Rb. Haarlem, 25-05-2005, nr. 94556/HA ZA 03-934
94556/HA ZA 03-934
- Instantie
Rechtbank Haarlem
- Datum
25-05-2005
- Magistraten
Mrs. Chr. A. Baardman, H.J.M. Burg, D. Sluis
- Zaaknummer
94556/HA ZA 03-934
- Roepnaam
UPS/Datec Electronics Holding
- Vakgebied(en)
Vervoersrecht (V)
Internationaal privaatrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Uitspraak, Rechtbank Haarlem, 25‑05‑2005
Uitspraak 25‑05‑2005
Mrs. Chr. A. Baardman, H.J.M. Burg, D. Sluis
Partij(en)
VONNIS VAN DE RECHTBANK TE HAARLEM,
MEERVOUDIGE KAMER,
in de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934 van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AXXIS HARDWARE B.V.,,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
eisende partij,
advocaat : mr. J.H.J. Theunissen te Rotterdam,
procureur: mr. M. Middeldorp.
tegen
- 1.
de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging
UPS LIMITED,
gevestigd en kantoorhoudende te Feltham, Middlesex, Verenigd Koninkrijk,
- 2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
UNITED PARCEL SERVICE NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partijen,
advocaat : mr. J. Spiegel te Amsterdam,
procureur: mr. H.K. Garvelink.
alsmede in de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935 van:
- 1.
de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging
DATEC ELECTRONICS HOLDINGS LIMITED,
gevestigd en kantoorhoudende te Stevenage, Verenigd Koninkrijk,
- 2.
de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging
AIG EUROPE (UK) LIMITED,
gevestigd en kantoorhoudende te Croydon, Verenigd Koninkrijk,
eisende partijen,
advocaat : mr. J.H.J. Teunissen te Rotterdam,
procureur: mr. M. Middeldorp.
tegen
- 1.
de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging
UPS LIMITED,
gevestigd en kantoorhoudende te Feltham, Middlesex, Verenigd Koninkrijk,
- 2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
UNITED PARCEL SERVICE NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partijen,
advocaat : mr. J. Spiegel te Amsterdam,
procureur: mr. H.K. Garvelink.
Eisende partij in de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934 zal hierna ook worden aangeduid als Axxis en eisende partijen in de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935 als Datec c.s. en eisende partijen ieder afzonderlijk als Datec resp. AIG, terwijl gedaagde partijen in beide zaken hierna ook worden aangeduid als UPS c.s. en gedaagde partijen ieder afzonderlijk als UPS Ltd. resp. UPS B.V..
1. Het verloop van het geding
Voor de loop van het geding verwijst de rechtbank naar de volgende zich in het griffiedossier bevindende gedingstukken, waarop vonnis is gevraagd:
In de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934:
- —
de op 20 mei 2003 uitgebrachte dagvaarding, met 7 producties en betekeningstukken;
- —
de conclusie van antwoord, met 3 producties;
- —
een akte houdende vermeerdering van eis en overlegging van producties aan de zijde van Axxis, met 3 producties;
- —
een akte houdende bezwaar tegen de vermeerdering van eis tevens houdende uitlating overlegging producties aan de zijde van UPS c.s.;
- —
de beslissing rolrechter van 3 december 2003;
- —
de conclusie van repliek, met 2 producties;
- —
de conclusie van dupliek;
- —
het proces-verbaal betreffende de mondelinge behandeling op 16 augustus 2004;
- —
een akte houdende overlegging producties aan de zijde van Axxis, met 2 producties;
- —
een antwoordakte aan de zijde van UPS c.s..
In de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935:
- —
de op 11 april 2003 uitgebrachte dagvaarding, met betekeningstukken;
- —
een akte overlegging producties aan de zijde van Datec c.s., met 9 producties;
- —
de conclusie van antwoord, met 3 producties;
- —
de conclusie van repliek, met 7 producties;
- —
de conclusie van dupliek;
- —
het proces-verbaal betreffende de mondelinge behandeling op 16 augustus 2004.
2. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweersproken inhoud van overgelegde producties, staat in dit geding het volgende vast:
In de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934:
- a.
Axxis heeft op 25 juli 2002 van Platium Components Ltd 864 Intel Pentium processoren gekocht met een factuurwaarde van US$ 141.696,--;
- b.
voornoemde lading is diezelfde dag door UPS Ltd. in Ashford, Verenigd Koninkrijk, van Forward Logistics (Heathrow) Ltd. als afzender ten vervoer aangenomen op basis van een daartoe afgegeven UPS Waybill met tracking number [nummer] ter aflevering aan L&A Freight B.V. te Schiphol. Blijkens voornoemde vrachtbrief had de zending een gewicht van 25 kg;
- c.
voornoemde vrachtbrief vermeldt rechts onderaan:
UPS OnLine Worldship 4.0 HP LaserJet5L on TERMINAL4 HP
- d.
de zending is door UPS Ltd. over de weg van Ashford naar Luton, Verenigd Koninkrijk, vervoerd en vervolgens door de lucht van Luton naar Keulen, Duitsland ter verder vervoer over de weg naar Schiphol;
- e.
de zending is niet afgeleverd op de plaats van bestemming;
- f.
verzekeraars van Axxis hebben de door haar geleden schade ad US$ 141.696,-- vergoed, waardoor verzekeraars zijn gesubrogeerd in de rechten van Axxis jegens derden. Verzekeraars hebben aan Axxis last en volmacht gegeven om hun regres-recht namens hen uit te oefenen en daartoe zonodig op eigen naam rechtsgedingen te voeren;
- g.
Forward Logistics (Heathrow) Ltd. heeft haar rechten op derden ter zake van de schade voortvloeiende uit het verlies van de zending gecedeerd aan Axxis;
- h.
Axxis heeft zich de rechten van de geadresseerde L&A Freight B.V. laten cederen.
