Rb. Zeeland-West-Brabant, 03-11-2026, nr. 02-126515-26
ECLI:NL:RBZWB:2026:10685
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
03-11-2026
- Zaaknummer
02-126515-26
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2026:10685, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 03‑11‑2026; (Op tegenspraak)
Uitspraak 03‑11‑2026
Inhoudsindicatie
Veroordeling voor het medeplegen van de verlengde uitvoer van cocaïne en heroïne tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek.
Partij(en)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-126515-26
vonnis van de meervoudige kamer van 3 november 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats]
thans gedetineerd te PI [locatie]
raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 oktober 2026, waarbij de officier van justitie, mr. S.A.A.P. van Hees, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander bezig was met het uitvoeren van 4,8 kilo cocaïne en 3,9 kilo heroïne.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van 4,8 kilo cocaïne en 3,9 kilo heroïne.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken omdat niet vastgesteld kan worden dat zijn opzet was gericht op de uitvoer van 8,7 kilo harddrugs.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Uit de bewijsmiddelen volgt dat in een verborgen ruimte van de auto waarin verdachte en medeverdachte op 29 april 2026 reden 4800 gram cocaïne en 3900 gram heroïne is gevonden. Door verdachte is tijdens de zitting verklaard dat zij onderweg waren naar Frankrijk. Verdachte heeft bekend dat hij wist van de aanwezigheid van drugs in de auto, maar dat aan hem verteld was dat het zou gaan om één kilo. Hij reed mee om controle te houden op het transport van een kilo drugs, zodat de persoon die de drugs vervoerde of anderen de drugs niet zouden stelen. Hij zou daar een bedrag van €600,- voor krijgen.
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat hij geen voorwaardelijk opzet had op het vervoeren van harddrugs, nu het ook om softdrugs zou kunnen gaan. Verdachte heeft slechts wetenschap van de aanwezigheid van een kilo drugs bekend. Hierbij is door verdachte niet gespecificeerd welk soort drugs dat was. De rechtbank stelt vast dat verdachte inderdaad niet heeft benoemd welk soort drugs er zou worden vervoerd. Verdachte heeft echter zelf ook niet verklaard dat hij dacht dat er softdrugs zouden worden vervoerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs kostbaar zijn, waardoor het risico op diefstal van de drugs groot is. Uit de verklaring van verdachte en het procesdossier volgt niet dat verdachte nader onderzoek heeft gedaan naar waar zijn werkzaamheden als controleur precies op zouden zien. Wanneer iemand onder die omstandigheden instemt met het houden van toezicht op een drugstransport, aanvaardt die persoon naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans dat de drugs waarover wordt gesproken harddrugs zijn. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte de hoeveelheid drugs heeft gecontroleerd voordat hij plaatsnam in de auto. Door in te stemmen met een transport van enige hoeveelheid drugs, heeft verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de hoeveelheid die werd vervoerd groter was dan de hoeveelheid waarover hij een afspraak zou hebben gemaakt.
Alles overwegende acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan de verlengde uitvoer van 4800 gram cocaïne en 3900 gram heroïne.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 29 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijk tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht,- 4800 gram cocaïne, en- 3900 gram heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte een gevangenisstraf van 46 maanden op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt primair te volstaan met een gevangenisstraf die gelijk is aan voorarrest, daarbij een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijk strafdeel met bijzondere voorwaarden. Subsidiair verzoekt zij een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van harddrugs. De gemiddelde gebruikershoeveelheid van cocaïne en heroïne is 0,5 gram per keer. Van de in totaal 8,7 kilo harddrugs zou dus 17.400 keer gebruikt kunnen worden. Het gebruik van cocaïne en heroïne brengt grote schade mee voor de gezondheid. De hoeveelheid drugs die verdachte samen met zijn medeverdachte het land uit probeerde te brengen, zou een enorme schade kunnen toebrengen en vele levens van gebruikers en hun naasten kunnen raken. Daarbij komt dat harddrugs voor criminele organisaties zeer winstgevend zijn. De aangetroffen hoeveelheid drugs heeft een geschatte straatwaarde tussen € 400.000,00 en
€ 450.000,00. Criminelen hebben er zeer veel voor over om mee te delen in de winst. Dit zorgt ervoor dat de keten van de harddrugs van productie tot gebruiker wordt omgeven door geweld. Verdachte heeft met zijn handelen de gezondheidsschade, de drugscriminaliteit en het geweld in stand geprobeerd te houden en dat is naar het oordeel van de rechtbank een ernstig feit.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten. Bij de aangetroffen hoeveelheid is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 44 tot 46 maanden genoemd. Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal daarnaast ook rekening houden met de persoonlijke omstandigheden die door verdachte zijn aangevoerd. Verdachte heeft bovendien ter zitting inzicht getoond in en verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Gelet op die omstandigheden zal de rechtbank in het voordeel van verdachte afwijken van de vordering van de officier van justitie. Zij legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 36 maanden en bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht hierop in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van die straf.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel. De door verdachte gewenste ondersteuning kan binnen de penitentiaire inrichting worden geboden op het moment waarop verdachte aan zijn re-integratie in de maatschappij zou gaan werken. Wanneer de rechtbank wel een voorwaardelijk strafdeel bij de gevangenisstraf op zou leggen, dan zou dit in de weg staan aan de mogelijkheden van verdachte om in aanmerking te komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Hierdoor zou verdachte mogelijk effectief langer vastzitten dan wanneer de rechtbank geen voorwaardelijk strafdeel op zou leggen. De rechtbank kiest daarom bewust voor een geheel onvoorwaardelijke straf zodat de kansen van verdachte op een voorwaardelijke invrijheidstelling niet op voorhand al worden weggenomen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdediging heeft verder verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen dan wel te schorsen. De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden die eerder door de raadkamers van de rechtbank en het gerechtshof zijn aangenomen nog altijd aanwezig zijn. Zij wijst om die reden het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de door de verdediging aangevoerde persoonlijke belangen onvoldoende zwaarwegende zijn om te kunnen oordelen dat het persoonlijke belang van verdachte voorgaat op het strafvorderlijke belang bij het voortduren van de voorlopige hechtenis. De rechtbank wijst daarom het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af.
7. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
8. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van deOpiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.H.M. Pastoors, voorzitter, mr. D. van Kralingen en
mr. A. Bloemendal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 3 november 2026.
9. Bijlage I
De tenlastelegging
hij op of omstreeks 29 april 2026 te Zevenbergschen Hoek, gemeente Moerdijktezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,opzettelijkbuiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans in bezit heeft gehad,- ongeveer 4800 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of- ongeveer 3900 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne,zijnde cocaïne en/of heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 5 Opiumwet, art 2 ahf/ond A Opiumwet, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )