Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/5.2.3.3
5.2.3.3 De sanctiefase: is geheel verval (steeds) gerechtvaardigd?
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS360630:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit 'eerste' arrest van de Hoge Raad over de (sanctionering bij) 'te late melding' in de zin van de polis (het Polygram-arrest, NJ 2006, 378, m.nt. MMM) heeft tot aan de dag waarop het latere arrest is gewezen, de gemoederen bezig gehouden. Met name de door de Hoge Raad geaccordeerde proportionele benadering heeft tot veel (wonderlijke?) opwinding geleid. Zie over deze uitspraak N. van Tiggele-van der Velde, 'Proportionele korting bij te late melding', AV&S 2006, nr. 21 en C.E. Drion en T.H.M. van Wechem, 'Proportionele redelijkheid en billijkheid', NJB 2006, nr. 10, p. 567 e.v.. Zie - in reactie op het artikel van Drion en Van Wechem, alsook in reactie op een annotatie van T. Hartlief, 'Royal&Sun Alliance/Universal Pictures: redelijkheid en billijkheid als fundament voor een proportionele benadering', AA april 2007, p. 358 e.v. - de polemiek tussen de NJ -annotator Mendel ('Wonderlijke opwinding over een proportionele benadering door de Hoge Raad') en de drie genoemde auteurs: AV&S 2007, nr. 4, p. 171 e.v... Zie ook hierover J.G.C. Kamphuisen, 'Afgewogen proporties', AV&S 2007, nr. 40.
NJ 2008, 57, m.nt. MMM, alsook (eerder) geannoteerd door N. van Tiggele-van der Velde in JA 2007, nr. 184.
N. van Tiggele-van der Velde, 'Proportionele korting bij te late melding', AV&S 2006, nr. 21. Ook Hartlief, t.a.p., p. 363 spreekt over een derde optie die zich aandient: een 'gemodelleerde' sanctie waarvan de inhoud zich niet steeds zal opdringen en dus ook weer verschillende vormen kan aannemen.
Hartlief, t.a.p., p. 363.
Vgl. N. van Tiggele-van der Velde, t.a.p., p. 131: de geringe motiveringseisen komen de voorspelbaarheid van de toetsing van een beroep op te late melding door de (lagere) rechter niet ten goede.
N. van Tiggele-van der Velde, t.a.p., p. 131.
MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, B, p. 15.
Opvallend is dat de proportionele manier van afwikkelen, die op de grens van het verze-kerings- en civiele recht tot zoveel commotie heeft geleid (zie de historie in noot 41) binnen de CAR-arbitragepraktijk al in 1995 'ingevoerd' was. Zie AB 21 juli 1995, BR 1998, p. 234. In deze zaak draaide het om sluisdeuren, waarvan de coating was gaan onthechten. Verzekeraars beriepen zich hier op de belangenbenadeling door te late melding en arbiters volgen hen daarin: 'De belangenbenadeling van assuradeuren bestaat uit de extra en de hogere kosten van de behandeling van 10 sluisdeuren, omdat deze nu op lokatie in D. moesten worden behandeld, terwijl bij onderkenning van de ernst van de schade-oorzaken in april 1984 en tijdige melding daarvan aan assuradeuren de deuren in aansluiting op het conserveringsproces behandeld hadden kunnen worden bij Machinefabriek V. BV te H., waar de nodige voorzieningen aanwezig waren, zodat geen echte voorzieningen behoefden te worden getroffen c.q. bijzondere equipment behoefde te worden gehuurd, terwijl tevens de behandelingen op een logischer wijze op elkaar konden worden afgestemd en in een economischer volgorde konden verlopen, zodat ook een aanzienlijk kortere behandelingsperiode nodig zou zijn geweest.' Arbiters oordelen uiteindelijk dat de verergering van de schade voor rekening van de verzekerde diende te blijven. In de uiteindelijke afwikkeling van de schade leidde dit ertoe dat van de totale schade van 1,1 miljoen gulden, slechts 325.000 voor rekening van verzekeraars diende te komen. Zie over (onder meer) deze uitspraak de annotatie van Dorhout Mees in BR 1998, 247, waarin hij reeds daar en toen de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid en de daarmee samenhangende stel- en bewijsplicht besprak.