In de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935:
- i.
blijkens factuur van 11 april 2002 met nummer 523674 heeft Datec aan Eurobridge Purchase and Logistics B.V. (hierna: Eurobridge) verkocht 576 computer components met een factuurwaarde van US$ 77.910,--;
- j.
voornoemde lading is op 10 april 2002 door UPS Ltd. in Bletchley, Verenigd Koninkrijk, ten vervoer aangenomen op basis van een daartoe afgegeven UPS Waybill met tracking number [nummer] ter aflevering aan de geadresseerde Eurobridge te Schiphol. Blijkens voornoemde vrachtbrief had de zending een gewicht van 16,8 kg;
- k.
voornoemde vrachtbrief vermeldt rechts onderaan: UPS OnLine Worldship 3.5 HP LaserJet 1100 LaserJet 1
- l.
de zending is door UPS Ltd. over de weg van Bletchley naar Luton, Verenigd Koninkrijk, vervoerd en vervolgens door de lucht van Luton naar Keulen, Duitsland ter verder vervoer over de weg naar Schiphol;
- m.
de zending is niet afgeleverd op de plaats van bestemming;
- n.
ingevolge overeenkomst van verzekering daartoe gehouden heeft AIG voornoemde koopprijs vermeerderd met vrachtkosten ad US$ 150,--, zijnde in totaal US$ 77.910,-- aan Datec vergoed en is zij gesubrogeerd in de rechten van Datec op derden;
- o.
bovendien heeft AIG zich de rechten van de geadresseerde Eurobridge laten cederen.
In beide zaken:
- p.
UPS Ltd. biedt aan haar klanten een software systeem aan onder de naam UPS OnLine Worldship met behulp waarvan klanten langs elektronische weg vervoersopdrachten aan haar kunnen geven.
- q.
wanneer gebruik gemaakt wordt van UPS OnLine Worldship krijgt de betreffende klant de vraag voorgelegd of de Terms and Conditions of Carriage van UPS Ltd. (hierna: de vervoerscondities) worden geaccepteerd. Uitsluitend indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, krijgt de klant verdere toegang tot het systeem;
- r.
de vervoerscondities bevatten onder meer de navolgende bepalingen:
‘(…)
- 3.
Conditions of Carriage
This section sets out various restrictions and conditions which limit and govern the extent of the service UPS offers. It also explains what the consequences are of the shipper presenting packages for carriage which do not meet these requirements.
- (a)
Service Restrictions and Conditions
UPS does not offer carriage of packages which do not comply with the restrictions in paragraphs (i) to (iv) below.
(…)
- (ii)
The value of any package may not exceed the local currency equivalent of USD 50,000. (…)
- (c)
Refusal and Suspension of Carriage
- (i)
If it comes to the attention of UPS that any package does not meet any of the above restrictions or conditions or that any COD amount stated on a COD Waybill exceeds the limits specified in paragraph 8, UPS may refuse to transport the relevant package (or any shipment of which it is a part) and, if carriage is in progress, UPS may suspend carriage and hold the package or shipment to the shipper's order)
(…)
- (e)
UPS will not meet any losses which the shipper may suffer arising out of UPS carrying packages which do not meet the restrictions or conditions set out in paragraph (a) above and, if UPS does suspend carriage for a reason allowed by these terms, the shipper shall not be entitled to any refund on the carriage charges it has paid.’
- s.
Bij de vervoersopdrachten ter zake van de zendingen als hiervoor sub b en sub j genoemd, is van UPS OnLine Worldship gebruik gemaakt;
- t.
De zendingen als hiervoor sub b en sub j genoemd zijn verdwenen tijdens het vervoer over de weg van Keulen naar de respectieve plaatsen van destinatie te Schiphol.
3. De vorderingen
In de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934:
3.1
Na vermeerdering van eis vordert Axxis veroordeling van UPS c.s. hoofdelijk, althans UPS Ltd., althans UPS B.V. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis van de rechtbank tot betaling van US$ 141.086,71, te vermeerderen met 5% rente vanaf 16 december 2002 althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening alsmede de buitengerechtelijke kosten ad € 3.348,-- althans € 2.450,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling in de proceskosten.
3.2
Volgens Axxis is UPS Ltd. als contractuele vervoerder jegens haar als cessionaris van de afzender Forward Logistics en de geadresseerde L&A Freight en als incassogevolmachtigde van haar verzekeraars onbeperkt aansprakelijk voor het verlies van de zending op grond van art. 3 jo. art. 17 jo. art. 29 CMR. De verduistering van de zending door een tewerkgestelde werknemer van UPS B.V. kan aan haar worden toegerekend. UPS B.V. is als opvolgend vervoerder jegens Axxis als cessionaris van L&A Freight onbeperkt aansprakelijk op grond van de art. 34 jo. art. 36 jo. art. 29 CMR. Subsidiair baseert Axxis haar vordering als incassogevolmachtigde van haar verzekeraars tegen UPS c.s. op art. 6:162 jo art. 6:170 BW.
In de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935:
3.3
Datec c.s. vorderen veroordeling van UPS c.s. hoofdelijk, althans UPS Ltd., althans UPS B.V. bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis van de rechtbank tot betaling van US$ 77.910,--, althans de tegenwaarde in euro's tegen de koers van de dag van betaling, te vermeerderen met de CMR-rente vanaf 23 april 2002, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening alsmede de buitengerechtelijke kosten ad € 939,60 beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening en met veroordeling van UPS c.s., althans van UPS Ltd., althans van UPS B.V. in de proceskosten.
3.4
Volgens Datec c.s. is UPS Ltd., althans UPS B.V. onbeperkt aansprakelijk voor het verlies van de zending op grond van art. 17 CMR.
4. Het verweer
In beide zaken:
4.1
UPS c.s. hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Primair hebben zij zich op het standpunt gesteld dat de vervoerovereenkomsten onder invloed van dwaling zijn tot stand gekomen. Om die reden is de vernietiging van de respectieve overeenkomsten ingeroepen. Subsidiair beroepen UPS c.s. zich op beperking van hun aansprakelijkheid tot het bedrag van de limiet ingevolge art. 23 CMR. Meer subsidiair beroepen UPS c.s. zich erop dat hun aansprakelijkheid hoe dan ook niet een hoger bedrag beloopt dan een bedrag van US$ 50.000,--, zijnde de maximale waarde van pakketten die UPS op grond van haar vervoersvoorwaarden bereid is te vervoeren.
5. Beoordeling van het geschil
In beide zaken:
5.1
Aangezien de vorderingen van de eisende partijen tegen zowel een in Nederland gevestigde gedaagde partij sub 1 als een niet in Nederland, want in het Verenigd Koninkrijk, gevestigde gedaagde partij sub 2 is ingesteld, rijst de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen. Van de zijde van gedaagde partijen is niet weersproken dat
- (i)
beide zendingen zijn verloren gegaan tijdens het wegvervoer van Keulen naar Schiphol,
- (ii)
zodanig wegvervoer onderworpen is aan de bepalingen van het CMR-verdrag alsmede
- (iii)
beide zendingen dienden te worden afgeleverd in Schiphol.
