Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/44.3
44.3 Bottom-up bevraging
mr. A. Outhuijse, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. A. Outhuijse
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover J.H. Jans & A. Outhuijse, ‘De afschaffing van de bezwaarfase bij boetebesluiten van de ACM’, SEW 2013-1, p. 2-11.
Zie onder andere: M. Herweijer & J.R. Lunsing, Hoe beleven burgers de bezwaarprocedure? Meta-evaluatie beleving door burgers van bezwaar, Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties 2011; B.J. van Ettekoven & A.T. Marseille, ‘Afscheid van de klassieke procedure?’, in: Preadvies Nederlandse Juristen-Vereniging, Den Haag: Wolters Kluwer 2017, p. 139-264; M. Wever, ‘De bezwaarprocedure: Onderzoek naar verbanden tussen de inrichting van de procedure en de inhoudelijke kwaliteit van bezwaarbehandeling’, Recht der Werkelijkheid, 2017(2), 120-130; A.T. Marseille, B.W.N. de Waard & M. Wever, Evaluatie bezwaarschriftprocedure gemeente Tilburg, Groningen: Rijksuniversiteit Groningen, Vakgroep Bestuursrecht & Bestuurskunde 2017.
Zie bijv. M. Biesheuvel, ‘Weg met bezwaarschriftenprocedure’, NJB 1996/24, p. 930, met naschrift p. 1113-1114 en 1215.
A. Outhuijse, ‘The effective public enforcement of the prohibition of anti-competitive agreements: perceptions on the functioning of the objection procedure and the reality’, nog niet gepubliceerd.
Ibid.
Kamerstukken II 2000/01, 27639, 33, p. 33 e.v.; zie hierover B.M.J. van der Meulen, M.E.G. Litjens & A.A. Freriks, Prorogatie in de Awb Invoeringsevaluatie rechtstreeks beroep, Den Haag: WODC 2005, p. 22.
Ibid.
SER, Evaluatie en aanpassing Mededingingswet, Den Haag: SER 2003, p. 105.
Om dat concreet in cijfers te zetten: de ACM heeft sinds 2010 boetes opgelegd in 22 kartelzaken. Ten minste één of meerdere ondernemingen hebben bezwaar aangetekend in negentien van de 22 zaken, die 86 procent van de zaken vertegenwoordigen, terwijl het begin van een bezwaarprocedure mogelijk blijft in één meer zaak. De ondernemingen hebben met succes verzocht om de bezwaarprocedure te omzeilen in vier van de negentien gevallen. Zie A. Outhuijse, ‘The effective public enforcement of the prohibition of anti-competitive agreements: perceptions on the functioning of the objection procedure and the reality’, nog niet gepubliceerd.
A. Outhuijse, ‘The effective public enforcement of the prohibition of anti-competitive agreements: perceptions on the functioning of the objection procedure and the reality’, nog niet gepubliceerd.
Aldus de Memorie van Toelichting bij de Eerste tranche van de Awb, PG Awb I, p. 279.
Zie in meer detail Van Ettekoven & Marseille 2017.
Een ‘filterwerking’ van meer dan 90 procent is geen uitzondering. Zie met name Marseille & Ettekoven 2017, p. 139-264; A.T. Marseille, ‘Burgers in bezwaar en beroep; over de toegankelijkheid van het bestuursrecht’, Justitiële Verkenningen 2014/1; J.G. van Erp & C.M. Klein Haarhuis, De filterwerking van buitengerechtelijke procedures, Den Haag: WODC 2006; I.M. Boekema, De stap naar hoger beroep, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2015; K.H. Sanders, De heroverweging getoetst, Deventer: Kluwer 1998. Bovendien, op het gebied van andere economische boetebesluiten, zoals het bankentoezicht en het toezicht op financiële markten door DNB en de AFM, dient slechts een beperkt aantal ondernemingen hun zaken voor rechterlijke beroep in. Zie: A. Mein, De boete uit balans. Het gebruik van de bestuurlijke boete in het kader van het financieel toezicht, Rotterdam: Erasmus University Rotterdam 2015, p. 308-9; Commissie-Ottow, Externe evaluatie toetsingsproces AFM en DNB, Utrecht: AFM/DNB 2016.