Verzekeraars hebben, nadat zij eerst op 11 oktober 2001 de melding van aansprakelijkheidsstelling ontvingen, zich op het standpunt gesteld dat het recht van verzekerde op uitkering was vervallen nu de schade niet, zoals voorgeschreven in het vervalbeding onder 25.5, binnen drie jaar nadat de verzekerde bekend was met de schade, bij haar is aangemeld.
De Hoge Raad overweegt op dit punt slechts dat 'krachtens het toepasselijke overgangsrecht' titel 7.17 BW niet van toepassing is. Een korte gedachte van verwondering gaat daarbij door het hoofd, omdat titel 7.17 BW, die op 1 januari 2006 in werking is getreden, in beginsel - een aantal in art. 221 Ow NBW geschetste situaties, waar art. 7:941 lid 4 BW geen deel van uitmaakt, uitgezonderd - toch onmiddellijke werking heeft. De verklaring ligt evenwel, naar ik aanneem, in art. 74 lid 3 Ow, waarin is bepaald dat 'het tevoren geldende recht' van toepassing blijft, indien een geding in hoogste feitelijke instantie in staat van wijzen verkeert op het tijdstip waarop de wet van toepassing wordt (het hof heeft op 15 september 2005 arrest gewezen).
Valk 2007, (T&C BW), art. 6:248 BW, aant. 4.
Nadere MvA, Kamerstukken I 2004/05, nr. 19 529, E, p. 10.
Eerder, Wansink-bundel p. 433, heb ik aangegeven dat als 'werkbaar uitgangspunt' bij de beoordeling van het begrip belangenbenadeling genomen dient te worden, dat daarvan sprake is, indien de verzekeraar door die late melding tot meer verplicht zou zijn dan waartoe hij verplicht was geweest, indien de schade tijdig was gemeld.
Kamerstukken I 2004/05, nr. 19 529, E, p. 10. De Hoge Raad heeft de door mij bedoelde passage wel (instemmend?) overgenomen onder 4.1, maar gaat er later bij de overwegingen omtrent het bewijs niet op in.
Hartlief, t.a.p., p. 361 gaat daarvan uit.
Nadere MvA, Kamerstukken I 2004/05, 19 529, nr. D, p. 6.
Art. 7:941 lid 3 is daarmee de bijzondere grondslag voor schadevergoeding, gebaseerd op een eigen gehoudenheid van de derde (ook wel aangeduid als 'de tot uitkering gerechtigde' in afd. 7.17.1 en 'verzekerde' in afd. 7.17.2) tot nakoming van de meldingsplicht. Deze gehoudenheid, ook wel Obliegenheit genoemd, vindt zijn grondslag in art. 7:926 lid 2, in welk artikel onder 'de tot uitkering gerechtigde' mede verstaan wordt 'degene die door aanvaarding van de aanwijzing recht op uitkering kan krijgen'.
Van Tiggele-van der Velde, AV&S 2006, nr. 21, p. 131.
Kamerstukken I 2004/05, nr. 19 529, E, p. 10.
Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam zal het, ingeval de verzekeraar zich op de te late melding beroept en stelt dat hij daardoor in een redelijk belang is geschaad, in beginsel aan de verzekerde zijn om daartegenover aan te voeren dat de schade niettemin kan worden vastgesteld, zodat het beroep op lid 4 dient te worden gepasseerd.
Een tweetal uitspraken van de Hoge Raad verdient in dit verband aandacht, te weten die van de van 17 februari 20061 en diens 'opvolger' van 5 oktober 2007.2 Bewijsrechtelijk is het laatste arrest het meest interessant, maar om de door de Hoge Raad toegelaten proportionele sanctionering bij te late melding goed te kunnen plaatsen, is het goed om ook het eerste arrest (het Polygram-arrest) kort te bespreken.
Het Polygram-arrest en de daarin door de Hoge Raad gesanctioneerde proportionele benadering
In een geschil dat zijn basis vindt in de uitzending van een documentaire over het leven van wereldkampioen vedergewicht boksen Barry McGuigan stelt de (voormalige) manager van McGuigan door die documentaire schade te lijden en hij stelt een schadevergoedingsactie in wegens smaad en laster. Partijen schikken de kwestie uiteindelijk en inzet van de verzekerings-rechtelijke kwestie is de vergoeding (tot het bedrag van de schikking en de kosten voor rechtsbijstand) onder de aansprakelijkheidsverzekering, zoals deze door Polygram en haar verzekeraars, Royal c.s., is gesloten. De aansprakelijkheidsverzekeraars verweren zich - voor zover hier van belang -door te stellen dat de melding niet is gedaan 'as soon as practicable after the accident comes to the knowledge of the Insured'. Royal c.s. stellen dat zij bij tijdige melding een beter schikkingsresultaat zouden hebben weten te bereiken.
