Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/8.2.3.2.2
8.2.3.2.2 Komend recht: Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht
P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972030:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Stb. 2024, 62); en het Besluit van 25 maart 2024 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht (Stb. 2024, 72).
Artikel 843a Rv zal onder de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht worden vervangen door een inzageverzoek in artikel 194, 195 en 195a Rv (nieuw). Op grond van artikel 204 Rv (nieuw) is deze regeling van overeenkomstige toepassing indien bij wijze van voorlopige bewijsverrichting een inzageverzoek wordt gedaan.
Voor het voorlopig getuigenverhoor is geen aparte regeling meer opgenomen. In plaats daarvan wordt teruggevallen op de algemene regeling voor voorlopige bewijsverrichtingen is in artikel 196 e.v. Rv (nieuw).
Zie artikel 194 lid 2 sub Rv (nieuw) en, in het kader van de voorlopige bewijsverrichting, artikel 196 lid 2 sub e Rv (nieuw). De wetgever heeft overwogen dat gewichtige redenen zich verzetten tegen de verstrekking van bepaalde vertrouwelijke informatie, zie o.a. Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 13, 51 en 58.
Vgl. Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 49. Over de wenselijkheid van de verlaging van deze drempel is in de literatuur discussie gevoerd. Zie voor een kritisch perspectief Ekelmans 2021, p. 446, die waarschuwt voor het risico op onnodige belasting van wederpartijen en derden met verzoeken om inzage. Zie voor een ander perspectief de reactie van Sijmonsma, waarin onder meer wordt gewezen op de bescherming die uitgaat van de wettelijke afwijzingsgronden en het gegeven dat de verzochte gegevens veelal niet vertrouwelijk zijn (Sijmonsma 2021, p. 928 e.v.). Vgl. Hammerstein 2020, p. 276.
Zie bijvoorbeeld HR 18 november 2016, RvdW 2016/1183 (Synthon/Astellas), r.o. 3.3.4; en HR 10 juli 2020, NJ 2022/288 m.nt. H.B. Krans (Semtex), r.o. 3.1.4, waarin de Hoge Raad exhibitie typeert als een maatregel die ‘niet zelden’ ingrijpend is.
Zie Kamerstukken II 2019/20, 35 498, nr. 3, p. 13, waarin het inzagerecht wordt omschreven als “een goedkoop, eenvoudig, snel en betrouwbaar alternatief voor bijvoorbeeld een getuigenverhoor of een deskundigenbericht. Het inzagerecht komt in dit wetsvoorstel op gelijke voet te staan met de overige bewijsverrichtingen en geldt niet langer als een soort ultimum remedium”. Zie ook Hammerstein 2020, p. 276.
Met ingang van 1 januari 2025 treedt de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking.1 Als onderdeel daarvan wordt onder meer de exhibitievordering vervangen door het inzageverzoek2 en wijzigt de regeling voor het voorlopig getuigenverhoor. 3 Deze wetswijziging heeft niet alleen procedurele gevolgen, maar in het geval van het inzageverzoek ook materieelrechtelijke gevolgen. De drempel voor toewijzing van een inzagevordering is gelijkgetrokken met die voor een voorlopig getuigenverhoor. Voor toewijzing van een inzageverzoek moet niet langer van een ‘rechtmatig belang’, maar van een ‘voldoende belang’ blijken. Het inzageverzoek wordt onder meer afgewezen indien een gewichtige reden zich tegen de verzochte inzage verzet,4 gelijk onder artikel 834a Rv.
Hoewel de drempel voor toewijzing van een inzageverzoek hiermee is verlaagd,5 zou dit mijns inziens geen grote gevolgen moeten hebben de ontoereikend geïnformeerde aandeelhouder. Zowel het ‘voldoende belang’-criterium als de afwijzingsgronden laten ruimte voor een belangenafweging door de rechter. Voor toewijzing van een inzageverzoek is mijns inziens slechts ruimte indien de aandeelhouder een voldoende redelijk belang heeft om toegang te krijgen tot informatie onder artikel 2:8 BW. De aandeelhouder kan de vereisten van artikel 2:8 BW immers niet omzeilen door een alternatieve (procedurele) grondslag te kiezen.
Het voorgaande neemt niet weg dat rechters onder het nieuwe bewijsrecht mogelijk welwillender zullen staan tegenover inzageverzoeken van aandeelhouders. Waar exhibitievorderingen onder het huidige recht veelal als een ingrijpend middel worden gezien,6 wordt met de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht afstand gedaan van die gedachte.7 De drempel om toegang te krijgen tot informatie van de vennootschap ligt dan met name nog in het vennootschapsrecht, in mindere mate in het procesrecht.