Rb. Zeeland-West-Brabant, 04-04-2023, nr. 22-026051
ECLI:NL:RBZWB:2023:2310
- Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum
04-04-2023
- Zaaknummer
22-026051
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZWB:2023:2310, Uitspraak, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 04‑04‑2023; (Raadkamer)
Uitspraak 04‑04‑2023
Inhoudsindicatie
Bezwaar DNA (gegrond aard feit en bijzondere omstandigheden)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-097131-21
raadkamernummer : 22-026051
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde] ,geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,wonende te [woonadres] ,woonplaats kiezende ten kantore van mr. J.J.J. van Rijsbergen te te (4818 SJ) Breda, Parkstraat 10 (postadres: Postbus 4650, 4803 ER Breda).
hierna te noemen: de veroordeelde.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 14 november 2022 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 21 maart 2023 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde mr. J.J.J. van Rijsbergen en de officier van justitie mr. T.C.M. Hendriks op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.
Bezwaar
Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
De veroordeelde stelt onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden (ECLI:NL:RBNNE:2019:1593) dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Veroordeelde is veroordeeld wegens faillissementsfraude, verduistering en het niet bewaren van belastingbescheiden. Verduistering is een feit dat redelijkerwijs niet is op te sporen met DNA-onderzoek. Dat geldt ook de andere twee feiten, die in de regel juist worden bewezen door wat er niet meer is. Bij wat er niet is kan DNA geen enkele rol van betekenis spelen. Voorts gaat het om inmiddels zes jaar oude feiten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er een wettelijke grondslag bestond voor de afname en opname van DNA-materiaal bij de veroordeelde en dat enkel bij hoge uitzondering de Wet DNA ruimte biedt om af te wijken van het uitgangspunt dat een DNA-profiel wordt afgenomen en opgeslagen in de databank. Gelet op het verhandelde in raadkamer heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Beoordeling
Bij vonnis van 24 maart 2022 is de veroordeelde door de meervoudige strafkamer in deze rechtbank veroordeeld ter zake van - kort gezegd - medeplegen van faillissementsfraude (meermalen gepleegd), verduistering en medeplegen van het niet bewaren van belastingbescheiden tot een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van één jaar.
De rechtbank is bevoegd om van onderhavig bezwaarschrift kennis te nemen.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA kan een bevel tot afname van celmateriaal enkel worden bevolen ter zake van een veroordeling van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv. De rechtbank stelt vast dat de misdrijven waarvoor het bevel is afgegeven aan dit vereiste voldoen.
De Wet DNA strekt ertoe gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen, alsmede de veroordeelde te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten. Daarbij is het uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet. Een van de uitzonderingen is, dat redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden, waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf 'aard van het misdrijf' op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing vervolging en berechting van strafbare feiten.
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in 2003 zijn voorbeelden van misdrijven genoemd waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten, te weten valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering. Deze delictsomschrijvingen kunnen echter niet categorisch worden uitgesloten, omdat bij deze misdrijven telkens gevallen denkbaar zijn waarin DNA-onderzoek wel van betekenis kan zijn. In deze gevallen dient te worden gekeken naar de aard van het concreet gepleegde delict waarop het bevel tot afname ziet, met de toets of het bepalen en verwerken van een DNA-profiel in dat geval redelijkerwijs van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten.
In onderhavige strafzaak is veroordeelde veroordeeld voor faillissementsfraude, verduistering en het niet bewaren van belastingbescheiden. Hoewel er situaties voorstelbaar zijn waarbij DNA-onderzoek in dit geval wel van betekenis kan zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, is de rechtbank van oordeel dat daar in dit concrete geval geen sprake van kan zijn. In onderliggende strafzaak ging het bij de verduistering om goederen die veroordeelde als bestuurder van een rechtspersoon reeds uit andere hoofde onder zich had.
Gelet op hetgeen namens veroordeelde is aangevoerd is de rechtbank bovendien van oordeel dat ook op de tweede uitzonderingssituatie een gerechtvaardigd beroep kan worden gedaan en een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd. In dit geval gaat het om een inmiddels 59-jarige veroordeelde die zich ruim zes jaar geleden als bestuurder van een rechtspersoon schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Er is geen enkele indicatie dat hij zich opnieuw schuldig zal maken aan een strafbaar feit waarvoor DNA-onderzoek een opsporingsrol kan spelen. Ook het stafblad van veroordeelde geeft daartoe geen enkele aanleiding.
De rechtbank is op grond van het voorgaande dan ook van oordeel dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing en berechting van strafbare feiten begaan door veroordeelde. Het bezwaar zal dan ook gegrond worden verklaard en het celmateriaal moet worden vernietigd.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar gegrond en beveelt dat de officier van justitie ervoor zorg draagt dat het celmateriaal terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is op 4 april 2023 gegeven door mr. R.J.H. de Brouwer, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.H.M.R. Chevalier-Verbunt, griffier.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.