Op grond van art. 31 lid 1 sub b CMR heeft de Nederlandse rechter derhalve rechtsmacht. Nu de plaats van aflevering is gelegen binnen het rechtsgebied van deze rechtbank, is de rechtbank op grond van art. 630 Rv. bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen tegen beide gedaagden.
5.2
Nadat de eisende partijen reeds tijdens de mondelinge behandeling een rechtskeuze hadden gedaan voor toepasselijkheid van Nederlands recht, heeft de raadsman van gedaagde partijen de rechtbank bij brieven van 18 augustus 2004 meegedeeld dat eveneens ermee wordt ingestemd dat Nederlands recht wordt geacht toepasselijk te zijn. Daarbij werd aangetekend dat zulks onverlet laat dat op het wegtraject van Keulen naar Amsterdam het CMR van toepassing is.
5.3
Het voorgaande heeft tot gevolg dat in beginsel de bepalingen van het CMR-verdrag toepassing zullen vinden en dat ten aanzien van die aspecten waarvoor het CMR-verdrag geen regeling bevat, zal worden uitgegaan van toepasselijkheid van Nederlands recht.
In de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934:
Ten aanzien van UPS Ltd.
5.4
Het primaire verweer, inhoudende een beroep op dwaling, stoelt — kort gezegd — op de stelling dat
- (i)
de vervoerovereenkomst tot stand is gekomen op basis van de vervoerscondities, welke onder meer voorzien in een verbod om pakketten via UPS te verzenden die een waarde vertegenwoordigen van meer dan (het equivalent van) US$ 50.000,-- en
- (ii)
dat verbod is genegeerd.
Die stellingname en het daarop gebaseerde verweer zijn door eisers gemotiveerd betwist.
5.5
Het verweer doet in de eerste plaats de vraag rijzen of de vervoerscondities moeten worden geacht toepasselijk te zijn op de met UPS Ltd. gesloten overeenkomst. Volgens art. 9 CMR levert de vrachtbrief, behoudens tegenbewijs, volledig bewijs van de voorwaarden van de vervoerovereenkomst en van de ontvangst van de goederen. Daarvan uitgaande komt het erop aan te beoordelen of, ervan uitgaande dat in de vrachtbrief niet met zoveel woorden melding is gemaakt van toepasselijkheid van de vervoerscondities en die voorwaarden derhalve in beginsel geen contractsinhoud vormen van de met UPS Ltd. gesloten vervoerovereenkomst, toepasselijkheid niettemin moet worden aangenomen op grond van de vermelding als hierboven in r.o. 2 sub c aangeduid en deze vermelding aldus tegenbewijs oplevert in de zojuist bedoelde zin.
5.6
Die vraag moet naar het oordeel van de rechtbank in bevestigende zin worden beantwoord. Bij repliek heeft Axxis volstaan met aan te voeren dat zij bij navraag bij Forward Logistics had vernomen dat toepasselijkheid van de vervoerscondities digitaal noch anderszins was overeengekomen. Bij pleidooi heeft Axxis haar verweer uitgewerkt door te stellen dat ter zake van de opdrachtverstrekking gebruik is gemaakt van een software pakket met een (air)waybill program dat door UPS is geïnstalleerd en dat geen gebruik is gemaakt van de UPS website. Die stellingname, waarvan iedere feitelijke onderbouwing achterwege is gelaten, laat onverlet dat de vrachtbrief de vermelding bevat, zoals hiervoor aangeduid in r.o. 2 sub c. Temeer waar die vrachtbrief door Forward Logistics is ondertekend, is de rechtbank van oordeel dat Axxis de stellingname zijdens UPS c.s. onvoldoende heeft weersproken en moet van de juistheid van die stellingname worden uitgegaan. Op grond van art. 6:145 BW kunnen UPS c.s. die stellingname ook aan Axxis tegenwerpen, nu laatstgenoemde zich de rechten van Forward Logistics heeft laten cederen en haar vordering mede als cessionaris van laatstgenoemde heeft ingesteld.
5.7
Zijdens Axxis is niet betwist dat bij het doorlopen van het UPS OnLine Worldship op enig moment aan de klant de vraag ter beantwoording is voorgelegd of de vervoerscondities worden aanvaard en dat slechts in geval van bevestigende beantwoording daarvan verdere toegang tot het systeem wordt verkregen. Op grond van de ondertekening door Forward Logistics van de vrachtbrief moet er tevens van worden uitgegaan dat zij zich akkoord heeft verklaard met toepasselijkheid van de vervoerscondities. Derhalve moet de vervoerovereenkomst worden geacht te zijn gesloten onder toepasselijkheid van de vervoerscondities. Voorts heeft Axxis bij pleidooi nog aangevoerd dat UPS Ltd. ermee bekend was ‘dat Forward Logistics regelmatig zendingen aanbood met een hogere waarde dan US$ 50.000,--, welke zendingen door UPS steeds zijn aanvaard.’ Tevens zou UPS dat hebben kunnen afleiden uit de aard van de onderhavige zending en het meezenden met de vrachtbrief van vijf kopieën en het origineel van de factuur. Nog daargelaten dat Axxis feitelijke onderbouwing van die stellingname achterwege heeft gelaten is door haar niet is weersproken dat, zoals door UPS c.s. is aangevoerd, de partij processoren over een twee of meer pakketten had kunnen worden verdeeld om zo de waarde per pakket te verminderen. Met andere woorden, de aard van de zendingen staat er niet aan in de weg dat de waarde per pakket beneden een bedrag van US$ 50.000,-- had kunnen blijven. Derhalve moet aan de bij pleidooi betrokken stellingname van Axxis worden voorbijgegaan.