Een te late melding dus en op het punt van de belangenbenadeling stond centraal de vraag of die belangenbenadeling dusdanig was, dat zij een algeheel verval van het recht op uitkering - zoals door partijen bij vervalbeding toch was overeengekomen - rechtvaardigde. Het Hof oordeelde dat het beroep op het bedoeld beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. De Hoge Raad overweegt in r.o. 4.7 als volgt:
'4.7 (... ) Het bestreden oordeel (van het hof, NvT) is in de kern gebaseerd op de omstandigheid dat Royal c.s. slechts in zeer geringe mate zijn benadeeld door de 'late notification' van de vordering van de manager, welk nadeel volledig wordt gecompenseerd door een aftrek toe te passen van 10% van het verzekerde schadebedrag.
Door op grond hiervan het beroep van Royal c.s. op art. 1.1 van de polis naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar te achten, heeft het hof niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 6:248 lid 2 BW heeft immers ook betrekking op verzekeringsovereenkomsten. Wat betreft de motiveringsklacht van het onderdeel is van belang dat het hof kennelijk van oordeel was dat een beroep op het onderhavige polisbeding, gelet op het ingrijpende karakter van de daarin opgenomen sanctie, onvoldoende daardoor wordt gerechtvaardigd dat Royal c.s. als gevolg van de niet-tijdige nakoming door Polygram van haar meldingsplicht de mogelijkheid is onthouden om tijdig zelfstandig onderzoek te doen, feiten en omstandigheden te verzamelen die van belang zijn voor de dekkingsvraag en zelf in een vroeg stadium van het geschil een schikkingspoging te ondernemen. Het hof heeft zich immers in staat geacht de mate waarin de verzekeraar is benadeeld door de te late melding van de onderhavige schade, zelfstandig vast te stellen en heeft dit nadeel in mindering gebracht op het door de verzekeraar uit te keren bedrag. Mede in aanmerking genomen het aan het Burgerlijk Wetboek ten grondslag liggende uitgangspunt dat nietigheden in beginsel niet verder reiken dan de strekking daarvan meebrengt, welk uitgangspunt mede van belang is bij de beoordeling van een beroep op het onderhavige vervalbeding, is het hof ook niet in zijn motiveringsplicht tekortgeschoten.
In een bespreking van dit arrest heb ik aangegeven dat door dit arrest een beslisboom met drie takken ontstaat, nu naast de twee al bestaande mogelijkheden (1. er is geen redelijke benadeling, dus volledige vergoeding van schade, en 2. er is een redelijke belangenbenadeling van dien aard dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid het volledig verval van het recht op uitkering gerechtvaardigd is) een derde optie is ontstaan, te weten 3. 'er is een belangenbenadeling, die naar haar aard en/of omvang naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid slechts rechtvaardigt een proportionele korting op de te vergoeden schade toe te passen, dan wel in geval de belan-genbenadeling eenvoudig is te kwantificeren, slechts rechtvaardigt het bedrag daarvan op de uitkering aan de verzekerde in mindering te brengen'.3
Hoewel die derde variant onder omstandigheden (zie hieronder) toe te juichen valt, zie ik met Hartlief wel dat, zoals hij het uitdrukt, 'slijtage' kan optreden in die zin dat rechters geneigd zullen zijn om - binnen het kader van art. 6:248 lid 2 BW - eerder naar de 'maatoplossing' te grijpen dan zij voorheen kozen voor afwijzen van het beroep van het overeengekomene.4Een dergelijke benadering draagt het risico van onvoorspelbaarheid in zich: dat is enerzijds ten aanzien van de vraag óf door de rechter ingegrepen zal worden ('fs handhaving van het overeengekomene nu echt onaanvaardbaar?'), en anderzijds doordat - ook in de woorden van Hartlief - een zeker 'abracadabra'-gehalte in rechterlijke uitspraken op de loer ligt.5
Terughoudendheid is ook geboden om een andere - meer inhoudelijke -reden. In mijn eerder genoemde annotatie heb ik terughoudendheid bepleit in de toepassing van de derde variant binnen het verzekeringsrecht: Variant 3 zal in de regel niet aan de orde zijn indien de belangenbenadeling zit in het niet kunnen vaststellen van de schadeoorzaak (en daarmee van de vraag of er een al dan niet gedekte oorzaak is).6 Illustratief is het volgende citaat van de minister:
