Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.3.3.1.1
2.3.3.1.1 Toepassing van het S-H-S inkomensbegrip bij de bepaling van de fiscale winst?
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630507:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
De Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties en Poelman.
De Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties pagina 43. Voor courante aandelen geldt dit niet, dan wijst de vermogensmutatie het heffingsmoment aan. Omwille van de uitvoerbaarheid pleitte ze ook dan voor heffing op het moment van realisatie.
Niessen, bespreking van het rapport van de Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties pagina 200.
Van den Dool 2009, pagina 298.
Bavinck 2019.
Zie ook Van den Dool 2009, pagina 61.
Zie ook Niessen: ‘Pas wanneer de vermogenswinst gerealiseerd is, kan zij ter beschikking komen voor vertering. Pas dan, zo zou ik althans denken, is sprake van een te belasten draagkrachtvermeerdering.’ De bespreking van het rapport van de Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties pagina 200.
Zie ook Kavelaars: ‘Het bezwaar dat tegen een vermogenswinstbelasting alom wordt aangevoerd is het lock-in effect: de vermogensbestanddelen worden aangehouden om de heffing uit te stellen. De vraag is of dit effect van enige betekenis is of dat het toch meer theoretisch is. Als we kijken naar de Wet IB 2001 en de Wet VpB 1969 zien we dat die (mede) vermogenswinstheffingen kennen (winst uit onderneming, ter beschikkingstellingsregeling, aanmerkelijkbelangregime) waarbij niet de indruk bestaat dat aan dit lock-in effect veel betekenis toekomt. Ik meen dan ook dat dit effect bepaald niet overschat moet worden.’
Essers 2017.
Kooiman en Ruijschop.
Als het S-H-S inkomensbegrip ook van toepassing is bij de bepaling van de fiscale winst, dan wordt de vermogensaanwas per jaar beschouwd als inkomen en is deze derhalve belast. De mogelijkheid om over te gaan tot een vermogensaanwasbelasting is in de literatuur veelvuldig aan de orde gekomen voor wat betreft de inkomstenbelasting. Voor ondernemingswinsten wordt deze discussie nauwelijks gevoerd. Deze vraag stond ook centraal in het rapport van de Commissie ter bestudering van de mogelijkheid van belastingheffing over vermogensmutaties. In het kader van de box 3 heffing in de inkomstenbelasting heeft deze Commissie onderzoek gedaan naar een wenselijke heffing over vermogenswinsten bij particulieren. De Commissie betoogt dat als het gaat om de invulling van de belastinggrondslag de mutatie van de betalingscapaciteit in een bepaald jaar tegen de achtergrond van de meting van deze capaciteit gedurende het leven of de levensduur van het belastingsubject centraal staat. De Commissie kiest ervoor om het heffingsmoment van de vermogensbelasting, vanwege de verteerbaarheid, aan te laten sluiten bij gerealiseerde vermogensmutaties. Vanwege doelmatigheidsaspecten dient ook ten aanzien van aandelen dit realisatieregime te gelden. Er wordt een systeem voorgesteld dat rekening houdt met gerealiseerde vermogensverliezen. Door bij het realisatiemoment aan te sluiten, wordt een belangrijk bezwaar van de huidige box 3 vermogensbelasting weggenomen, namelijk dat de vermogensbelasting wordt geheven naar het (slechts) bezit(ten) van vermogen. De onrechtvaardigheid die belastingplichtigen hierdoor ervaren wordt door het voorstel van de Commissie weggenomen: alleen bij een gerealiseerde vermogensmutatie ('pas als het echt in de portemonnee te merken is') volgt belastingheffing, dan wel verwerking van een gerealiseerd vermogensverlies.1 De Commissie is daarom van mening dat niet het moment van vermogensaanwas het heffingsmoment moet zijn, maar het moment waarop de vermogenswinst wordt gerealiseerd. Op dat moment is de waardemutatie verteerbaar en zal de vermogenswinst het meest recht doen aan het draagkrachtbeginsel.2 Ook Niessen betoogt dat pas wanneer de vermogenswinst gerealiseerd is, zij ter beschikking kan komen voor vertering. Op dat moment is sprake van een draagkrachtvermeerdering.3 Als fiscaal al wordt gekozen voor een vermogensaanwasbelasting, dan zou daarbij volgens Van den Dool een extra aanvullend criterium moeten worden gesteld, namelijk de eis dat realisatie mogelijk zou moeten zijn. Voor de vermogensbestanddelen waarbij dit niet mogelijk is, moet een vermogenswinstbelasting plaatsvinden.4 Ook Bavinck in van mening dat (als al wordt gekozen voor een vermogensaanwasbelasting) bij niet courante effecten de vermogenswinsten pas bij realisatie moeten worden belast.5
De door de bovengenoemde auteurs geformuleerde uitgangspunten zijn mijns inziens ook toepasbaar bij de belastingheffing over ondernemingswinsten. Ook dan dienen de daadwerkelijk gerealiseerde ondernemingswinsten in de heffing te worden betrokken, zodat liquiditeits- en waarderingsproblemen voor de onderneming worden voorkomen en recht wordt gedaan aan het netto karakter van het draagkrachtprincipe. Indien gedurende de gehele bezitsperiode van een vermogensbestanddeel belastingplicht bestaat, kunnen er liquiditeitsproblemen ontstaan bij een vermogensaanwasbelasting, maar het effect van de vermogensfluctuaties op de totaalwinst is dan nog relatief beperkt. De vermogensfluctuaties over de jaargrens heffen elkaar dan namelijk op (behoudens in het geval van verliesverdamping), zodat in totaliteit slechts belasting wordt geheven over de vermogensvermeerdering.67
Een belastingstelsel dat meer recht doet aan het realisatiebeginsel is een vermogenswinstbelasting. In dat geval zijn alle gerealiseerde kapitaalinkomsten belast op het moment dat ze worden gerealiseerd. Als bezwaar tegen een vermogenswinstbelasting wordt vaak het zogenoemde ‘lock-in-effect’ aangevoerd, dat inhoudt dat belastingplichtigen de neiging zullen hebben het realiseren van belaste vermogenswinst uit te stellen, terwijl een vermogensverlies direct wordt gerealiseerd.8 Voor ondernemingswinsten is dit effect echter veel beperkter, omdat vermogensmutaties niet direct beschikbaar zijn voor consumptie, omdat anders de continuïteit van de onderneming in gevaar komt.
De wetgever neemt daarom ook terecht afstand van het S-H-S-inkomensbegrip bij de belastingheffing over ondernemingswinsten. Het genietingsmoment wijst dan immers op grond van goed koopmansgebruik het heffingsmoment aan. In de winstsfeer is de vermogenswinstgedachte tot uitdrukking gekomen in het realisatiebeginsel in combinatie met het voorzichtigheidsbeginsel en het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik dat binnen zekere grenzen toestaat dat winstneming wordt uitgesteld en verliezen direct worden genomen. Daarmee wordt geabstraheerd van het S-H-S-inkomensbegrip. Voor de fiscale winstbepaling is het cruciaal dat een onderneming niet al belasting moet betalen over winst waarover zij nog niet kan beschikken. Vanuit die optiek beschermt het realisatiebeginsel de belastingplichtige en kan het worden gezien als een onderdeel van een voorzichtige wijze van winstbepaling.9 Latente winsten zouden daarom in beginsel geen onderdeel moeten vormen van de jaarwinst.10 Ook dit lijkt gestoeld te zijn op het draagkrachtbeginsel.