HR, 29-09-2009, nr. 08/00587
ECLI:NL:HR:2009:BJ8779
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
29-09-2009
- Zaaknummer
08/00587
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BJ8779
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2009:BJ8779, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 29‑09‑2009; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2009:BJ8779
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8779, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑06‑2009
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2009:BJ8779
- Vindplaatsen
Uitspraak 29‑09‑2009
29 september 2009
Strafkamer
nr. 08/00587
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 30 juli 2007, nummer 21/000541-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.J.L. Wijnveldt, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de proeftijd verbonden aan de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk zal bepalen op twee jaren en het beroep voor het overige zal verwerpen.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt dat het Hof niet heeft beraadslaagd en beslist op de grondslag van de tenlastelegging.
2.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij:
"op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004, in de gemeente Renkum, in elk geval in Nederland, (telkens) als curator en bewindvoerder van [betrokkene 1], in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand) opzettelijk heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) aan de gemeente Renkum, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld - zakelijk weergegeven - dat [betrokkene 1] over vermogen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en/of dat [betrokkene 1] over een of meer bankrekeningen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken welke bij de gemeente Renkum niet bekend waren en/of dat [betrokkene 1] inkomsten heeft genoten uit onbekende bron(nen), terwijl dit/deze feit(en) kan/kunnen strekken tot bevoordeling van die [betrokkene 1] en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van [betrokkene 1]s en/of eens anders recht op verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming."
2.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:
"verdachte in de periode van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004, in Nederland, telkens als curator en bewindvoerder van [betrokkene 1], in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente Renkum, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte telkens niet (volledig) aan genoemde instanties gemeld - zakelijk weergegeven - dat [betrokkene 1] over vermogen heeft beschikt en heeft kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en dat [betrokkene 1] over een of meer bankrekeningen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken welke bij de gemeente Renkum niet bekend waren en/of dat [betrokkene 1] inkomsten heeft genoten uit onbekende bron(nen), terwijl deze feiten kunnen strekken tot bevoordeling van die [betrokkene 1], zulks terwijl verdachte wist, of redelijkerwijs moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van [betrokkene 1]s recht op verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming."
2.2.3. Het Hof heeft het volgende overwogen:
"De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet strafbaar zou zijn omdat, zakelijk weergegeven, noch uit de Algemene bijstandswet dan wel de Wet werk en bijstand, verplichtingen zoals gesteld in de tenlastelegging voor de curator of de bewindvoerder zouden voortvloeien, aangezien in genoemde wetten slechts de bijstandgerechtigde en belanghebbende worden genoemd als te zijn gehouden tot het nakomen van die verplichtingen.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Verdachte is bij beslissing van de rechtbank te Arnhem van 14 januari 1999 benoemd tot curator van [betrokkene 1] (zuster van verdachte). Ten behoeve van deze zuster heeft verdachte als curator op 8 augustus 2000 bijstand aangevraagd bij de Gemeente Renkum door middel van een formulier bijstand, gedagtekend 24 augustus 2000, welk formulier ook door verdachte is ondertekend.
Op 11 september 2000 is aan het adres van verdachte als curator een beschikking van de Gemeente Renkum gezonden, waarbij aan de zuster van verdachte bijstand is verleend. In deze brief is onder meer geschreven:
U bent verplicht direct alles te melden wat van invloed kan zijn op uw uitkering. Als dit mogelijk is moet u daarvan bewijsstukken overleggen. Bovendien dient u die medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet.
Tot deze verplichtingen worden gerekend dat u:
a. wijzigingen in uw persoonlijke- gezins- of financiële situatie doorgeeft;
b. meewerkt aan periodieke heronderzoeken.
Verdachte heeft als curator meegewerkt aan de verschillende heronderzoeken en wel die van 1 oktober 2001, 3 december 2002 en 26 september 2003 en heeft ook de met betrekking tot die heronderzoeken vereiste formulieren als curator ingevuld en ondertekend.
