Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/4.4.2
4.4.2 De onmogelijkheid van ‘interpersonal utility comparisons’
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS301675:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hoffman & O’Shea 2002, p. 366.
Calabresi 1984, p. 850; Hovenkamp 1994, p. 11-12.
Zie bijvoorbeeld Baker 1975, p. 29; Harrison 1997, p. 2; Hausman & McPherson 2006, p. 149. Dit volgt eigenlijk al uit het feit dat voorkeuren van twee personen niet kunnen worden vergeleken op één schaal (in dit geval bereidheid om te betalen); zie Craswell 1998, p. 1449. Daarnaast geldt dat niet iedereen genoeg geld heeft om bepaalde voorkeuren te verwezenlijken, ook al zou hij dat willen; zie Baker 1980, p. 939; Posner 2011, p. 15-16. Ook kan er sprake zijn van de wet van de afnemende meeropbrengsten (‘diminishing returns’): het toegevoegde nut (‘marginal utility’) van een extra aangeschaft ding (of uitgespaarde geldeenheid) is afhankelijk van hoeveel men er al van heeft; zie Lawson 1992, p. 71.
Craswell 1998, p. 1448; Hovenkamp 2000, p. 805-806; Zerbe 2001, p. 4; Collison Black 2008, p. 6 stellen dat dit probleem vanaf de jaren 30 van de vorige eeuw bij economen op het netvlies stond. Zie bijvoorbeeld Robbins 1932, p. 123: “It is a comparison which necessarily falls outside the scope of any positive science”.
bijvoorbeeld Harrison 1997, p. 2; Parisi & Klick 2004, p. 438; Hackney Jr. 2007, p. 94.
Hovenkamp 1994, p. 10; Harrison 1997, p. 2; Korobkin & Ulen 1998, p. 329.
Hovenkamp 1994, p. 10 merkt bijvoorbeeld op: “neoclassical economics has not developed suitable tools for determining optimal policies respecting distribution, nor has it shown much inclination to do so”. Hackney Jr. 2007, p. 95 verklaart dit door erop te wijzen dat gedwongen herverdeling niet ‘wetenschappelijk’ kan worden onderbouwd, maar het gevolg is van een politieke afweging. Vraagstukken over verdeling blijven daarom buiten economische modellen. Economen kunnen zich daardoor bezighouden met efficiëntie (ervoor zorgen dat de taart zo groot mogelijk wordt) zonder zich te bekommeren om rechtvaardigheid (de verdeling van de taart); zie bijvoorbeeld Zerbe 2001, p. 5 e.v. Rechtvaardigheid laten zij over aan andere disciplines, zoals de politiek en ethiek, die door middel van het belastingstelsel of altruïsme tot een andere verdeling kunnen komen. Hierop is recentelijk kritiek gekomen, omdat het direct betrekken van rechtvaardigheid in het maximaliseren van maatschappelijke welvaart wellicht tot een andere uitkomst leidt; zie bijvoorbeeld Fennell & McAdams 2016, p. 1053.
Craswell 1998, p. 1450; Hoffman & O’Shea 2002, p. 368; Hoppe 2004, p. 60.
Calabresi 2014, p. 326.
Blackorby, Donaldson & Weymark 1984, p. 327: “there is very little room for sensible social choices when interpersonal comparisons of utility are not allowed”. Zie in dezelfde zin Hovenkamp 2000, p. 805; Hendren 2014, p. 2.
Zie bijvoorbeeld Calabresi 1982, p. 104.
Sen 1999, p. 365; Dibadj 2006, p. 1351; Hackney Jr. 2007, p. 138. Over het doen van aanbevelingen op basis van incomplete theorie zie Hoffman & O’Shea 2002, p. 345 e.v.
Dibadj 2006, p. 1351: “Such a scrappy approach will likely create discomfort among some welfare economists who view themselves as engaging in hard science”.
Posner 1985, p. 103; Hovenkamp 1994, p. 34; Hackney Jr. 2007, p. 95. Zie ook Parisi & Klick 2004, p. 434-435, die opmerken dat de ‘normatieve’ school in de economie ervan uitgaat dat aanbevelingen kunnen (en moeten) worden gedaan over optimale verdeling en daarom vaker dan de ‘positieve’ school het verwijt krijgt voor het karretje van de politiek te worden gespannen.