'Gevraagd is vervolgens of een beroep op een beding tot verval van uitkering bij niet-nakoming van de meldings- en inlichtingenplicht bij schade ook afhankelijk zou moeten zijn van de mate van schade die de verzekeraar lijdt. Een zodanige toevoeging zou echter problematisch zijn, omdat nu juist in nogal wat gevallen niet met zekerheid valt te zeggen of en in welke mate de verzekeraar schade lijdt door de niet of niet-tijdige melding of gegevensverstrekking. Met name doet zich dit voor wanneer de verzekeraar niet in staat is geweest tijdig een grondig onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de schade. Bij onzekerheid daaromtrent kan wél worden vastgesteld dat de verzekeraar in een redelijk belang is geschaad, maar niet dat en in welke mate hij daardoor schade heeft geleden. Om die reden verdient de voorgestelde regeling van lid 4, die overeenstemt met hetgeen op dit punt voor het huidige recht algemeen wordt geleerd, de voorkeur.'7
Ook voor het overige dient de derde variant mijns inziens met terughoudendheid te worden toegepast. Ik denk bij toepassing met name aan gevallen, waarin de belangenbenadeling in kwantitatieve zin beperkt is.8
De vraag die het Polygram-arrest deed rijzen, te weten of deze trend, waarbij het verzekeringsrecht in de richting van het algemeen contractenrecht getrokken wordt, zich zou voortzetten, lijkt - in ontkennende zin - te worden beantwoord in het latere arrest van 5 oktober 2007.
Hoge Raad 5 oktober 2007, de casus
Allereerst ook hier kort de feiten. In de uiteindelijk aan de Hoge Raad voorgelegde zaak vindt het geschil zijn oorzaak in de werkgeversaansprakelijkheid van de Omroepstichting TROS: een freelance redacteur, Westerlaken, heeft de TROS - na een periode van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van RSI-klachten, waarmee de TROS reeds vanaf februari 1997 bekend was - met succes aansprakelijk gesteld op de voet van art. 7:658 BW. Inzet in de verzekeringsrechtelijke kwestie is de door de TROS ingestelde vordering tegen haar aansprakelijkheidsverzekeraars om verzekeringsdekking te verlenen voor de schade die zij lijdt als gevolg van deze door de kantonrechter aan Westerlaken toegewezen vordering. Het verweer van verzekeraars richt zich primair erop dat voor een beroep op het vervalbeding niet is vereist dat zij door de te late schademelding9 in hun belangen zijn geschaad. Subsidiair hebben zij gemotiveerd betoogd dat zij door die te late melding wel degelijk in hun redelijke belangen zijn geschaad omdat aan hen daardoor de mogelijkheid is onthouden om tijdig zelfstandig onderzoek te doen (naar onder andere de werkplek van Westerlaken en zijn werkomstandigheden), alsook de mogelijkheid is onthouden om te kunnen proberen om Westerlaken te reïntegreren in het arbeidsproces.
Gedachten over de inhoud en de verhouding tot het eerder besproken Polygram-arrest ('primair verweer')
Alvorens over te gaan tot inhoudelijke bespreking van de zaak, is het goed zich te realiseren dat - gelijk de Hoge Raad in zijn beoordeling ook vooropstelt - op het onderhavige geschil titel 7.17 BW niet van toepassing is.10Die vaststelling is wezenlijk omdat ingeval dat anders was geweest en art. 7:941 lid 4 BW wel van toepassing was geweest, dit de beoordeling van het primaire geschilpunt beduidend eenvoudiger had gemaakt. Dit laatste artikel, immers, gaat er vanuit dat de verzekeraar op het vervallen van het recht op uitkering slechts een beroep kan doen, voor het geval hij daardoor in een redelijk belang is geschaad. Het is - naar ik aanneem - ook om die reden dat de Hoge Raad in zijn beoordeling vervolgens ruim aandacht vraagt voor die (niet toepasselijke) regeling. Door inzicht te geven in de parlementaire geschiedenis komt de Hoge Raad vervolgens in r.o. 4.2 tot de conclusie, dat juist is, het door het Hof gegeven oordeel dat reeds ten tijde van de schademelding een ongeschreven rechtsregel gold die overeenstemt met de bepaling van het vierde lid van het nadien ingevoerde art. 7:941 BW. Het primaire verweer van verzekeraars is hiermee, naar de Hoge Raad uiteindelijk ook oordeelt, terecht en op goede gronden verworpen.
