De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.3.1:4.4.3.1 Inleiding en wetsgeschiedenis
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.3.1
4.4.3.1 Inleiding en wetsgeschiedenis
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS364821:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het zij herhaald, dat de BV pas in 1976 is ingevoerd.
Klaassen 2010, p. 65.
Vgl. Meinema (Diss.), p. 24 en 25.
Klaassen (Diss.), p. 17.
Meinema (Diss.), p. 25 en 26 en Klaassen 2010, p. 63 en 64.
Ook in het kader van de hierna in par. 4.4.4.2 te bespreken flexibilisering. Zie Kamerstukken 31058, nr. 3 (MvT), p. 6.
De Kluiver en Meinema, p. 651.
Zie Timmerman 1991, p. 7 t/m 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Nederlandse vennootschapsrecht bestaat van oudsher uit een combinatie van regelend recht en dwingend recht. Oorspronkelijk bestond het NV-recht1, kort gezegd, uit een combinatie van de contractsvrijheid – de NV werd gezien als een gekwalificeerde maatschap2 – en het Wetboek van Koophandel van 1838 dat enkele dwingendrechtelijke grenzen stelde aan de contractsvrijheid. Deze grenzen dienden met name ter bescherming van crediteuren.3 Daarnaast was de aandeelhoudersvergadering dwingendrechtelijk bevoegd om de akte van oprichting te wijzigen en om bestuurders te benoemen en te ontslaan.4 In 1928 werden ook enkele bepalingen van regelend recht opgenomen in de Wet op de naamlooze vennootschappen. Ten einde duidelijk te maken van welke bepalingen kon worden afgeweken en van welke niet werd in de voorloper van het huidige art. 2:25 BW vastgelegd dat slechts van de wet kon worden afgeweken, indien dat uit de desbetreffende bepaling blijkt.5
Sindsdien is de reikwijdte van de wettelijke regeling ten aanzien van vennootschappen aanzienlijk uitgebreid. Het uitgangspunt “dwingend recht tenzij” bleef daarbij gehandhaafd.6 Aangezien er achter dit uitgangspunt louter praktische wetgeving en technische motieven schuil gaan, dient per dwingendrechtelijke bepaling te worden bezien waarom deze van dwingend recht is.7
In 1991 heeft Timmerman8 aan de hand van het toenmalige rechtspersonenrecht geanalyseerd welke motieven de wetgever had om een bepaling van dwingend recht te laten zijn. Hij komt tot vier motieven. Deze vier motieven worden één voor één besproken in par. 4.4.3.2 t/m 4.4.3.5. Inmiddels doen enkele van deze motieven wat gedateerd aan. Dat neemt niet weg dat deze ooit werden gezien als motief voor de invoering van dwingendrechtelijke regels die thans nog niet zijn geschrapt. Een andere reden om deze vier motieven te bespreken, is dat andere auteurs vaak tot een wat beperkter palet komen, waardoor een minder goed zicht wordt gekregen op de (mogelijke) motieven die de wetgever kan hebben gehad om te kiezen voor dwingendrechtelijke bepalingen. Hierna zal overigens blijken dat deze motieven elkaar deels overlappen.