Einde inhoudsopgave
De invloed van het EVRM op het ondernemingsrecht (IVOR nr. 91) 2012/7.2
7.2 Het eerste lid: werkzaamheden in strijd met de openbare orde
mr. A.J.P. Schild, datum 06-11-2012
- Datum
06-11-2012
- Auteur
mr. A.J.P. Schild
- JCDI
JCDI:ADS387670:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 26 juni 2009, NJ 2009, 396 m.nt. Van Schilfgaarde (Hells Angels).
HR 26 juni 2009, NJ 2009, 396 m.nt. Van Schilfgaarde (Hells Angels), rov. 3.3.
Instemmend is Van Schilfgaarde in zijn noot (onder 5) onder het Hells Angels-arrest: “Afgezien van de zojuist aangegeven onzekerheid komt het standpunt van de Hoge Raad mij juist en overtuigend voor. Verbodenverklaring van rechtspersonen heeft weinig met privaatrecht, daarentegen alles met politiek van doen. De rechter in deze (heikele) politiek een taak geven kan alleen wanneer de grenzen van zijn bevoegdheid nauw worden getrokken.”
Kamerstukken II, 1984/85, 17 476, nr. 5, p. 9. Zie voor een bespreking van de wetsgeschiedenis de conclusie van A-G Timmerman voor het Hells Angels-arrest.
Rechtbank Amsterdam 18 november 1998, AB 1999, 329 m.nt. Kanne.
Rechtbank Assen 27 juni 2012, LJN BW9477, met als kernoverweging rov. 2.14: “De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheid van de Vereniging Martijn, bezien vanuit de onderlinge samenhang en het onderlinge verband van het op de webpagina’s van haar website aangeboden materiaal en haar opvattingen zoals haar bestuursleden die openbaar maken, er blijk van geeft dat de Vereniging Martijn voor haar leden nastreeft om seksueel contact te kunnen hebben met kinderen en de Vereniging Martijn daartoe dat seksuele contact verheerlijkt en voorstelt als iets wat normaal en acceptabel is of zou moeten zijn. Het is dat streven dat een ernstige inbreuk vormt op de geldende fundamentele waarden binnen onze samenleving en daarom indruist tegen onze rechtsorde. De Vereniging Martijn creëert of draagt daarmee bij aan het bestaan van een subcultuur waarbinnen seksuele handelingen tussen volwassenen en kinderen als normaal en acceptabel gelden. Daarmee tast de Vereniging Martijn de rechten van kinderen aan. De bescherming van de seksuele integriteit van kinderen vormt onmiskenbaar één van de meest wezenlijke beginselen van onze rechtsorde. De Nederlandse rechtsstaat behoort bovendien vanuit internationaal rechtelijk perspectief voor die inbreuk geen ruimte te bieden.”
EHRM 30 januari 1998, appl. nr. 133/1996/752/951 (United Communist Party of Turkey t. Turkije). In de desbetreffende zaak oordeelde het EHRM dat de verbodenverklaring van de Verenigde Communistische Partij door het Turkse constitutionele hof onvoldoende was gemotiveerd. Onder meer oordeelde het EHRM de omstandigheid dat de partij in haar naam het woordje ‘communistisch’ had opgenomen, waaruit het Turkse hof had afgeleid dat de partij een gevaar voor de democratie opleverde, onvoldoende draagkrachtig was.
Vgl. EHRM 13 februari 2003, appl. nrs. 41340/98; 41342/98; 41343/98; 41344/98 (Refah Partisi (Welvaartspartij) t. Turkije).
De SGP streeft volgens haar beginselprogramma naar een regering die ingericht is naar het voorbeeld uit de bijbel. Vgl. Kanne, noot onder EHRM 13 februari 2003, appl. nrs. 41340/ 98; 41342/98; 41343/98; 41344/98 (Refah Partisi (Welvaartspartij) t. Turkije) in AB 2002, 179.
