Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/4.4.3.4
4.4.3.4 Het toepasselijk recht op de rechtstreekse vordering
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS394770:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vonken, nr. 166.
Art. 8 lid 2 van de 2e Richtlijn Schade.
Zie ook Spiegel, p. 139. Zij merkt in dit verband op dat ook de benadeelde niet onverdeeld gelukkig behoeft te zijn met zijn keuzerecht. Dat dwingt hem immers tot 'uitgebreid, kostbaar en tijdrovend rechtsvergelijkend onderzoek (...) om te kunnen vaststellen welke optie voor hem de beste is'. Zij spreekt van schijnvoordeel. In grote en complexe schadegevallen moge dat zo zijn, in het wegverkeer is de schade in de meeste gevallen beperkt van omvang (hetgeen het maken van hoge kosten niet rechtvaardigt). Een goede belangenbehartiger zal doorgaans wel in staat zijn om de relevante verschillen tussen de relevante rechtsstelsels te beoordelen en de benadeelde te adviseren.
Spiegel, p. 139.
Voor de rechtstreekse vordering tegen de motorrijtuigverzekeraar is de bestaansvraag van minder groot belang dan bij andere vormen van aansprakelijkheidsverzekering, omdat de Richtlijn de rechtstreekse vordering in art. 18 in alle lidstaten voorschrijft en zij ook in andere landen - in elk geval in de landen die aan het groenekaartstelsel deelnemen - bestaat, maar de omvang en de inhoud verschilt per land. Een voorbeeld ter illustratie: de Wam kent een verjaringstermijn van het eigen recht van drie jaar, in Spanje is zij één jaar.
Spiegel, p. 140.
Spiegel, p. 140.
Spiegel, p. 141 en Voorstel COM (2003) 427 definitief, 2003/0168 (COD), p. 29.
De inhoud en de omvang van de rechtstreekse vordering verschilt van land tot land en daarom is het van belang vast te stellen welk recht op deze actie van toepassing is. In dit verband zijn het Haags Verkeersongevallenverdrag 1971 en Verordening Rome II van belang. Verordening Rome II eerbiedigt bestaande verdragen waarbij lidstaten op het tijdstip van vaststelling van de verordening partij zijn en welke verdragen regels bevatten inzake het toepasselijk recht op niet-contractuele verbintenissen, aldus art. 28 lid 1 van de Verordening. Dat betekent dat het Haags Verdrag, indien van toepassing, voorrang heft Als het geschil aan de Nederlandse rechter wordt voorgelegd zal deze het ex art. 93 Grondwet rechtstreeks werkende Haags Verdrag toepassen. Hetzelfde geldt voor de gerechten van België, Bosnië-Herzegovina, Frankrijk, Kroatië, Luxemburg, Macedonië, Oostenrijk, Slovenië, Slowakije, Tsjechië en Zwitserland. De hier niet genoemde lidstaten van de EU zijn gebonden aan de eveneens rechtstreeks werkende Verordening Rome II, met uitzondering van Denemarken dat gebruik heeft gemaakt van de door dat land bedongen opt-out-mogelijkheid.1
Volgens het Haags Verdrag, art. 9, hebben benadeelden een rechtstreekse vordering op de verzekeraar als zij dit recht bezitten op grond van het recht dat overeenkomstig art. 3, 4 of 5 van toepassing is.
Doorgaans zal de wet van het land van het ongeval van toepassing zijn (art. 3); uitzonderingen gelden voor eenzijdige ongevallen waarbij het voertuig in een andere staat dan die van het ongeval is geregistreerd (in welk geval de interne wet van het land van registratie de vordering van slachtoffers onder een aantal voorwaarden beheerst); hetzelfde geldt als meer dan één voertuig betrokken is en alle in dezelfde staat zijn geregistreerd (art. 4). Art. 5 regelt het toepasselijk recht in geval van schade aan vervoerde goederen.
Als krachtens art 4 of 5 de wet van de staat van registratie van het voertuig van toepassing is en die wet de rechtstreekse vordering niet kent, kan de benadeelde toch een directe actie uitoefenen als de wet van de staat waar het ongeval heeft plaatsgevonden een dergelijke actie kent. En kent geen van beide staten de rechtstreekse actie, dan staat zij toch aan de benadeelde ter beschikking als zij wordt gegeven door de wet die de verzekeringsovereenkomst beheerst. Van belang bij dit alles is, dat de benadeelde in het regime van het Haags Verdrag niet kan kiezen. Is bijvoorbeeld - de wet van het land van registratie van toepassing, maar is de directe actie volgens het recht van het land van het ongeval voor hem gunstiger, dan worden de inhoud en de omvang van de directe actie toch bepaald door het recht van de staat van registratie.
Het voordeel voor partijen van het Haags Verdrag is de voorspelbaarheid.2 Als nadeel van de regeling wordt onder meer gezien dat de benadeelde onder omstandigheden kan worden geconfronteerd met een directe actie die beperkter is dan waarop hij wellicht rekent. Een punt van kritiek op het Haags Verdrag is daarbij dat het zuiver mechanisch werkt en een te grote invloed toekent aan de wet van het land van registratie.