De steller van de tenlastelegging heeft kennelijk bedoeld tenlaste te leggen dat de verdachte, terwijl zijn zuster als rechthebbende op een uitkering gehouden was om alle inlichtingen c.q. gegevens te verschaffen aan de Gemeente Renkum met het oog op (het voortzetten van) een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet of de Wet werk en bijstand, als curator niet aan die verplichting heeft voldaan door als curator namens zijn zuster niet de benodigde inlichtingen c.q. gegevens te verschaffen. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting heeft verdachte een en ander ook op die wijze begrepen.
Voorts geldt dat verdachte, aangesteld als curator voor zijn zuster, reeds als zodanig op grond van het gestelde in artikel 386 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 337 lid 1 Boek 1 BW, curanda vertegenwoordigde in burgerlijke handelingen en derhalve in casu ten aanzien van hetgeen voor haar als verplichtingen voortvloeide uit de Algemene Bijstandswet of de Wet werk en bijstand als bedoeld in onderhavige tenlastelegging.
Gelet op het vorengaande verwerpt het hof het verweer van verdachte."
2.3. Het middel gaat uit van de opvatting dat de informatieplicht vervat in art. 65 (oud) van de Algemene Bijstandswet en art. 17 van de Wet werk en bijstand beperkt is tot de uitkeringsgerechtigde zelf en dat die verplichting niet rust op de curator die de uitkeringsgerechtigde vertegenwoordigt. Die opvatting is onjuist.
2.4. Zoals mede kan worden afgeleid uit 's Hofs nadere overwegingen, heeft het de op art. 227b Sr toegesneden tenlastelegging kennelijk aldus opgevat dat voor de verdachte, die was aangesteld als curator voor zijn zuster, dezelfde krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting bestond als voor de curanda die hij vertegenwoordigde om alle inlichtingen en gegevens te verschaffen met het oog op (het voortzetten van) een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet of de Wet werk en bijstand. Die uitleg van de tenlastelegging is met haar bewoordingen niet onverenigbaar, zodat het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
"Het hof:
(...)
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
(...)"
4.2. Het Hof heeft verzuimd de duur van de proeftijd vast te stellen. De Hoge Raad zal, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat het Hof had behoren te doen.
4.3. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4.2 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend voor zover het Hof heeft verzuimd de duur van de proeftijd vast te stellen;
bepaalt dat de door het Hof opgelegde gevangenisstraf van twee weken niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 29 september 2009.
Conclusie 23‑06‑2009
Mr. Machielse
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 30 juli 2007 voor ‘in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming; meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken met een proeftijd alsmede tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis.
2.
Mr. D.J.L. Wijnveldt, advocaat te Arnhem, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.
3.1.
Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft beraadslaagd op de grondslag van de tenlastelegging.
3.2.
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004, in de gemeente Renkum, in elk geval in Nederland, (telkens) als curator en bewindvoerder van [betrokkene 1], in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand) opzettelijk heeft nagelaten tijdig het/de benodigde gegeven(s) aan de gemeente Renkum, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte (telkens) niet (volledig) aan genoemde instantie(s) gemeld — zakelijk weergegeven — dat [betrokkene 1] over vermogen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en/of dat [betrokkene 1] over een of meer bankrekeningen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken welke bij de gemeente Renkum niet bekend waren en/of dat [betrokkene 1] inkomsten heeft genoten uit onbekende bron(nen), terwijl dit/deze feit(en) kan/kunnen strekken tot bevoordeling van die [betrokkene 1] en/of een ander of anderen, (zulks) terwijl verdachte wist, of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat/die gegeven(s) van belang was/waren voor de vaststelling van [betrokkene 1]s en/of eens anders recht op verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming;
3.3.