5.8
Ten aanzien van de voorgaande overwegingen kan in het midden blijven in welke hoedanigheid de schadevordering is ingesteld. Immers, voor zover Axxis ageert uit hoofde van de door UPS c.s. niet-betwiste cessie van de rechten van de geadresseerde L&A Freight geldt dat weliswaar op de vrachtbrief niet met zoveel woorden melding is gemaakt van toepasselijkheid van de vervoerscondities, maar moet UPS Ltd. worden geacht te zijn geslaagd in het tegenbewijs als waarvan in art. 9 CMR sprake is (vgl r.o. 5.5). Die vervoerscondities heeft ook L&A Freight onder de gegeven omstandigheden tegen zich te laten gelden. Dat geldt evenzeer ten aanzien van de rechten van verzekeraars, die immers voortborduren op die van Forward Logistics en/of L&A Freight.
5.9
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de verbodsbepaling ex art. 3 sub a onder ii uit de vervoerscondities ten opzichte van Forward Logistics en daarmee Axxis gelding heeft. Tussen partijen staat als onbetwist vast dat Forward Logistics zonder instemming van UPS Ltd. een pakket ten vervoer heeft aangeboden met een hogere waarde dan (het equivalent van) US$ 50.000,--, zijnde strijdig met voornoemde verbodsbepaling. Aldus staat ter beoordeling of UPS Ltd. een beroep op dwaling toekomt, welke vraag bij gebreke van een specifieke regeling in het CMR-verdrag naar Nederlands recht moet worden beantwoord. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
5.10
Aan hun primaire beroep op dwaling hebben UPS c.s. voornoemde verbodsbepaling ten grondslag gelegd in combinatie met de laatste paragraaf van art. 3 sub a bepalende dat de verzender verantwoordelijk is voor de nauwkeurigheid en volledigheid van de gegevens op de vrachtbrief. Bij gebreke van invulling door Axxis van de waarde van de zending verkeerde UPS Ltd. in de veronderstelling dat het onderhavige pakket geen hogere waarde vertegenwoordigde dan US$ 50.000,--. Die stellingname faalt reeds op grond van de feitelijke vaststelling dat de vrachtbrief slechts een vakje voor ‘Declared Value for Insurance’ vermeldt en geen vakje betreffende de waarde van de zending. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat de afzender heeft nagelaten de waarde van het pakket op de vrachtbrief te vermelden, zodat het door UPS c.s. gedane beroep op voornoemde Veronderstelling feitelijk ongegrond is.
Ten aanzien van UPS B.V.
5.11
Met betrekking tot de vorderingen op UPS B.V. verschillen partijen over de vraag of UPS B.V. als opvolgend vervoerder in de zin van art. 34 CMR heeft te gelden. Die vraag moet in ontkennende zin worden beantwoord. Laatstgenoemd artikel ziet alleen op aaneengesloten wegvervoer door opvolgende wegvervoerders. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake geweest, omdat, naar tussen partijen niet in geschil is, het wegvervoer van Keulen naar Schiphol onmiddellijk in aansluiting op een vervoerstraject door de lucht, te weten van Luton naar Keulen. Om die reden kan UPS B.V. niet als opvolgend vervoerder in de zin van art. 34 CMR worden aangemerkt, maar heeft zij te gelden als hulppersoon van UPS Ltd. in de zin van art. 3 CMR.
5.12
Het voorgaande betekent dat UPS B.V. evenmin ex art. 34 CMR partij is geworden bij de tussen Forward Logistics en UPS Ltd. gesloten vervoerovereenkomst. Reeds om die reden moet het bij wijze van primair verweer gedane beroep op dwaling worden afgewezen.
Ten aanzien van UPS c.s.
5.13
Met betrekking tot het subsidiaire, op art. 23 CMR gebaseerde verweer overweegt de rechtbank het volgende. Dat ook UPS B.V. zich op die verdragsbepaling kan beroepen, volgt uit art. 28 lid 2 CMR. De beoordeling van dat verweer houdt verband met hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd ten aanzien van de toedracht van de verdwijning.
5.13.1.
Bij dagvaarding heeft Axxis — kort samengevat — aangevoerd begrepen te hebben dat de chauffeur van UPS die het pakje bij haar moest afleveren nog maar kort bij UPS in dienst was en na 26 juli 2002 niet meer voor zijn werkzaamheden is komen opdagen, dat dezelfde dag nog een ander pakje bestemd voor L&A Freight was verdwenen en dat UPS verdere informatie niet heeft willen verstrekken.
5.13.2.
Daarop hebben UPS c.s. bij antwoord gewezen op de enorme hoeveelheden pakketten die dagelijks worden vervoerd, dat uit haar Tracking en Tracing systeem niet kan worden opgemaakt wat er mis is gegaan en dat zij alles heeft gedaan wat zij kon om te achterhalen wat er met de onderhavige zending is gebeurd. Met de door Axxis opgevangen geruchten over een ontslagen chauffeur ‘kan UPS niet zo veel’. Ten aanzien van het hardnekkige gerucht dat vaker pakketjes verdwijnen bij de vestiging in Amsterdam stelt UPS dat het ‘een slag in de lucht’ lijkt en dat Axxis tenminste zou moeten aangeven waar zij dat gerucht vandaan heeft.
5.13.3.
Vervolgens heeft Axxis bij repliek overgelegd en aangehaald een expertiserapport van Expertisebureau Binnendijk-Bree dat op 24 september 2002 in opdracht van haar verzekeraars is uitgebracht. Daarin staat onder meer:
‘Wij hebben contact weten te leggen met het depot van UPS aan de Deccaweg te Amsterdam. Daarbij hebben wij aangedrongen op een intern onderzoek, hetgeen daarin resulteerde dat UPS aangifte zou gaan doen bij de Politie.
Na enig aandringen hebben wij deze zaak op 13 augustus 2002 ten kantore van UPS aan de Deccaweg te Amsterdam uitvoerig besproken. Daarbij kwam naar voren dat de routing van het pakket zoals hiervoor beschreven, volgens de reguliere procedures is uitgevoerd.
Na binnenkomst te Amsterdam is het pakket gescand en via de sorteerbanden naar de truck-docks geleid, alwaar het pakket werd geladen in een gereedstaande auto, welke de route Schiphol zou rijden.
Voor zover kan worden nagegaan is het pakket in de auto geladen, doch nimmer door L&A Freight B.V. ontvangen. Via haar GPS tracking systeem kon UPS nagaan dat tijdens de route geen noemswaardige vertraging is opgetreden.
Wij verzochten UPS om nadere gegevens met betrekking tot de personele bezetting, met name die van de betreffende auto. Na enig aandringen was UPS bereid nadere gegevens te verstrekken, echter geen namen van medewerkers.
