Vreemdelingenwet 2000.
Rb. Den Haag, 21-11-2022, nr. NL22.22906
ECLI:NL:RBDHA:2022:12594, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
21-11-2022
- Zaaknummer
NL22.22906
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2022:12594, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 21‑11‑2022; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:2918, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Uitspraak 21‑11‑2022
Inhoudsindicatie
Eerste beroep bewaring – Overschrijding termijn ophouding – gehoor al aangevangen – beroep ongegrond
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.22906
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Procesverloop
Bij besluit van 5 november 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw1.opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 november 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J. Bourik. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1995. Zijn nationaliteit is onbekend.
2. Eiser voert aan dat de ophouding te lang heeft geduurd. De termijn van zes uur is overschreden en de belangen van verweerder in dit kader zijn volgens eiser niet zwaarwegend, wat leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder in de proceskosten veroordeeld dient te worden, mocht het gebrek in het voortraject gepasseerd worden.
3. Op grond van artikel 50, tweede en derde lid, van de Vw mag een vreemdeling niet langer dan zes uren worden opgehouden. Nu de ophouding van eiser is aangevangen op 5 november 2022 om 13:45 uur, mocht de ophouding voortduren tot 5 november 2022 om 19:45 uur. In het onderhavige geval is de maatregel van bewaring opgelegd op 5 juli 2022 om 20:00 uur, waardoor de termijn van ophouding met 15 minuten is overschreden. Uit de uitspraak van de Afdeling2.van 29 oktober 20033.volgt echter dat er geen grond is voor het oordeel dat de inbewaringstelling onrechtmatig is, als er vóór het verstrijken van de termijn van ophouding is aangevangen met het gehoor. Gelet op het feit dat er in dit geval op 5 november 2022 om 17:50 uur – dus vóór het verstrijken van de termijn van ophouding – is aangevangen met het gehoor, leidt de termijnoverschrijding van 15 minuten naar het oordeel van de rechtbank niet tot onrechtmatigheid van de bewaring.
4. De rechtbank overweegt tenslotte dat zij, nu zij gehouden is de maatregel van bewaring ambtshalve op rechtmatigheid te beoordelen4., ook los van wat eiser zelf aanvoert, geen onregelmatigheden heeft vastgesteld die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.