Sen 1999, p. 365. Zie ook meer uitgebreid voetnoot 76 van dit hoofdstuk.
Zie in vergelijkbare zin Hovenkamp 1994, p. 41. Het gebruik van een ‘maatman’ is een bekend fenomeen in het recht; zie Hovenkamp 2000, p. 847.
131. In randnummer 120 besprak ik dat het lastig is om de voorkeuren van één persoon te ‘meten’. Daarom worden twee ‘trucs’ gebruikt om inzicht te krijgen in welke voorkeuren iemand heeft en hoe sterk deze voorkeuren zijn: het laten rangschikken van verschillende voorkeuren op een schaal en het observeren van de bereidheid om een geldbedrag te betalen om iets te verkrijgen of te behouden.1 In beide gevallen kan een inschatting gemaakt worden van hoe belangrijk iemand het vindt dat zijn voorkeur wordt verwezenlijkt. Allebei deze trucs kunnen echter niet worden toegepast om het belang dat verschillende mensen aan het verwezenlijken van een voorkeur hechten te vergelijken. Zo kunnen mensen hun voorkeuren wel rangschikken op een individuele schaal, maar niet op een gezamenlijke schaal – de één weet namelijk niet zeker hoe zwaar iets telt voor de ander.2 Ook kan uit het feit dat de één bereid is om een hoger geldbedrag te betalen dan de ander om zijn voorkeur te verwezenlijken niet worden afgeleid dat de voorkeur van de hoogste bieder sterker is. Geld kan namelijk voor verschillende mensen een verschillende waarde hebben.3
132. Van oudsher zijn economen daarom voorzichtig geweest met het vergelijken en combineren van de effecten van overheidsingrijpen voor persoonlijke welvaart.4 Zij accepteren dat het niet mogelijk is om met honderd procent zekerheid te zeggen of het nut dat een persoon ergens aan ontleent hoger of lager is dan het nut dat een andere persoon eraan ontleent.5 Dit betekent dat ‘welfare economics’ slecht in staat is om te bepalen of een bepaalde verdeling van subjectieve rechten efficiënt is om maatschappelijke welvaart te verhogen en/of marktingrijpen ertoe zou kunnen leiden dat deze verdeling efficiënter wordt.6 Voor een econoom is de precieze verdeling van subjectieve rechten niet per se interessant.7 Voor een jurist is dat volledig anders. Een groot deel van het recht bestaat uit regels of beslissingen die direct betrekking hebben op de verdeling van subjectieve rechten.8 Het kunnen bepalen van de (relatieve) voorkeuren van mensen is voor het maken en uitvoeren van wetten van groot belang.9 Er valt dus bijna niet aan te ontkomen om de voorkeuren van mensen te vergelijken.10
133. Om de voorkeuren van mensen te vergelijken worden daarom concessies gedaan aan de mate van zekerheid waarmee gezegd kan worden dat de vergelijking juist is uitgevoerd.11 Dat is op zich niet erg; het is beter om beleidsadvies te geven dat met een redelijke mate van waarschijnlijkheid juist is, dan om helemaal géén beleidsadvies te geven.12 Wel moet men in het achterhoofd houden dat veel – zo niet alle – moderne (rechts)economie op het gebied van marktingrijpen en de verdeling van subjectieve rechten niet volledig ‘wetenschappelijk’ is.13 Er is steeds een bepaalde mate van subjectiviteit in het vergelijken van de gevolgen van maatregelen en het doen van beleidsvoorstellen die op zulke vergelijkingen zijn gebaseerd.14 De reden daarvoor is dat de onzekerheid over de precieze voorkeuren van mensen op de één of andere manier moet worden ‘opgevuld’. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door gebruik te maken van informatie uit andere disciplines, zoals de psychologie of sociologie.15 Op basis daarvan kunnen de voorkeuren van een ‘gemiddeld’ persoon in een maatschappij worden bepaald om de effecten van een maatregel aan af te meten.16