Vgl. EHRM 16 juni 2009, appl. nr. 26787/07, RvdW 2009, 1293 (Association Solidarité des Français t. Frankrijk) «Une telle ingérence est permise dès lors qu’elle est‘prévue par la loi’, poursuit un but légitime et est‘nécessaire dans une société démocratique’(Leyla Sahin c. Turquie [GC], n o 44774/98, §§ 75, 104–110, CEDH 2005-XI, et Günéri et autres c. Turquie, n os 42853/98, 43609/98 et 44291/98, §§ 63, 75–76, 12 juillet 2005)».
EHRM 13 februari 2003, appl. nrs. 41340/98; 41342/98; 41343/98; 41344/98 (Refah Partisi (Welvaartspartij) t. Turkije).
Over de noodzakelijkheidstoets heeft het EHRM bijv. in EHRM 16 juni 2009, appl. nr. 26787/07, RvdW 2009, 1293 (Association Solidarité des Français t. Frankrijk) overwogen: “Les Etats contractants jouissent d’une certaine marge d’appréciation pour juger de l’existence d’un tel besoin, mais elle se double d’un contrôle européen portant à la fois sur la loi et sur les décisions qui l’appliquent, même quand elles émanent d’une juridiction indépendante. La Cour a donc compétence pour statuer en dernier lieu sur le point de savoir si une‘restriction’se concilie avec les droits protégés par la Convention. Lorsqu’elle exerce son contrôle, la Cour n’a point pour tâche de se substituer aux juridictions internes compétentes, mais de vérifier sous l’angle de l’article 11 les décisions qu’elles ont rendues. Il ne s’ensuit pas qu’elle doive se borner à rechercher si l’Etat défendeur a usé de ce pouvoir de bonne foi, avec soin et de façon raisonnable: il lui faut considérer l’ingérence litigieuse à la lumière de l’ensemble de l’affaire pour déterminer si elle était‘proportionnée au but légitime poursuivi’et si les motifs invoqués par les autorités nationales pour la justifier apparaissent‘pertinents et suffisants’. Ce faisant, la Cour doit se convaincre que les autorités nationales ont appliqué des règles conformes aux principes consacrés par l’article 11 et ce, de surcroît, en se fondant sur une appréciation acceptable des faits pertinents (voir, par exemple, Stankov et Organisation macédonienne unie Ilinden c. Bulgarie, n os 29221/95 et 29225/95, § 87, CEDH 2001-IX).”
EHRM 22 februari 2011, appl. nr. 6468/09 EHRC 2011, 93, m.nt. Kanne (Association Nouvelle des Boulogne Boys t. Frankrijk).
In gelijke zin Kanne in zijn noot onder Association Nouvelle des Boulogne Boys t. Frankrijk (EHRM 22 februari 2011, appl. nr. 6468/09, EHRC 2011, 93), die opmerkt: “Het geheel leidt ertoe dat het EHRM ruimte laat aan de nationale instanties bij de beoordeling van (gewelddadige) rechtspersonen. Mits het dossier voldoende onderbouwd is met meerdere gewelddadige incidenten, die onweersproken blijven, kunnen de nationale instanties overgaan tot (verbod en) ontbinding, zonder daarmee in strijd te handelen met het EVRM.”
Over de vraag wanneer een rechtspersoon kan worden ontbonden omdat sprake is van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde heeft de Hoge Raad zich uitgelaten in het Hells Angels-arrest.1 Aanleiding tot dit arrest was een poging van het Openbaar Ministerie om de stichting en de vereniging van de Hells Angels in Harlingen en omstreken te ontbinden. Daarbij werd door het Openbaar Ministerie onder meer aangevoerd dat de bestuurders van de stichting allen over een strafblad beschikten en zich stelselmatig schuldig maakten aan criminele activiteiten.