Niettemin gaat de Hoge Raad onder 4.2 nog in op het hierboven genoemde Polygram-arrest, waar hij overweegt:
'Ook aan het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2006, nr. C04/322 (Polygram, NvT), NJ 2006, 378, ligt deze opvatting al ten grondslag, met dien verstande dat het in dat arrest gegeven oordeel, gelet op het tussen partijen gevoerde debat, toen nog in de sleutel van art. 6:248 lid 2 is gezet'.
De Hoge Raad lijkt daarmee een signaal af te geven dat doet vermoeden dat - eerder dan een 'royalere' toepassing langs de weg van art. 6:248 lid 2 BW te hoeven vrezen - de afwikkeling van het verval van het recht op uitkering bij de niet-nakoming van de meldingsplicht, weer is teruggebracht in de meer eigen setting: een afwikkeling binnen de verzekeringsrechtelijke verhoudingen zoals deze als sluitstuk van een ontwikkeling in art. 7:941 lid 4 BW haar weerslag vindt. Het is dan de in het vierde lid besloten liggende norm van de redelijkheid en billijkheid die op het moment dat de omvang van de schade wél kan worden vastgesteld (hetzij in concreto, hetzij bij wijze van schatting), met zich brengt dat niet de sanctie van algeheel verval van het recht op uitkering toepassing vindt, maar dat volstaan wordt met het in mindering brengen op de uitkering van de schade.
Door dit terugbrengen in de eigen setting wordt ook het eerder genoemd risico van 'slijtage' in de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW voorkomen en kan daar worden vastgehouden aan de 'nodige terughoudendheid in de toepassing van lid 2'11 die in de term onaanvaardbaar tot uitdrukking is gebracht.
Bewijsrechtelijke aspecten van de zaak ('subsidiair verweer')
Het subsidiair verweer, zoals dat hiervoor is weergegeven en kennelijk in cassatie is vervat onder de onderdelen 2.1 en 2.3, vat de Hoge Raad aldus samen, dat de middelen opkomen tegen het oordeel van het hof dat de verzekeraars onvoldoende concrete feiten hebben gesteld om het vermoeden te rechtvaardigen dat het missen van de door hen aangeduide onderzoeks-en reïntegratiemogelijkheden hen daadwerkelijk in een ongunstiger positie heeft gebracht (als door het hof in de kernoverweging 4.6.2 weergegeven). Bij het beoordelen van de middelen geeft de Hoge Raad vervolgens een prachtig richtsnoer over de onderlinge bewijsrechtelijke verhoudingen die een beroep op late melding - kennelijk ook zonder dat daar een wettelijke bepaling als art. 7:941 lid 4 aan ten grondslag ligt - met zich brengt:
'Indien de verzekeraar aan wie de verwezenlijking van een verzekerd risico wordt gemeld, zich op een contractueel vervalbeding wenst te beroepen op de grond dat deze melding buiten de in het beding genoemde termijn, en dus te laat, is gedaan, dient hij onder opgave van redenen mede te stellen dat hij door die te late melding in zijn redelijke belangen is geschaad. Het ligt vervolgens op de weg van de verzekerde zoveel mogelijk gemotiveerd te stellen dat en waarom de verzekeraar door die te late melding niet in een redelijk belang is geschaad. Indien de verzekerde zijn betwisting van het verweer van de verzekeraar voldoende heeft gemotiveerd, is het aan laatstgenoemde om te bewijzen dat hij door die te late melding wel degelijk in een redelijk belang is geschaad.'
Daar kan de praktijk mee verder, ook omdat het zo mooi aansluit bij de door de minister in de parlementaire geschiedenis bij art. 7:941 lid 4 BW neergelegde uitgangspunten.12 Helaas komt de Hoge Raad niet toe aan de eventuele vervolgstap: hoe nu verder, indien de verzekerde tegenover die redelijke belangenbenadeling - gesteld dat verzekeraar in dat bewijs slaagt - aanvoert dat de schade niettemin kan worden vastgesteld?