Onderzoek door UPS heeft uitgewezen dat de chauffeur van de auto nog maar kort bij UPS in dienst was. Op vrijdag 26 juli 2002 heeft deze chauffeur zijn geplande dienst gedraaid. Echter, daarna is hij niet meer op komen dagen en is niets meer van hem vernomen.
Eén en ander was voor UPS aanleiding om bij de politie aangifte te doen. Op 20 augustus 2002 heeft UPS aangifte gedaan op het Bureau Lodewijk van Deijsselstraat te Amsterdam. Alwaar deze zaak is geregistreerd ondernummer: [nummer] (…)
Met betrekking tot de oorzaak van de schade merken wij nog op dat, volgens verkregen informatie, een andere zending voor L&A Freight B.V., onder beheer van dezelfde chauffeur op dezelfde dag is verdwenen. Omdat de chauffeur niet meer is komen opdagen, heeft UPS hem wegens onwettige afwezigheid ontslagen. Tegen dit ontslag heeft betrokkene (tot op heden) geen protest ingediend.’
5.13.4.
Bij dupliek hebben UPS c.s. herhaald dat het Tracking en Tracing systeem wel aangeeft dát er iets is misgegaan, maar niet wát. Voor het overige hebben UPS c.s. volstaan met te stellen dat geenszins denkbeeldig is dat derden van buitenaf bij de verdwijning betrokken zouden zijn geweest.
5.13.5.
Na pleidooi heeft Axxis bij akte houdende overlegging producties kopieën overgelegd van processen-verbaal van aangifte resp. aanvullende aangifte door een functionaris van UPS B.V., gedateerd resp. 1 augustus 2002 en 20 augustus 2002. Daaruit blijkt dat een eerste aangifte van diefstal tegen een werknemer van UPS B.V. ter zake van 3 pakketten werd uitgebreid met een aangifte ter zake van de diefstal van een vierde pakket, zijnde het pakket zoals hiervoor genoemd in r.o. 2 sub j. Bij antwoordakte hebben UPS c.s. aangevoerd dat de aangifte tegen de werknemer in kwestie voorbarig bleek te zijn, omdat nadien bleek dat deze een verklaring kon geven voor zijn afwezigheid en zich vervolgens vrijwillig bij de politie heeft gemeld, aldaar betrokkenheid heeft ontkend en vervolgens is heengezonden. Omdat uit de aangifte verkeerde conclusies zouden kunnen worden getrokken, zou UPS de aangifte niet hebben overgelegd.
5.13.6.
Bij de beoordeling van voornoemde processuele standpunten stelt de rechtbank voorop dat de verdwijning heeft plaatsgevonden gedurende de periode dat de zending zich in de exclusieve invloedsfeer van UPS c.s. bevond. Nog daargelaten dat daaruit voortvloeit dat de afzender en/of geadresseerde ten aanzien van de wijze waarop het vervoer heeft plaatsgevonden alsmede van hetgeen tijdens het vervoer is voorgevallen in hoge mate afhankelijk is/zijn van informatie van de vervoerder, waarmee onder meer samenhangt dat op de vervoerder de plicht rust om de afzender en/of geadresseerde voldoende aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijslevering in een geval waarin door laatstgenoemde(n) een beroep op opzet of daarmee gelijk te stellen schuld wordt gedaan ter doorbreking van een ingeroepen limitering van aansprakelijkheid ingevolge art. 23 CMR, volgt uit de rechtsvorderlijke regels dat op UPS c.s. de plicht rustte om de gaandeweg de procedure door Axxis geconcretiseerde en onderbouwde stellingname in een daaraan beantwoordende mate van specificiteit te weerspreken. Dat hebben zij nagelaten. Immers, ondanks de mede op verzoek van UPS c.s. door Axxis bij repliek verder uitgewerkte en onderbouwde stellingname ten aanzien van de toedracht van de verdwijning, hebben UPS c.s. volstaan met een herhaling van hetgeen zij reeds bij antwoord hadden aangevoerd ten aanzien van het Tracking en Tracing systeem en het noemen van de mogelijkheid dat derden betrokken zijn geweest bij de verdwijning. Méér dan het noemen van die mogelijkheid, meer in bijzonder dat concrete aanwijzingen bestonden dat derden daadwerkelijk bij de onderhavige verdwijning betrokken zijn geweest, hebben UPS c.s. niet gedaan. Voor het overige zijn UPS c.s. in het geheel niet ingegaan op de bij repliek uitgewerkte feitelijke stellingname.
5.13.7.
Voorts hebben UPS c.s. bij dupliek gesteld ter zake van de verdwijning aangifte te hebben gedaan, juist omdat betrokkenheid van derden voor mogelijk werd en wordt gehouden. Het aangiftedocument hebben zij evenwel niet overgelegd. Tegelijk hebben zij aangevoerd dat tegen speculaties door Axxis ten aanzien van betrokkenheid van UPS werknemers geen kruid gewassen is. Naar het oordeel van de rechtbank had in de visie van UPS c.s. overlegging van de aangifte juist in de rede gelegen, omdat daaruit volgens hen de mogelijkheid van betrokkenheid van derden zou blijken. Tegen die achtergrond had van UPS c.s. mogen worden verwacht dat zij de aangifte bij dupliek hadden overgelegd.
5.13.8.
Het voorgaande klemt te meer, aangezien UPS c.s. bij antwoord sub 18 heeft gesteld met door Axxis opgevangen geruchten over een ontslagen chauffeur niet zo veel te kunnen en sub 19 dat het hardnekkige gerucht dat vaker pakketjes verdwijnen bij de vestiging van UPS te Amsterdam veeleer een slag in de lucht is. Axxis zou op zijn minst moeten aangeven waar zij dat gerucht vandaan had. Blijkens de datering van de bij nadere akte door Axxis overgelegde processen-verbaal en de stellingname in de antwoordakte wisten UPS c.s ten tijde van het opstellen van de conclusie van antwoord aanzienlijk méér over ‘geruchten over een ontslagen chauffeur’ en ‘konden’ zij er wel degelijk veel mee, maar moet het ervoor worden gehouden dat zij ervoor hebben gekozen de stellingname van Axxis niet gemotiveerd te weerspreken.
5.13.9.