Nadat de rechtbank en het hof de vordering van het Openbaar Ministerie hadden afgewezen volgde, tevergeefs, een cassatieberoep. Bij de beoordeling van het cassatieberoep overwoog de Hoge Raad dat het hof terecht had overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of de werkzaamheid van een rechtspersoon in strijd is met de openbare orde als uitgangspunt dient te gelden dat de vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat is, en dat het verbieden van een rechtspersoon een ernstige inbreuk op dit grondrecht betekent waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. Voor een verbodenverklaring moet het dan ook gaan om méér dan uit maatschappelijk oogpunt ongewenst gedrag. De Hoge Raad stelde in het Hells Angels-arrest voorop:
“(…) dat de in art. 8 van de Grondwet en art. 11 van het EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging en vergadering een grondbeginsel van de democratische rechtsstaat is, en dat het verbieden van een rechtspersoon een ernstige inbreuk op dit grondrecht betekent waaraan slechts in het uiterste geval mag worden toegekomen. De verbodenverklaring dient te worden gezien als een noodzakelijke maatregel om gedragingen te voorkomen die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel en die onze samenleving ontwrichten of kunnen ontwrichten.”2
Bij de beoordeling van het litigieuze handelen van de rechtspersoon aan deze maatstaf, dient te worden onderzocht, zo vervolgt de Hoge Raad, of het gaat om handelen of nalaten waarin de rechtspersoon daadwerkelijk zeggenschap heeft gehad of waaraan (het bestuur van) de rechtspersoon leiding heeft gegeven of waartoe het gelegenheid heeft gegeven. Alleen als daarvan sprake is kan het handelen aan de rechtspersoon worden toegerekend.3
De hoge eisen die de Hoge Raad stelt aan het verbieden van een vereniging sluiten aan bij hetgeen de wetgever voor ogen stond met art. 2: 20 BW:4
‘Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging zijn pijlers der democratie. Gebruik daarvan zal dan ook niet licht als werkzaamheid in strijd met de openbare orde kunnen worden bestempeld’
Het begrip ‘openbare orde’ is in de memorie van toelichting voorts als volgt toegelicht:5
“Slechts handelingen die inbreuk maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel, kunnen het verbod van een vereniging of andere rechtspersoon rechtvaardigen; ongerechtvaardigde aantasting van de vrijheid van anderen of van de menselijke waardigheid. Gebruik van geweld of bedreiging daarmee tegen het openbare gezag of tegen degenen met wier opvattingen men het, al dan niet op goede gronden, oneens is, valt eronder, evenals rassendiscriminatie en andere verboden discriminatie. Evenzo het heulen met een mogendheid waarvan valt te verwachten dat zij een geboden kans om ons volk te onderdrukken zou grijpen, het weerstreven van onherroepelijke rechterlijke uitspraken of onrechtmatige benadeling van anderen als middel om het bestaan van de rechtspersoon te rekken. Ten slotte behoren als strijdig met de openbare orde (…) te worden aangemerkt uitlatingen zoals het aanzetten tot haat en uitingen die verboden discriminatie inhouden of een mensonterend streven zoals het in de literatuur gegeven voorbeeld om het doden van bepaalde bevolkingsgroepen straffeloos te maken. Al deze voorbeelden hebben gemeen dat zij een aantasting inhouden van de als wenselijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zou blijken voor de samenleving.”