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
verdachte in de periode van 6 oktober 2000 tot 21 oktober 2004, in Nederland, telkens als curator en bewindvoerder van [betrokkene 1], in strijd met een verdachte krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, (te weten de Algemene bijstandswet en/of de Wet werk en bijstand) opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens aan de gemeente Renkum, dan wel aan het bestuur van die gemeente te verstrekken, immers heeft verdachte telkens niet (volledig) aan genoemde instanties gemeld — zakelijk weergegeven — dat [betrokkene 1] over vermogen heeft beschikt en heeft kunnen beschikken hetwelk het (zogenaamde) bescheiden vermogen (ver) te boven ging en dat [betrokkene 1] over een of meer bankrekeningen heeft beschikt en/of heeft kunnen beschikken welke bij de gemeente Renkum niet bekend waren en/of dat [betrokkene 1] inkomsten heeft genoten uit onbekende bron(nen), terwijl deze feiten kunnen strekken tot bevoordeling van die [betrokkene 1], zulks terwijl verdachte wist, of redelijkerwijs moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van [betrokkene 1]s recht op verstrekking en/of tegemoetkoming, dan wel voor de hoogte en/of duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming;
3.4
Voorts bevat 's hofs arrest de volgende bewijsoverweging:
‘Verweer
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet strafbaar zou zijn omdat, zakelijk weergegeven, noch uit de Algemene bijstandswet dan wel de Wet werk en bijstand, verplichtingen zoals gesteld in de tenlastelegging voor de curator of de bewindvoerder zouden voortvloeien, aangezien in genoemde wetten slechts de bijstandgerechtigde en belanghebbende worden genoemd als te zijn gehouden tot het nakomen van die verplichtingen.
Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
Verdachte is bij beslissing van de rechtbank te Arnhem van 14 januari 1999 benoemd tot curator van [betrokkene 1] (zuster van verdachte). Ten behoeve van deze zuster heeft verdachte als curator op 8 augustus 2000 bijstand aangevraagd bij de Gemeente Renkum door middel van een formulier bijstand, gedagtekend 24 augustus 2000, welk formulier ook door verdachte is ondertekend.
Op 11 september 2000 is aan het adres van verdachte als curator een beschikking van de Gemeente Renkum gezonden, waarbij aan de zuster van verdachte bijstand is verleend. In deze brief is onder meer geschreven:
U bent verplicht direct alles te melden wat van invloed kan zijn op uw uitkering. Als dit mogelijk is moet u daarvan bewijsstukken overleggen. Bovendien dient u die medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet.
Tot deze verplichtingen worden gerekend dat u:
- a.
wijzigingen in uw persoonlijke- gezins- of financiële situatie doorgeeft;
- b.
meewerkt aan periodieke heronderzoeken.
Verdachte heeft als curator meegewerkt aan de verschillende heronderzoeken en wel die van 1 oktober 2001, 3 december 2002 en 26 september 2003 en heeft ook de met betrekking tot die heronderzoeken vereiste formulieren als curator ingevuld en ondertekend.
De steller van de tenlastelegging heeft kennelijk bedoeld tenlaste te leggen dat de verdachte, terwijl zijn zuster als rechthebbende op een uitkering gehouden was om alle inlichtingen c.q. gegevens te verschaffen aan de Gemeente Renkum met het oog op (het voortzetten van) een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet of de Wet werk en bijstand, als curator niet aan die verplichting heeft voldaan door als curator namens zijn zuster niet de benodigde inlichtingen c.q. gegevens te verschaffen.
Blijkens het verhandelde ter terechtzitting heeft verdachte een en ander ook op die wijze begrepen.
Voorts geldt dat verdachte, aangesteld als curator voor zijn zuster, reeds als zodanig op grond van het gestelde in artikel 386 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) juncto artikel 337 lid 1 Boek 1 BW, curanda vertegenwoordigde in burgerlijke handelingen en derhalve in casu ten aanzien van hetgeen voor haar als verplichtingen voortvloeide uit de Algemene Bijstandswet of de Wet werk en bijstand als bedoeld in onderhavige tenlastelegging.
Gelet op het vorengaande verwerpt het hof het verweer van verdachte.’
3.5.