Voorts is het de rechtbank uit de procedure met zaak- en rolnummer 94557/HA ZA 03-935 bekend dat UPS c.s. er ten tijde van het opstellen van de conclusie van antwoord mee bekend waren waarop het gerucht over de verdwijning van pakketjes op de Amsterdamse vestiging van UPS B.V. was gebaseerd was, in elk geval óók gebaseerd was.
5.13.10.
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat UPS c.s. zijn tekortgeschoten in de op hen rustende verplichting om de stellingname van Datec c.s. in een daaraan beantwoordende mate van specificiteit te weerspreken. Daaraan moet de conclusie worden verbonden dat het verweer moet worden gepasseerd.
5.14
Ter zake van de vraag of UPS c.s. daarmee onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de verdwijning van de zending overweegt de rechtbank het volgende. Toepassing van de vervoerscondities in de door UPS c.s. voorgestane zin, erop neerkomend dat UPS c.s. niet tot een hoger bedrag aansprakelijk zijn dan US$ 50.000,--, leidt tot een resultaat dat afwijkt van het bepaalde in art. 29 CMR. Aangezien daarop ingevolge art. 41 CMR de nietigheidssanctie is gesteld, kan zodanige uitleg niet worden aanvaard. Een en ander heeft tot gevolg dat UPS c.s. onbeperkt aansprakelijk zijn voor het verlies van de zending.
5.15
Bij pleidooi hebben UPS c.s. de hoogte van de door Datec c.s. gevorderde en op de factuurwaarde gebaseerde schade betwist. Aangezien UPS c.s. zodanig verweer voor het eerst bij pleidooi hebben gedaan, terwijl zij alle gelegenheid hebben gehad om zich in de daaraan voorafgegane conclusiewisseling daarvan te bedienen maar daarvan om hen moverende redenen hebben afgezien, moet dat verweer als strijdig met een goede procesorde worden beschouwd. Om die reden zal aan dat verweer worden voorbijgegaan.
5.16
Ten aanzien van de eisvermeerdering overweegt de rechtbank dat blijkens het bepaalde in art. 27 lid 2 CMR in een geval als het onderhavige de omrekening van gevorderde schade dient te geschieden volgens de koers van de dag van betaling. Om die reden zal de vordering van Axxis in hoofdsom worden toegewezen, zoals in het dictum vermeld.
5.17
De gevorderde CMR-rente zal als niet betwist vanaf 16 december 2002 worden toegewezen.
5.18
UPS c.s. hebben geen verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Die kosten zullen overeenkomstig het Rapport Voor-Werk II worden toegewezen.
In de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935:
5.19
De door Datec c.s gestelde en zijdens UPS c.s. niet betwiste uitkering door AIG aan Datec van de door laatstgenoemde geleden schade van US$ 77.760,-- uit hoofde van de tussen hen gesloten verzekeringsovereenkomst waarmee AIG is gesubrogeerd in de rechten van Datec, heeft tot gevolg dat uitsluitend AIG kan worden ontvangen in de vorderingen. Dat betekent dat Datec in haar vorderingen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Ten aanzien van UPS Ltd.
5.20
Het primaire verweer, inhoudende een beroep op daling, stoelt — kort gezegd — op de stelling dat
- (i)
de vervoerovereenkomst tot stand is gekomen op basis van de vervoerscondities, welke onder meer voorzien in een verbod om pakketten via UPS te verzenden die een waarde vertegenwoordigen van meer dan (het equivalent van) US$ 50.000,-- en
- (ii)
dat verbod is genegeerd.
Die stellingname en het daarop gebaseerde verweer zijn door eisers gemotiveerd betwist.
5.21
Het verweer doet in de eerste plaats de vraag rijzen of de vervoerscondities moeten worden geacht toepasselijk te zijn op de met UPS Ltd. gesloten overeenkomst. Volgens art. 9 CMR levert de vrachtbrief, behoudens tegenbewijs, volledig bewijs van de voorwaarden van de vervoerovereenkomst en van de ontvangst van de goederen. Daarvan uitgaande komt het erop aan te beoordelen of, ervan uitgaande dat in de vrachtbrief niet met zoveel woorden melding is gemaakt van toepasselijkheid van de vervoerscondities en die voorwaarden derhalve in beginsel geen contractsinhoud vormen van de met UPS Ltd. gesloten vervoerovereenkomst, toepasselijkheid niettemin moet worden aangenomen op grond van de vermelding als hierboven in r.o. 2 sub k aangeduid en deze vermelding aldus tegenbewijs oplevert in de zojuist bedoelde zin.
5.22
Die vraag moet naar het oordeel van de rechtbank in bevestigende zin worden beantwoord. Immers, door eisers is niet weersproken dat
- (i)
bij de aan UPS Ltd. gegeven vervoeropdracht gebruik is gemaakt van het UPS OnLine Worldship,
- (ii)
bij het doorlopen van dat systeem op enig moment aan de klant de vraag ter beantwoording is voorgelegd of de vervoerscondities worden aanvaard alsmede
- (iii)
dat slechts in geval van bevestigende beantwoording daarvan verdere toegang tot het systeem wordt verkregen.
Nu de vermelding rechts onderaan de vrachtbrief een verdere aanwijzing vormt dat de vervoerovereenkomst is tot stand gekomen middels het doorlopen van het UPS OnLine Worldship, moet worden aangenomen dat Datec zich akkoord heeft verklaard met toepasselijkheid van de vervoerscondities. Derhalve moet de vervoerovereenkomst worden geacht te zijn gesloten onder toepasselijkheid van de vervoerscondities. Aan de stellingname van Datec dat zij uiteraard niet zou hebben beoogd om zich aan toepasselijkheid van de vervoerscondities te onderwerpen moet reeds daarom geen betekenis worden toegekend, omdat niet gesteld of gebleken is dat die bedoeling voor UPS Ltd. kenbaar was. Voorts hebben Datec c.s. bij repliek nog aangevoerd dat UPS Ltd. moet worden geacht ermee bekend te zijn ‘dat de door Datec ten vervoer aangeboden colli in het algemeen een hogere waarde belopen dat het bedrag van US$ 50.000,--’. Daargelaten welke betekenis het daartoe door Datec c.s. overgelegde schrijven van de expediteur van Datec (Tibbett & Brittan Ltd.) heeft, had het tegen de achtergrond van de bewoordingen van art. 3 sub a onder ii. in combinatie met de beweerdelijk daarvan afwijkende vervoersbehoefte van Datec op haar weg gelegen om specifiek met UPS Ltd. overeen te komen dat voornoemde bepaling niet zou gelden. Niet is gesteld of gebleken dat een zodanige afspraak is gemaakt. Derhalve moet aan de bij repliek betrokken stellingname van Datec c.s. worden voorbijgegaan.