Tot nu toe is slechts tweemaal een rechtspersoon ontbonden op de grond dat de werkzaamheid in strijd was met de openbare orde. Het eerste geval betrof De Nationale Volkspartij/CP ‘86.6 Volgens de statuten van deze partij was het doel van de partij ‘solidarisme als Derde weg strategie, herstel van Heel-Nederland, volksinspraak in plaats van partij dictatuur’ en het ‘behoud van nationaal en etnisch karakter’. Hoewel het laatste dubieus klinkt, werd deze doelstelling niet in strijd met de openbare orde geacht. De feitelijke werkzaamheden, die door de officier van justitie als ‘opruiend, racistisch en discriminerend’ werden omschreven, waren voor de rechtbank wel aanleiding om tot ontbinding van de vereniging over te gaan. Het tweede geval betreft de Vereniging Martijn, die blijkens uitlatingen op de website van de vereniging naar het oordeel van de rechtbank het seksueel contact tussen volwassenen en kinderen verheerlijkte.7
Hoe verhoudt het voorgaande zich tot art. 11 EVRM? Op grond van de tekst van art. 11 lid 2 EVRM gelden twee voorwaarden voor een beperking van de vrijheid van vereniging en vergadering. In de eerste plaats dient een beperking bij wet te zijn voorzien. In de tweede plaats is een beperking alleen geoorloofd voor zover deze noodzakelijk geacht kan worden in een democratische samenleving in het kader van de nationale veiligheid, openbare orde, het voorkomen van wanordelijke en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Deze voorwaarden zijn met name aan de orde gekomen in diverse uitspraken van het EHRM over uitspraken van het constitutionele hof van Turkije waarin politieke partijen werden verboden. In de uitspraak van de Grand Chamber inzake United Communist Party of Turkey t. Turkije overwoog het EHRM dat:8
“the exceptions set out in Article 11 are, where political parties are concerned, to be construed strictly; only convincing and compelling reasons can justify restrictions on such parties’ freedom of association. In determining whether a necessity within the meaning of Article 11 § 2 exists, the Contracting States have only a limited margin of appreciation, which goes hand in hand with rigorous European supervision embracing both the law and the decisions applying it, including those given by independent courts.”
Uit deze uitspraak valt verder af te leiden dat van politieke partijen kan worden geëist dat (i) deze dienen te streven naar veranderingen met wettige en democratische middelen, en (ii) de veranderingen die worden nagestreefd ook zelf weer verenigbaar zijn met de beginselen van de democratische rechtsstaat.9 Voldoet een partij aan deze voorwaarden, dan mag zij in beginsel niet worden verboden of ontbonden. Ook indien niet wordt voldaan aan één van de voorwaarden – de SGP zou het wel eens moeilijk kunnen hebben op dit vlak10 – is een ontbinding alleen dan gerechtvaardigd wanneer zij als ‘noodzakelijk in de democratische samenleving’ beschouwd kan worden.11 Dit betreft de zogenoemde ‘noodzakelijkheidstoets’.
Een voorbeeld van een verbod van een politieke partij die de toets der kritiek in Straatsburg heeft kunnen doorstaan, betreft de zaak Refah Partisi (Welvaartspartij) t. Turkije.12 Het EHRM oordeelde dat de omstandigheid dat deze partij voorstander was van de invoering van de Islamitische wet meebracht dat het programma niet in overeenstemming was met de pluralistische waarden van de democratische rechtsstaat. De Refah Partisi was ook zeer groot, zodat deze partij ook als een reële dreiging voor de democratie kon worden beschouwd.
Het noodzakelijkheidsvereiste laat zich lastig inkleuren.13 Het omvat in ieder geval een toetsing op proportionaliteit: is een verbod nodig in het licht van hetgeen de verdragsstaat beoogt te bereiken? De verdragsstaten wordt daarbij wel enige beoordelingsvrijheid gegund. Uit de Refah Partisi-uitspraak valt af te leiden dat naar mate een partij met een programma dat op onderdelen niet-democratisch is een meer marginale rol vervult in het politieke bestel, minder snel voldaan zal zijn aan het ‘noodzaakvereiste’ om deze partij te ontbinden.
Een voorbeeld van een inbreuk op de vrijheid van vergadering die gerechtvaardigd kon worden betreft de zaak Association Solidarité des Français t. Frankrijk. Solidarité des Français (SdF) betrof een vereniging die hulp bood aan dak- en thuislozen. In de winter verstrekt zij maaltijden, hoofdzakelijk soep, waarin met opzet varkensvlees wordt verwerkt. Ook de website van de organisatie vermeldt dat de soep varkensvlees bevat. Daardoor is deze niet geschikt voor consumptie door onder meer moslims. Na berichten in de media over het discriminatoire karakter van deze soepverstrekkingen, ontstaan op straat relletjes bij het uitdelen van de soep. Dit leidt er uiteindelijk toe dat deze soepuitdelingen worden verboden. Op verzet daartegen oordeelt de Conseil d’Etat – kort gezegd – dat de soepuitdelingen een discriminatoir karakter hebben, die ordeverstoringen kunnen doen ontstaan en daarom mogen worden verboden. Het EHRM verklaart de daartegen gerichte klacht niet ontvankelijk aangezien deze kennelijk ongegrond is. Het komt mij voor dat een dergelijke vereniging ook in Nederland – met het verstrekken van ‘varkensvlees-maaltijden’ aan daklozen als statutair doel of als feitelijke werkzaamheid – zou kunnen worden ontbonden op grond van art. 2: 20 lid 1 BW, nu zij in haar opzet gericht is om een bepaalde categorie hulpbehoevenden uit te sluiten op een wijze die maatschappelijk als een ernstige vorm van discriminatie zal worden ervaren.