De overwegingen van het hof - vgl. r.o. 4.5, laatste volzin, van het arrest van de Hoge Raad - geven geen nader inzicht in de door de TROS op het punt van de belangenbenadeling ingenomen stelling(en). Maar stel nu dat verzekeraars hebben aangevoerd dat zij, gesteld dat de uitkomsten van het (hen nu onthouden) onderzoek daartoe aanleiding gaven, in de reïntegratie wél geslaagd zouden zijn en dat zij daardoor nu (dus: door de late melding) tot meer verplicht zijn dan waartoe zij bij tijdige melding verplicht waren geweest. Wanneer zij in bewijs van die strekking slagen, kan toch niet anders dan geoordeeld worden dat van belangenschading sprake is?13 Het is dan mijns inziens in lijn met het door de minister in de parlementaire geschiedenis naar voren gebrachte zo, dat het aan de TROS - als verzekerde - zal zijn om daartegenover aan te voeren dat de schade niettemin (al dan niet bij wijze van schatting) kan worden vastgesteld.14 Algeheel verval van het recht op uitkering is dan niet aan de orde: er is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid slechts ruimte voor het op de uitkering in mindering brengen van een bedrag ten belope van de aldus vastgestelde schade voor de verzekeraar.
Tot slot nog een enkel woord over de (mijns inziens: ten onrechte veronderstelde) samenhang tussen de leden 3 en 4 van art. 7:941 BW. Een eerste lezing van lid 3 doet de gedachte opkomen dat de daarin weergegeven bepaling een (algemene) grondslag vormt voor een vermindering van uitkering ingeval een verplichting, als bedoeld in de leden 1 of 2 (hierna voor de eenvoud: meldingsplicht), niet is nagekomen. Daardoor zou gemakkelijk de gedachte kunnen ontstaan dat vermindering van het recht op uitkering met de schade die de verzekeraar door de niet-nakoming van de meldingsplicht lijdt, door de wetgever vooropgesteld is.15 En dat, zoals de Vaste commissie voor justitie in het nader voorlopig verslag het verwoordt, het zo zou zijn dat 'indien dus de (voldoende mate) van vaststelbaarheid (van schade, NvT) gegeven is, aan lid 4 niet wordt toegekomen en het geschil beperkt blijft tot toepassing van lid 3'.16
Die benadering deel ik niet. Zij miskent immers, dat in lid 3 uitdrukkelijk gesproken wordt over de verplichting tot schadevergoeding in het geval de tot uitkering gerechtigde de bedoelde meldingsplicht niet nakomt. Zij vormt daarmee een aanvulling op de 'gewone' regeling van de wanprestatie, om de eenvoudige reden dat de regeling in 6:74 BW voor de derde, die geen partij is bij de overeenkomst, niet geldt.17 Voor lid 3 heeft daarmee mijns inziens te gelden wat in het algemeen contractenrecht op dit punt te gelden heeft, namelijk dat zodra de verzekeraar een vervalbeding als hier bedoeld, heeft bedongen, de algemene wettelijke schadevergoedingsregeling buiten beeld raakt. Alsdan is uitsluitend nog een toetsing aan het bepaalde in lid 4 aan de orde.
Natuurlijk is juist, zoals hiervoor gesteld, dat de in lid 4 besloten liggende norm van de redelijkheid en billijkheid met zich mee kan brengen dat alsnog de schade kan worden vastgesteld en dat onder omstandigheden volstaan kan worden met het in mindering brengen op de uitkering van de schade. De facto - ik heb dat elders eerder betoogd - wordt daarmee een zelfde resultaat bereikt.18 In de aanloop naar dit resultaat speelt echter een voor de rechtspraktijk belangrijk verschil, te weten de stelplicht en vervolgens zo nodig de bewijslast. In het kader van het bepaalde in lid 3 is het de verzekeraar die zal moeten stellen en zo nodig bewijzen hoe groot de schade is die hij in mindering wil brengen op de aan de verzekerde verschuldigde uitkering. Dat is anders bij een beroep op het contractueel vervalbe-ding: de verzekeraar kan daar - getuige het arrest van 5 oktober 2007 - volstaan met te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij in een redelijk belang is geschaad. Het is dan vervolgens juist aan de verzekerde om daartegenover aan te voeren dat de schade niettemin kan worden vastgesteld, in welk geval het beroep op het vervalbeding dient te worden gepasseerd.19