A. Outhuijse, ‘Effective Public Enforcement of the Cartel Prohibition in the Netherlands: a Comparison of ACM Fining Decisions, District Court Judgments, and TIAT Judgments’ in: C. Rusu e.a. (red), Boosting the Enforcement of EU Competition Law at Domestic Level, Cambridge: Cambridge Scholars 2017; A. Outhuijse and J.H. Jans, ‘Judicial Review of Decisions of the Dutch Competition Authority’, in: W Devroe e.a. (red.), Mundi et Europae civis; Liber Amicorum Jacques Steenbergen, Gent: Larcier 2014; Jans & Outhuijse 2013. Dit percentage is berekend op basis van de zaken voor 2010. Het totaal van zaken van 1999 tot nu waarin de ACM boetes heeft opgelegd voor mededingingsbeperkende afspraken leidt tot een percentage van 81 procent van de zaken: een beroep is ingediend bij de Rechtbank Rotterdam in 42 van de 52 zaken. In de parlementaire stukken voor het opstellen van de ACM in 2013 wordt een percentage van 87 procent genoemd tussen de jaren 2000 en 2011. Het is echter onduidelijk welk type zaken in deze berekening is opgenomen. Kamerstukken II 2012/13, 33622, 3, p. 12.
A. Outhuijse, ‘The effective public enforcement of the prohibition of anti-competitive agreements: Why do undertakings in the Netherlands appeal?’, Competition Law Review 2018, beschikbaar via SSRN: https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=3183065.
Zie Jans & Outhuijse 2013.
Kamerstukken II 2012/13, 33622, 3, p. 14-15.
A. Outhuijse, ‘The effective public enforcement of the prohibition of anti-competitive agreements: perceptions on the functioning of the objection procedure and the reality’, nog niet gepubliceerd.
Commissie-Ottow 2016, p. 152. G.P. Roth, ‘Bezwaar maken bij de AFM en DNB’, Ondernemingsrecht 2018/23.
In toenemende mate zijn er ontwikkelingen binnen het handhavingsrecht die losstaan van het Europees recht, hoewel het veelal Europese rechtsgebieden betreft, waarbij de gebruikers de Awb op de proef stellen en wordt gevraagd om afwijkingen van de Awb. Voor verschillende handhavingsautoriteiten, zoals de ACM, AFM en de Nederlandsche Bank (DNB), is bijvoorbeeld de vraag gesteld of de belangrijkste geschilbeslechtingsprocedure uit de Awb, de bezwaarprocedure uit hoofdstuk 7 Awb, een toegevoegde waarde biedt of dat deze zou moeten worden afgeschaft bij de rechtsgebieden waarover deze autoriteiten toezichthouden. Deze vraag werd reeds in 2012 opgeworpen voor mededingingsrechtelijke boetes.1
Hoewel de algemene ervaringen met deze procedure positief zijn op andere gebieden dan het mededingingsrecht, is dit niet het geval in kartelzaken.2 Sinds de introductie in 1998 zijn de verschillende betrokken partijen, zoals de mededingingsautoriteit, advocaten en ondernemingen, negatief over de manier waarop de bezwaarprocedure in kartelzaken functioneert.3 De ontevredenheid van de huidige groep van advocaten die beboete ondernemingen bijstaan komt vooral voort uit het feit dat ze er weinig vertrouwen in hebben dat hun bezwaren effectief zullen zijn wat betreft het inhoudelijk veranderen van het boetebesluit.4
Hierbij wordt in feite de vraag opgeworpen wat de toegevoegde waarde is van het besluit op bezwaar ten opzichte van het primaire besluit.5 De veronderstelling onder de partijen lijkt te zijn dat het besluit op bezwaar slechts in zeer beperkte mate afwijkt van de oorspronkelijke beslissing. Dit laatste lijkt een algemenere aanname te zijn die onder meer blijkt uit het feit dat de wetgever deze veronderstelling ook heeft uitgedrukt in het wetgevingsmemorandum bij de introductie van het rechtstreeks beroep in de Awb.6 Volgens de wetgever is het mededingingsrecht het perfecte voorbeeld van een rechtsgebied waarin de mogelijkheid van rechtstreeks beroep nuttig zal zijn, aangezien de mededingingsautoriteit zelden fouten maakt in haar oorspronkelijke boetebesluit