Overigens komt het mij voor dat ook indien de Hoge Raad een verbod van de Hells Angels zou hebben gesanctioneerd, bij dezelfde feiten, een dergelijk oordeel waarschijnlijk niet tot een veroordeling van Nederland in Straatsburg zou hebben geleid. Met name het arrest Association Nouvelle des Boulogne Boys t. Frankrijk wijst in die richting.14 Daarin was aan de orde het besluit tot ontbinding van de supportsvereniging van de voetbalclub Paris Saint Germain, die betrokken was geweest bij ernstige ongeregeldheden. De supportersvereniging vocht de ontbinding aan in Straatsburg met een beroep op art. 11 EVRM. Het EHRM verklaarde de klacht niet-ontvankelijk. Het EHRM overwoog dat de ontbinding bij wet was voorzien en een legitiem doel diende: de bescherming van de openbare orde en de voorkoming van misdrijven. Opvallend is hetgeen het EHRM vervolgens overweegt over de proportionaliteit van de maatregel:
“Reste à déterminer si cette ingérence était proportionnée. A cet égard la Cour observe que les faits reprochés à la requérante, et plus particulièrement à plusieurs de ses membres, sont particulièrement graves et constitutifs de troubles à l’ordre public. Elle rappelle qu’en marge de plusieurs matches de football, des incidents ont opposé des membres de l’association aux forces de l’ordre, qu’au terme du match entre le PSG et l’équipe de Tel-Aviv le 23 novembre 2006, cent cinquante supporters parisiens ont entrepris de se livrer à des actes de violence à l’encontre des supporters israéliens, que des affrontements ont eu lieu à cette occasion et que plusieurs supporters parisiens ont frappé à coups de ceinture un policier tombé au sol. Ce dernier a dû faire usage de son arme pour se sortir d’une situation difficile et a tué un supporter parisien qui le menaçait. Enfin, la Cour ne peut que constater que les termes contenus dans la banderole déployée au stade de France le 29 mars 2008 sont particulièrement injurieux à l’égard d’une certaine catégorie de la population.”
Het EHRM benadrukt dat de nationale rechter beter dan het EHRM is geëquipeerd om te oordelen over de vraag of een ontbinding is gerechtvaardigd in de omstandigheden van het geval. De eis die de Hoge Raad stelt voor ontbinding – kort gezegd dat bij de vraag of een ontbinding is gerechtvaardigd alleen acht mag worden geslagen op het handelen of nalaten waarin de rechtspersoon daadwerkelijk zeggenschap heeft gehad of waaraan (het bestuur van) de rechtspersoon leiding of gelegenheid heeft gegeven – lijkt geen vereiste te zijn dat het EHRM distilleert uit art. 11 EVRM. Voorts ligt het voor de hand dat het EHRM de ontbinding van rechtspersonen die politiek actief zijn, veel strenger zal beoordelen dan de ontbinding van rechtspersonen zie zich op enigerlei wijze bezighouden of in verband kunnen worden gebracht met criminele activiteiten. Het staat de Hoge Raad uiteraard vrij om een verdergaande grondrechtenbescherming te bieden dan het EVRM – zoals verstaan door het EHRM – eist. In het licht van Association Nouvelle des Boulogne Boys t. Frankrijk lijkt de Hoge Raad in het Hells Angels-arrest in ieder geval ruim binnen de bakens te zeilen.15