Het middel klaagt dat 's hofs hiervoor weergegeven uitleg van de tenlastelegging in strijd is met de bewoordingen van die tenlastelegging. Noch de Algemene Bijstandswet noch de Wet werk en bijstand zou immers aan verdachte als curator van de bijstandsgerechtigde een informatieplicht opleggen; die plicht zou beperkt zijn tot de uitkeringsgerechtigde zelf. Voorts zou de omstandigheid dat het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de curator de curanda in rechte vertegenwoordigt geen strafrechtelijke aansprakelijkheid bij tekortkomingen van die vertegenwoordiging met zich mee brengen.
3.6.
De informatieplicht vervat in art. 65 (oud) van de Algemene Bijstandswet en art. 17 van de Wet werk en bijstand richt zich tot de belanghebbende die meent dat hij recht heeft op bijstand. Ingevolge art. 1:386 jo. art. 1:337 lid 1 BW vertegenwoordigt de curator de curandus in burgerlijke handelingen. Indien een persoon onder curatele is gesteld is deze persoon ingevolge art. 1:381 lid 2 handelingsonbekwaam voor zover de wet niet anders bepaalt.
Ingeval van ondercuratelestelling van de uitkeringsgerechtigde gaat de hiervoor bedoelde informatieplicht ingevolge het zojuist uiteengezette systeem van de wet over op de curator. Het is in die situatie aldus de curator die een krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting tot infomatieverstrekking heeft, zoals bedoeld in art. 227b Sr. Hieraan doet uiteraard niet af dat de curator niet met zoveel woorden in de Algemene Bijstandswet danwel de Wet werk en bijstand wordt genoemd als de persoon op wie de plicht rust de benodigde informatie te verstrekken.
3.7.
Het hof heeft in onderhavige zaak mijns insziens de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten. Gelet op het feitencomplex zoals tot uitdrukking gebracht in de bewijsconstructie heeft het hof aan de tenlastelegging overeenkomstig haar kennelijke strekking een uitleg gegegeven. Die interpretatie is niet onbegrijpelijk gelet op het feit dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte als curator voor zijn zus is aangesteld en in die hoedanigheid aanvraag en/of inlichtingenformulieren omtrent de bijstand heeft ingediend en deze formulieren ook in die hoedanigheid heeft ondertekend, terwijl verdachte door de bijstandsconsulent in een intakegesprek informatie is verstrekt over de voortdurende informatieverplichting en medewerking aan periodieke heronderzoeken. 's Hofs oordeel dat het voor verdachte duidelijk is geweest waarvoor hij terechtstond is gelet op het verhandelde ter terechtzitting bovendien ook niet onbegrijpelijk.
3.8.
Het middel faalt.
4.1.
Het tweede middel klaagt over 's hofs overweging dat verdachte blijkens het verhandelde ter terechtzitting ‘een en ander’ ook op die wijze heeft begrepen. Uit het proces-verbaal ter terechtzitting zou evenwel juist blijken, nu tegen het aannemen van een inlichtingenplicht verweer is gevoerd, dat verdachte de tenlastelegging heeft begrepen zoals die in haar letterlijke bewoordingen is opgesteld. Aldus zou het arrest onvoldoende met redenen zijn omkleed.
4.2.
De omstandigheid dat namens verdachte het verweer is gevoerd dat noch uit de Algemene Bijstandswet noch uit de Wet werk en bijstand verplichtingen voor de curator zouden voortvloeien, duidt er echter juist op, zoals het hof heeft overwogen en uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt, dat verdachte zeer goed heeft begrepen wat hem werd verweten.
Ook dit middel faalt.
5.
Ambtshalve merk ik het volgende op. Het hof heeft in zijn arrest de duur van de proeftijd verzuimd op te nemen. Ervan uitgaande dat het hof aan de veroordeling een proeftijd van twee jaar heeft willen verbinden staat er mijns inziens niets aan in de weg dat de Hoge Raad zelf het verzuim van het hof herstelt en de proeftijd alsnog op twee jaar bepaalt.
6.
De voorgestelde middelen falen. Het tweede middel kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Overige gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden heb ik niet aangetroffen.
7.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de proeftijd verbonden aan de veroordeling tot twee weken gevangenisstraf voorwaardelijk zal bepalen op twee jaar en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden