Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/6.2.1
6.2.1 Inleiding
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192779:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ABI-rapport 2014, p. 259: “A debtor or a plan proponent may consider whether classes can be structured to isolate or dwarf dissenting creditors, or to ensure that creditors supporting the plan dominate the class”.
Zie daarover nr. 469-471.
Zie Norberg 1995, p. 119-120: “Underinclusive classification occurs when a plan places similar claims in separate classes. This can disenfranchise claimants whose claims are large enough to otherwise control the vote of a more inclusive class.”
Norberg 1995, p. 119-120: “A plan overinclusively classifies claims by grouping together claims of a different nature. The result of overinclusion is that dissenters may be denied the protections provided by the absolute priority and unfair discrimination rules.”
293. Het criterium voor klassenindeling is delicate materie. Het klassencriterium stelt grenzen aan de indelingsvrijheid van de aanbieder. Het gehanteerde criterium bepaalt feitelijk welke vermogensverschaffers aan elkaars mening worden onderworpen. De klassenindeling is bovendien direct verbonden met het lot en de slagingskans van een akkoord. Door met de samenstelling van klassen te spelen, zou de aanbieder van een akkoord zich ervan kunnen vergewissen dat in elke klasse de vereiste meerderheid wordt gehaald.1 Op welke wijze aan de klassenindeling kan worden gesleuteld, is mede afhankelijk van de wettelijk voorgeschreven vereiste meerderheid: geldt er slechts een voorgeschreven percentage van de uitstaande schulden (quotum), of is er ook een voorgeschreven getalscriterium (quorum)? De vergelijking met het Engelse recht leert dat met name een quorum aanleiding kan vormen voor manipulatie van de klassenindeling.2
De grens tussen ‘voldoende verschillend om een aparte klasse te rechtvaardigen’ en ‘voldoende gelijk om in één klasse te stemmen’ is echter niet eenvoudig te trekken. Naarmate men sneller ongelijkheid aanneemt, neemt het aantal klassen per akkoord in rap tempo toe. Een schuldeiser die normaliter de meerderheidsstem in een klasse zou bepalen, ziet in dat geval zijn dominante positie vervliegen, nu er in plaats van één stemming diverse stemmingen worden gehouden. Dit fenomeen wordt in de Amerikaanse literatuur ook wel ‘underinclusion’3 genoemd. Wanneer men echter te snel aanneemt dat partijen vergelijkbare rechten hebben, komt de legitimiteit van de besluitvorming en de bescherming van minderheden in het gedrang (vgl. §4.9.3). Dit verschijnsel wordt ‘overinclusion’4 genoemd.
Indien een rechtsstelsel niet voorziet in de mogelijkheid een tegenstemmende klasse alsnog te binden aan een akkoord (cross class cram down) spelen bovendien nog andere krachten bij het formuleren van een klassencriterium. Bij een veelheid aan klassen hebben alle klassen de facto een vetorecht ten aanzien van het akkoord. Anderzijds moet het systeem voldoende waarborgen bevatten om de belangen van minderheden te beschermen. In de systemen waarin een cross class cram down wél mogelijk is bestaat de vrees voor een vetorecht van de minderheid niet. Toch bestaat ook in die systemen een zekere prikkel om het aantal klassen enigszins te beperken. Een cross class cram down vergt doorgaans immers een ingrijpender rechterlijke toetsing. Daardoor bestaat er voor de aanbieder van het akkoord een prikkel om in elke klasse de vereiste meerderheid te realiseren, zodat die ingrijpender rechterlijke toets achterwege kan blijven.