Einde inhoudsopgave
Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (BPP nr. 10) 2008/3.3.3.2
3.3.3.2 Rechterlijk gehoor, mondeling gehoor?
Mr. P. Smits, datum 06-03-2008
- Datum
06-03-2008
- Auteur
Mr. P. Smits
- JCDI
JCDI:ADS304905:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo reeds Brenninkmeijer (1993), p. 439, en Barendrecht (1994), p. 840. De Waard (1987), p. 303, acht een mondelinge behandeling veelal onmisbaar, onder andere als een grote schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid van partijen niet voorondersteld mag worden (bijvoorbeeld bij het ontbreken van verplichte procesvertegenwoordiging).
Asser/Groen/Vranken (2003), p. 85 e.v. en p. 150 e.v.
Heemskerk in zijn noot onder HR 26 februari 1988, NJ 1989, 2.
HR 15 maart 1996, NJ 1997, 341 (HJS). Dit oordeel is later diverse malen herhaald; zie HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514 (DA); HR 15 november 2002, NJ 2004, 2(DA),JBPr 2003, 6 (A. Knigge); HR 11 juli 2003, NJ 2003,567,JBEr 2003, 58 (K. Teuben) en HR 3 oktober 2003, NJ 2004, 3, 2003, 10 (K. Teuben).
K. Teuben in haar noot onder HR 3 oktober 2003, JBPr 2003, 10, onder verwijzing naar Asser in diens noot onder HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514.
Ik kan mij dan ook niet vinden in de te algemene stelling van Van Dijk en Van Hoof (1990), p. 355, dat het voorschrift van een 'fair hearing' voor partijen in beginsel het recht meebrengt in persoon het proces bij te wonen, dat dit recht dus in het begrip 'fair hearing' zelf besloten ligt. Overigens voeren zij ter ondersteuning van deze stelling slechts strafrechtelijke jurisprudentie van de straatsburgse instanties aan.
Aldus eveneens Internationaler Kommentar zur EMRK (Miehsler/Vogler), aant. 358 op art. 6 EVRM.
Voor laatstgenoemde zaken is richtinggevend geweest EHRM 24 oktober 1979, Winterwerp, serie A, vol 33. Onder invloed van dit arrest is door de nationale rechter een hoorplicht aangenomen in de toenmalige krankzinnigenwet-zaken. Zie o.m. HR 27 november 1981, NJ 1983, 56 (WHH); HR 22 juli 1982, NJ 1983, 58 en recenter HR 10 april 1992, NJ 1992, 445.
Zie de in par. 4.3.2.2 te vermelden EHRM-rechtspraak.
A-G Huydecoper in zijn conclusie onder nr. 23-27 bij HR 5 oktober 2001, NJ 2002, 514 (DA).
Zie o.m. EHRM 1 juni 2004, Valova c.s., 44925198, § 63, waarin wordt verwezen naar EHRM 19 februari 1998, Allan Jacobsson, 16970/90, Reports 1998-1, p. 168, § 46.
Welke appelmogelijkheid door Snijders, Ynzonides en Meijer (2007), p. 50, wordt geschaard onder het hoofdbeginsel van controle, eenheid en ontwikkeling.
Zoals in hoofdstuk 4 (par. 4.3.2.2) zal blijken, noopt de Straatsburgse jurisprudentie met betrekking tot de openbaarheid niet per definitie tot de conclusie dat het mondelinge element in de civiele procedure principieel aanwezig moet zijn.