5.23
Ten aanzien van de voorgaande overwegingen kan in het midden blijven in welke hoedanigheid de schadevordering is ingesteld. Immers, voor zover AIG ageert uit hoofde van de door UPS c.s. niet-betwiste cessie van de rechten van Eurobridge, geldt dat weliswaar op de vrachtbrief niet met zoveel woorden melding is gemaakt van toepasselijkheid van de vervoerscondities, maar moet UPS Ltd. worden geacht te zijn geslaagd in het tegenbewijs als waarvan in art. 9 CMR sprake is (vgl r.o. 5.21) Die vervoerscondities heeft ook Eurobridge onder de gegeven omstandigheden tegen zich te laten gelden.
5.24
Het voorgaande heeft tot gevolg dat de verbodsbepaling ex art. 3 sub a onder ii uit de vervoerscondities ten opzichte van Datec gelding heeft. Tussen partijen staat als onbetwist vast dat laatstgenoemde zonder instemming van UPS Ltd. een pakket ten vervoer heeft aangeboden met een hogere waarde dan (het equivalent van) US$ 50.000,--, zijnde strijdig met voornoemde verbodsbepaling. Aldus staat ter beoordeling of UPS Ltd. een beroep op dwaling toekomt, welke vraag bij gebreke van een specifieke regeling in het CMR-verdrag naar Nederlands recht moet worden beantwoord. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.
5.25
Aan hun primaire beroep op dwaling hebben UPS c.s. ten grondslag gelegd dat Datec op de vrachtbrief niets heeft ingevuld over de waarde van de zending, bij gebreke waarvan zij in de veronderstelling verkeerden dat het onderhavige pakket geen hogere waarde vertegenwoordigde dan US$ 50.000,--. Datec c.s. hebben daartegen aangevoerd dat de vrachtbrief slechts een vakje voor ‘Declared Value for Insurance’ vermeldt en, aangezien Datec zelf een transportverzekering had afgesloten en derhalve geen gebruik wenste te maken van de aangeboden verzekeringsfaciliteit, dat vakje niet door Datec is ingevuld. Die stellingname is door UPS c.s. niet weersproken. Gelet op de verstrekkende consequenties die UPS aan het handelen door afzenders overeenkomstig het bepaalde in art. 3 sub a onder ii van de vervoerscondities verbindt, had het op de weg van UPS Ltd. gelegen om in de vrachtbrief een vakje op te nemen waarin de afzender de waarde van de pakketzending moest opgeven, hetgeen voor haar als opsteller van het betreffende document eenvoudig te verwezenlijken was. Aan de hand van het aldus door de afzender ingevulde vakje op de vrachtbrief had UPS Ltd. vervolgens kunnen vaststellen hoe de waarde van het pakket zich verhield tot voornoemd art. 3 sub a onder ii van de vervoerscondities teneinde in voorkomend geval het bepaalde in art. 3 sub c onder i te kunnen toepassen. Dat heeft UPS Ltd. achterwege gelaten. Om die reden komt UPS Ltd. in redelijkheid geen beroep op dwaling toe.
Ten aanzien van UPS B.V.
5.26
Met betrekking tot de vorderingen op UPS B.V. verschillen partijen over de vraag of UPS B.V. als opvolgend vervoerder in de zin van art. 34 CMR heeft te gelden. Die vraag moet in ontkennende zin worden beantwoord. Laatstgenoemd artikel ziet alleen op aaneengesloten wegvervoer door opvolgende wegvervoerders. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake geweest, omdat, naar tussen partijen niet in geschil is, het wegvervoer van Keulen naar Schiphol heeft plaatsgevonden onmiddellijk in aansluiting op een vervoerstraject door de lucht, te weten van Luton naar Keulen. Om die reden kan UPS B.V. niet als opvolgend vervoerder in de zin van art. 34 CMR worden aangemerkt, maar heeft zij te gelden als hulppersoon van UPS Ltd. in de zin van art. 3 CMR.
5.27
Het voorgaande betekent dat UPS B.V. evenmin ex art. 34 CMR partij is geworden bij de tussen Datec en UPS Ltd. gesloten vervoerovereenkomst. Reeds om die reden moet het bij wijze van primair verweer gedane beroep op dwaling worden afgewezen.
Ten aanzien van UPS c.s.
5.28
Ten aanzien van het subsidiaire, op art. 23 CMR gebaseerde verweer overweegt de rechtbank het volgende. Dat ook UPS B.V. zich op die verdragsbepaling kan beroepen, volgt uit art. 28 lid 2 CMR. Datec c.s. hebben een beroep gedaan op het procesverbaal van aangifte van de litigieuze diefstal door de manager security van UPS B.V., dat voor zover in dit verband van belang het volgende vermeldt:
‘Op 11 april 2002 omstreeks 08.00 uur kwam in onze vestiging in Amsterdam een pakket met computeronderdelen binnen. Deze zending bestond uit 1 pakket. Ieder pakket krijgt bij binnenkomst in ons bedrijf een barcode.
Na de bovengenoemde tijd is het betreffende pakket niet meer gesignaleerd in onze vestiging in Amsterdam. Het pakket zou dezelfde dag nog afgeleverd worden bij het bedrijf Eurobridge, Pelikaan weg 10 te Schiphol. De ontvanger Eurobridge heeft dit pakket echter nooit ontvangen. De Inhoud van het pakket is 576 stuks memory modules met een waarde van US$ 77.760,-. Dit is ongeveer € 86.400,-. Het pakket staat bij UPS geregistreerd onder het pakket (tracking) nummer: [nummer].
Het pakket is binnen ons bedrijf verduisterd dan wel gestolen. Wij hebben geen idee wie hier verantwoordelijk voor is.’
Daaruit moet worden afgeleid dat de zending is verdwenen uit het distributiecentrum van UPS B.V. in Amsterdam.