Klassiek voorbeeld van een situatie waarin de wet van het land van registratie voor de benadeelde wel een erg toevallige rol speelt, is dat van het eenzijdige ongeval met een tijdens een vakantie gehuurde auto, een situatie die zich tegenwoordig waarschijnlijk veel vaker zal voordoen dan ten tijde van het tot stand komen van het Haags Verdrag.
Verordening Rome II biedt aan de benadeelde wel een optie om het voor hem gunstigste regime te kiezen. Art. 18 biedt, in tegenstelling tot het Haags Verdrag, een alternatieve aanknopingsvariant. De benadeelde heeft de keuze tussen het op de niet-contractuele verbintenis toepasselijke recht, dan wel het op de verzekeringsovereenkomst toepasselijke recht. Op de verzekeringsovereenkomst is op grond van art. 179 lid 2 van Richtlijn Solvency 113 van toepassing het recht van de lidstaat die de verzekeringsplicht oplegt, dat wil zeggen van de lidstaat waar het voertuig geregistreerd is, dan wel - als het een vanuit de ene lidstaat naar een andere lidstaat verzonden voertuig betreft en dan gedurende een periode van dertig dagen - de lidstaat van bestemming.
Voor de benadeelde heeft deze keuzemogelijkheid vanzelfsprekend het voordeel dat hij het voor hem meest gunstige regime kan kiezen. Voor de verzekeraar brengt deze keuzevrijheid mee dat hij ook na het ongeval nog niet zeker is van de omvang van zijn verplichtingen.4
Intussen is een open vraag welk recht onder Verordening Rome II de inhoud van de rechtstreekse vordering beheerst. Spiegel5 wijst er op, dat deze vraag op grond van de tekst van de verordening niet goed en in elk geval niet bevredigend te beantwoorden is. Zij schetst de problemen aan de hand van twee scenario's: (1) art. 18 van Verordening Rome II ziet alleen op het bestaan van de directe actie, dan wel (2) art. 18 beheerst niet alleen de bestaansvraag maar ook die naar omvang en inhoud ervan.6
Spiegel onderscheidt tussen drie soorten verweren die de verzekeraar ter beschikking staan: verweren die de verzekerde ook aan de benadeelde zou kunnen tegenwerpen (onrechtmatigedaadsverweren), verweren die de verzekeraar aan zijn verzekerde zou kunnen tegenwerpen als deze en niet de benadeelde hem zou aanspreken (dekkingsverweren) en weren die in verband staan met de directe actie. In scenario (1) zou de eerste categorie, de onrechtmatigedaadsverweren, door het delictsstatuut worden beheerst, terwijl schrijfster van oordeel is dat de dekkings- en de directe-actieverweren zouden moeten worden beheerst door het recht dat op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is. Zij signaleert daarbij een probleem als het recht dat de verzekeringsovereenkomst beheerst, geen directe actie kent. Dan staat de benadeelde toch met lege handen.7 In scenario (2), waarin art. 18 van Rome II niet alleen het bestaan maar ook omvang en inhoud van de directe actie beheerst, is het gevolg van de keuze van de benadeelde voor het recht van delictsstatuut, dat de vraag welke dekkings- en directe-actieverweren de verzekeraar kan tegenwerpen (bijvoorbeeld die naar de gevolgen van non-betaling van de premie) wordt beheerst door het verzekeringsrecht van de staat welks recht de onrechtmatige daad beheerst, zonder dat dit verzekeringsrecht verder enige rol speelt.8
Spiegel hecht voor de interpretatie van de bedoeling van art. 18 van Verordening Rome II betekenis aan de toelichting bij het voorstel voor Rome II van de Europese Commissie, waaraan valt te ontlenen dat de omvang van de verplichtingen van de verzekeraar in elk geval wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op het verzekeringscontract.9 Deze passage, die overigens zonder enige toelichting niet in de uiteindelijke verordening is overgenomen, zou erop duiden dat scenario (1) de juiste interpretatie weergeeft. Art. 18 Rome II ziet dan alleen op de bestaansvraag en niet op vragen rond de inhoud en de omvang van de rechtstreekse vordering. Deze zouden dan moeten worden beoordeeld naar het recht dat op de verzekeringsovereenkomst van toepassing is. Het door Spiegel gesignaleerde probleem in de situatie dat het recht dat de verzekeringsovereenkomst beheerst geen directe actie kent, speelt bij de motorrijtuigverzekering geen rol van betekenis, omdat alle lidstaten en ook de overige thans aan het groenekaartselsel deelnemende landen een (vorm van) action directe kennen.
Voor zowel Haags Verdrag als Rome II geldt dat zij universele werking hebben en dat het toepasselijke recht onder omstandigheden ook dat van een niet-verdragsstaat, respectievelijk een niet-lidstaat kan zijn. Zie art. 11 Haags Verdrag, respectievelijk art. 3 Rome II.