Sommigen1 menen evenwel dat de mondelinge behandeling van een zaak een verplicht karakter zou moeten krijgen in de burgerlijke procedure. Asser, Vranken en Groen menen dat het gewenste model een 'in beginsel mondelinge procedure' moet zijn, voorafgegaan door een goede schriftelijke voorbereiding. Feitelijk het hoofdmodel dat sedert 1 januari 2002 geldend recht is en waarbij het scharnierpunt de mondelinge comparitie na antwoord is 2 Ik vraag mij steeds af (net als bij het schrijven van mijn proefschrift begin jaren negentig) of het mondelinge element nu daadwerkelijk principieel in de civiele procedure aanwezig moet zijn. Ik citeerde toen met instemming Heemskerk in zijn noot onder een arrest van de Hoge Raad uit 1989:
'Het hoor en wederhoor kan natuurlijk even goed worden gerealiseerd in een geheel schriftelijk gevoerde procedure. Bijna al onze civiele procedures worden schriftelijk gevoerd. Het recht om zijn zaak mondeling te bepleiten (of te laten bepleiten, kan men hier aan toevoegen, P.S.) is een zaak van nationale wetgeving en nationale rechtscultuur.'3
Het recht om zijn zaak te bepleiten is intussen steeds vaster verankerd in de Nederlandse rechtssfeer. In een (nadien gebleken) standaardarrest uit 1996 oordeelde de Hoge Raad dat de mede aan art. 6 EVRM ontleende, fundamentele beginselen van procesrecht meebrengen dat een partij, indien zij dat verzoekt, de gelegenheid behoort te hebben haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten. Als de wederpartij bezwaar maakt zal het verzoek slechts kunnen worden afgewezen als daartoe door die wederpartij klemmende redenen worden aangevoerd, waarbij met name te denken valt aan een onaanvaardbare vertraging van de procedure. De rechter kan het verzoek ook ambtshalve afwijzen, doch alleen op grond van strijd met de eisen van een goede procesorde. Hij moet de afwijzing dan wel uitdrukkelijk vermelden en zijn beslissing dienaangaande deugdelijk motiveren.4
In de wet is het pleitrecht van partijen inmiddels vastgelegd in art. 134 Rv: voordat de rechter over de zaak heeft beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien, zulks tenzij zij al tijdens een comparitie op de voet van art. 131 Rv in voldoende mate mondeling hun standpunt uiteen hebben kunnen zetten; dan kan de rechter pleidooi weigeren. Teuben wijst er op dat de uitzondering in art. 134 Rv (partijen hebben op een comparitie al mondeling hun standpunt uiteen kunnen zetten) bij een aantal rechtbanken juist de hoofdregel wordt.5 Zij vraagt zich af - in navolging van Asser - of het pleidooi en de comparitie in de toekomst dan niet beter tot één 'mondelinge behandeling' zouden moeten worden geïntegreerd. Aandachtspunt is dan wel dat het dezelfde rechter zou moeten zijn die het eindvonnis wijst en ten overstaan van wie de eerdere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Want bij het recht op een 'oral hearing' van art. 6 EVRM gaat het 'uiteindelijk toch om het mondeling contact met de rechter die over de zaak beslist'.
Maar doet dat persoonlijke contact tussen rechter en partijen altijd ter zake? Anders dan in het strafrecht, waar de aanwezigheid in de procedure uiterst gewichtig is met het oog op de persoon van de verdachte, is in de burgerlijke procedure de persoonlijke aanwezigheid van partijen in veel gevallen van minder belang of in het geheel niet van belang.6 Slechts daar waar het voor de rechterlijke meningsvorming van onmiddellijk belang is om een indruk te verkrijgen van de persoonlijkheid en levenswijze van partijen, lijkt een verschijnen van partijen strikt genomen geïndiceerd.7 Men denke dan bijvoorbeeld aan familiezaken of BOPZ-zaken.8 Het EHRM kent met name gewicht toe aan mondeling gehoor in gevallen waarin persoonlijke indrukken van de rechter omtrent de bij de zaak betrokken mensen voor zijn oordeelsvorming belangrijk zijn; bij juridisch-technische vraagstukken is een 'oral hearing' bijvoorbeeld niet vereist.9 Het recht op mondeling gehoor is derhalve niet ongeclausuleerd en onvervreemdbaar. A-G Huydecoper constateert dat een scala aan bijzonderheden van het gegeven geval (aard van de betreffende rechtsgang, de belangen die aan de orde zijn enzovoort) ertoe kán leiden dat van een mondelinge behandeling afgezien mag worden. Hij wijst er daarbij op dat het EHRM uitspraken van een rigide, algemene strekking uit de weg gaat. De A-G meent evenwel een ontwikkeling te bespeuren in de EHRM-rechtspraak die tendeert naar het toekennen van een 'in beginsel'-aanspraak op mondelinge behandeling van hun zaak, respectievelijk op pleidooi.10 Ik ben dat alleen met hem eens indien de civiele procedure zou bestaan uit één enkele instantie;11 in de Nederlandse civiele procedure heeft eenieder echter in de regel recht op een volledige tweede behandeling van zijn zaak na de uitspraak in eerste aanleg.12 Voor het overige is de casusgerichte rechtspraak van het EHRM niet zodanig dat ik de vergaande conclusie van Huydecoper zou willen veralgemeniseren.