5.29
Voorts hebben Datec c.s. bij repliek aangevoerd dat
- (i)
de aan hun zijde ingeschakelde expert ondanks verzoek niet in de gelegenheid is gesteld om in de loods van UPS B.V. onderzoek in te stellen naar de oorzaak van de verdwijning van de zending en
- (ii)
volgens UPS Tracking and Tracing System de zending laatstelijk op 12 april 2002 zou zijn gescand bij UPS Dublin, Ierland.
UPS c.s. hebben dat bij dupliek niet weersproken, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Evenmin is van de zijde van UPS c.s. betwist dat de verdwijning heeft plaatsgevonden gedurende de periode dat de zending zich in hun exclusieve invloedsfeer bevond alsmede dat slechts tewerkgestelden van UPS B.V. toegang tot de loods hadden. Tenslotte hebben UPS c.s. niet weersproken dat blijkens het/de door Datec c.s. aangehaalde en overgelegde rapport, rechterlijke uitspraken en verklaring in het verleden met regelmaat sprake is geweest van diefstallen uit het Amsterdamse distributiecentrum van UPS B.V.. Tegen die achtergrond had van UPS c.s. mogen worden verwacht dat zij gedegen onderzoek hadden ingesteld naar de oorzaak en omstandigheden waaronder de door hen niet betwiste verdwijning van de zending heeft plaatsgevonden en de daarmee verband houdende rapportage hadden overgelegd. Dat hebben zij nagelaten.
5.30
Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een afhankelijkheidsrelatie die meebrengt dat tegenover de gemotiveerde en onderbouwde stellingname van Datec c.s. dat de verdwijning het gevolg is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld in de zin van art. 29 CMR UPS c.s. niet kunnen volstaan de doorbreking van de limiet van art. 23 CMR te betwisten op het enkele en in het geheel niet onderbouwde argument dat zij geen weet hebben van wat er met de zending is gebeurd. Dat geldt ook ten aanzien van hun, op het Geldnet-arrest toegespitste stellingname dat niet vaststaat dat sprake is van opzet of daarmee gelijk te stellen schuld van haar ondergeschikten dan wel van andere personen van wier diensten zij voor de bewerkstelliging van het vervoer gebruik hebben gemaakt. Aldus zijn UPS c.s. tekortgeschoten in de op hen rustende verplichting om de stellingname van Datec c.s. in een daaraan beantwoordende mate van specificiteit te weerspreken. Daaraan moet de conclusie worden verbonden dat het verweer moet worden gepasseerd.
5.31
Ter zake van de vraag of UPS c.s. daarmee onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de verdwijning van de zending overweegt de rechtbank het volgende. Toepassing van de vervoerscondities in de door UPS c.s. voorgestane zin, erop neerkomend dat UPS c.s. niet tot een hoger bedrag aansprakelijk zijn dan US$ 50.000,--, leidt tot een resultaat dat afwijkt van het bepaalde in art. 29 CMR. Aangezien daarop ingevolge art. 41 CMR de nietigheidssanctie is gesteld, kan zodanige uitleg niet worden aanvaard. Een en ander heeft tot gevolg dat UPS c.s. onbeperkt aansprakelijk zijn voor het verlies van de zending.
5.32
Bij pleidooi hebben UPS c.s. de hoogte van de door Datec c.s. gevorderde en op de factuurwaarde gebaseerde schade betwist. Aangezien UPS c.s. zodanig verweer voor het eerst bij pleidooi hebben gedaan, terwijl zij alle gelegenheid hebben gehad om zich in de daaraan voorafgegane conclusiewisseling daarvan te bedienen maar daarvan om hen moverende redenen hebben afgezien, moet dat verweer als strijdig met een goede procesorde worden beschouwd. Om die reden wordt aan dat verweer voorbijgegaan. Dat betekent dat de door Datec c.s. gevorderde schade overeenkomstig de factuurwaarde en vermeerderd met de evenmin betwiste aanspraak op vergoeding van de CMR-rente vanaf 23 april 2002 zal worden toegewezen, met dien verstande daarop in mindering zal strekken een bedrag overeenkomend met de limiet ex art. 23 CMR. Immers, UPS c.s. hebben bij conclusie van antwoord aangevoerd zodanig bedrag te hebben betaald, hetgeen door Datec c.s. niet is weersproken. Derhalve moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan.
5.33
UPS c.s. hebben geen verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Om die reden zullen die kosten overeenkomstig de vordering worden toegewezen.
In beide zaken:
5.34
Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen UPS c.s. in de proceskosten worden veroordeeld.
6. Beslissing
De rechtbank:
In de zaak met zaak-/rolnummer 94556/HA ZA 03-934:
6.1
Veroordeelt UPS c.s. hoofdelijk tot betaling aan Axxis van het bedrag van US$ 141.696,00, althans de tegenwaarde daarvan in euro's tegen de koers van de dag van betaling, te vermeerderen met de 5% rente vanaf 16 december 2002 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede de buitengerechtelijke kosten ad € 2.450,--, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.
6.2
Veroordeelt UPS c.s. in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van Axxis begroot op € 2.859,20 aan verschotten en € 7.105,-- aan salaris voor de procureur.
6.3
Wijst af het anders of meer gevorderde.
In de zaak met zaak-/rolnummer 94557/HA ZA 03-935:
6.4
Verklaart dat Datec niet ontvankelijk in haar vorderingen.
6.5
Veroordeelt UPS c.s. hoofdelijk tot betaling aan AIG van een bedrag van US$ 77.910,00 althans de tegenwaarde in euro's tegen de koers van de dag van betaling, te vermeerderen met de CMR-rente vanaf 23 april 2002 tot aan de dag der algehele voldoening en te verminderen met de door UPS c.s. betaalde bedrag overeenkomend met de limiet van art. 23 CMR, alsmede buitengerechtelijke kosten ad € 939,60, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dat dag der algehele voldoening.
6.6
Veroordeelt UPS c.s. in de kosten van dit geding, tot op de uitspraak van dit vonnis aan de zijde van AIG begroot op € 1.568,20 aan verschotten en € 3.576,-- aan salaris voor de procureur.
6.7
Wijst af het anders of meer gevorderde.
In beide zaken:
6.8
Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, voorzitter, en mrs. H.J.M. Burg en D. Sluis, leden van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken ter terechtzitting van 25 mei 2005, in tegenwoordigheid van de griffier.