en daarom niet de gelegenheid hoeft te hebben om haar beslissingen te repareren.7 Verschillende auteurs, zoals de auteurs die de Nederlandse Mededingingswet evalueerden, stelden ook dat het besluit op bezwaar zelden afwijkt van de oorspronkelijke beslissing.8 Een empirische analyse van de zaken laat echter zien dat in de praktijk de directe beroepsmogelijkheid slechts incidenteel wordt gebruikt in kartelzaken en meer dan 70 procent van de beboete ondernemingen de bezwaarprocedure gebruikt om de boete aan te vechten.9 Verder laat eigen onderzoek zien dat de aannames van praktijkjuristen en academici dat het besluit op bezwaar niet afwijkt van het primaire besluit niet volledig wordt door de zaaksanalyse bevestigd.10
De procedure in kartelzaken is ook bekritiseerd vanwege het beperkte vermogen om geschillen te beslechten. Volgens de toelichting bij de Awb is de bezwaarprocedure bedoeld als laagdrempelige procedure voor het oplossen van geschillen tussen de overheid en de burger.11 Er moet voorkomen worden dat het geschil, na de bezwaarprocedure, resulteert in een langdurige, formele en juridische procedure voor de rechtbank.12 In de praktijk wordt een grote meerderheid van de administratieve geschillen inderdaad opgelost in de bezwaarprocedure.13 Dit is echter anders voor kartelzaken. Eerdere eigen onder- zoeken hebben aangetoond dat ondernemingen in meer dan zeventig procent van de gevallen beroep instellen bij de exclusief bevoegde Rechtbank Rotterdam.14 Dit percentage is de afgelopen jaren zelfs gestegen tot 90 procent.15
De toegevoegde waarde en noodzaak van de bezwaarprocedure was ook een punt van discussie tijdens het wetgevingsproces waarbij de ACM in 2013 werd opgericht door de NMa samen te voegen met de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit Nederland (OPTA) en de Nederlandse Consumentenautoriteit (CA).16 De eerste versie van het wetsontwerp tot oprichting van de ACM bevatte een voorstel om de bezwaarprocedure voor ACM-sanctiebesluiten af te schaffen. De argumenten voor afschaffing waren dat de doelstellingen van de bezwaarprocedure niet werden bereikt, omdat deze slechts in beperkte mate in staat bleek te zijn geschillen op te lossen en dat afschaffing zowel tijd als geld zou besparen.17 Na ontvangst van een negatief advies van de Raad van State, inhoudende dat de voor- en nadelen van deze keuze onvoldoende waren afgewogen, heeft de wetgever besloten de bezwaarprocedure te handhaven, maar heeft zij wel een belangrijke wijziging in de procedure aangebracht, namelijk het niet langer verplicht stellen van de externe adviescommissie.
Eigen onderzoek toont aan dat een reorganisatie van de bezwaarprocedure, bijvoorbeeld door het verhogen van de informaliteit of het herintroduceren van de externe adviescommissie, het geschilbeslechtend vermogen van de bezwaarprocedure niet zal verbeteren zolang de bedrijven zo succesvol zijn in het aanvechten van hun boetes voor de rechtbank.18 Het principiële geschil dat bestaat tussen beide partijen is niet geschikt om in de bezwaarprocedure te worden opgelost. Zoals sommige beoefenaren beschreven, dragen deze bevindingen bij aan het idee dat de bezwaarprocedure kan en moet worden afgeschaft en dit type zaken kan worden toegevoegd aan bijlage 1 van de Awb: de regeling rechtstreeks beroep.
Het mededingingsrecht is niet het enige rechtsgebied waar dit geluid momenteel klinkt. Hetzelfde geldt voor de handhavingsprocedures bij de DNB en AFM. Naar aanleiding van het rapport van de Commissie Ottow waarin naar voren kwam dat de bezwaren van appellanten maar zelden worden gehonoreerd werd in de daaropvolgende literatuur de vraag opgeworpen naar de toegevoegde waarde van de bezwaarprocedure en tevens gepleit voor het facultatief maken van de procedure bij deze toezichthouders. 19