Feit is echter ook dat er een grote meerderheid van lidstaten is die voor een dergelijke implementatie hebben gekozen, daarbij gesteund door het Btw-comité en, meer impliciet, door de Europese Commissie, die deze praktijk immers in stand laten zonder inbreukprocedures. Toch denk ik dat het invoeren van een btw-groep met keuzerecht een Unierechtelijk risico inhoudt, in die zin dat indien de Europese Commissie op enig moment een inbreukprocedure zou starten tegen één van de lidstaten met een keuzerecht, de kans naar mijn indruk substantieel is dat die inbreukprocedure succesvol zal zijn. Met andere woorden: er bestaat een serieus risico dat het invoeren van een keuzerecht in strijd is met het Europese recht.
Ik wijs erop dat indien Nederland desondanks deze keuze zou maken, er nog verschillende ‘designopties’ op tafel liggen. Zo komt de vraag op of een facultatief karakter zou moeten inhouden dat een groep persoenen die aan de voorwaarden voldoen alleen mag kiezen om met alle kwalificerende personen een fiscale eenheid te vormen of dat op dat niveau cherry picking mogelijk is (dat wil zeggen, kiezen welke kwlificerende eniteiten wél en welke niet to de fiscale eenheid gaan behoren). Mij lijkt de cherry picking-variant te ver gaan, mede gezien het doel van de regeling, en de mogelijke budgetaire gevolgen van een dergelijke, zeer flexibele implementatie.
Daarnaast ligt het voor de hand om de rol van de beschikking opnieuw onder de loep te nemen indien wordt gekozen voor een implementatie met keuzerecht. Naar mijn indruk zou het voor de hand liggen van die beschikking (andermaal) een constitutief vereiste te maken, die de keuze van de belastingplichtige weerspiegelt. Op verzoek kan de fiscale eenheid dan via de beschikking worden aangegaan en beëindigd via een voor bezwaar vatbare beschikking. Overigens lijkt het in dat verband ook logisch een minimumperiode vast te stellen waarin de optie geldt (bijvoorbeeld drie jaar), om te voorkomen dat op opportunistische gronden voortdurend fiscale eenheden worden aangegaan, verbroken en weer aangegaan indien het zo uitkomt.
8. Slot
Op grond van de richtlijnbepaling valt sterk te betwijfelen of het ooit de bedoeling is geweest lidstaten de mogelijkheid te geven een keuzerecht in te voeren wanneer artikel 11 Btw-richtlijn wordt geïmplementeerd. Geheel zonder risico is het invoeren van een keuzerecht in de nationale fiscale eenheid dan ook niet. Immers, het HvJ EU heeft zich nooit over deze kwestie uitgelaten en strijdigheid met het Europese recht lijkt een serieus risico. Gezien de praktijk in een heel aantal andere lidstaten lijkt het alleen op strikt praktische gronden mogelijk te onderbouwen dat kiezen voor een fiscale eenheid met keuzerecht een optie is.
De wijziging zou in Nederland bovendien een zekere trendbreuk betekenen nu de Nederlandse fiscale eenheid van oudsher meer gestoeld lijkt op rechtsvormneutraliteit en het voorkomen van misbruik. Desalniettemin zou de wijziging een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van het ondernemersklimaat vanuit het oogpunt van de indirecte belastingen waarbij ik opmerk dat Nederland op dit punt in feite – samen met Duitsland en Oostenrijk – achter een grote meerderheid van lidstaten aanhobbelt.
Voor zover de angst bestaat dat ondernemers de geboden faciliteit gaan misbruiken wijs ik er op dat de tweede volzin van artikel 11 Btw-richtlijn alle ruimte biedt om in dit kader vangrails aan te brengen.