HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 06-06-2023, nr. 200.304.834/01
ECLI:NL:GHARL:2023:4770
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
06-06-2023
- Zaaknummer
200.304.834/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2023:4770, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 06‑06‑2023; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1308
ECLI:NL:GHARL:2023:841, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 31‑01‑2023; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Uitspraak 06‑06‑2023
Inhoudsindicatie
Eindarrest. Renteberekeningen. Terugkomen van eerdere beslissingen?
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.304.834/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 177491)
arrest van 6 juni 2023
in de zaak van
1. [appellante] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna: [appellante],
2. [appellant] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna: [appellant],
appellanten,
bij de rechtbank: eisers,
advocaat: mr. W.R. Kamminga, die kantoor houdt te Oosterwolde,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidHandel- en Exploitatie Maatschappij voor Onroerende Goederen Bosma B.V.,
gevestigd te Heerenveen,
hierna: Bosma B.V.
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
advocaat: mr. B. Cornelissen, die kantoor houdt te Utrecht.
1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof
1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 31 januari 2023 (hierna: het tussenarrest) hier over. In het tussenarrest heeft het hof de vorderingen van [appellante] en [appellant] toewijsbaar geoordeeld. Omdat door Bosma B.V. was gesteld dat de renteberekeningen over de vorderingen van [appellante] en [appellant] niet klopten en geen van partijen tot dan toe een deugdelijke berekening in het geding had gebracht, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte aan het hof elk hun eigen berekening over te leggen van de achterstallige rente over de vorderingen.
1.2.
Naar aanleiding van het tussenarrest hebben beide partijen akten genomen.
1.3.
Hierna is het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De verdere beoordeling
2.1.
[appellante] en [appellant] hebben bij akte berekeningen in het geding gebracht, waarbij zij uitkomen op een bedrag van € 39.435,05 aan rente voor [appellante] en € 43.312,52 aan rente voor [appellant] , beide te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 maart 2020, althans vanaf de dag van de dagvaarding.
2.2.
Bij antwoordakte is door Bosma B.V. de correctheid van beide bedragen niet (gemotiveerd) betwist. Het hof neemt deze bedragen dan ook over en zal Bosma B.V. tot betaling daarvan veroordelen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet naar behoren is toegelicht waarom die al vanaf 31 maart 2020 zou zijn gaan lopen.
2.3.
Bij antwoordakte is door Bosma B.V. voorts aan het hof verzocht terug te komen van eerdere beslissingen in het tussenarrest. Nog daargelaten dat het hof daarvoor geen termen aanwezig acht, moet de nadere stellingname van Bosma B.V., mede gelet op het doel waarvoor de aktewisseling door het hof was bevolen, in strijd worden geacht met de eisen van een goede procesorde. Het hof zal daarom geen acht slaan op de naar aanleiding van het tussenarrest door Bosma B.V. ingenomen (nieuwe) stellingen.
2.4.
Wat verder nog door partijen is aangevoerd kan, gelet op het voorgaande, eveneens onbesproken blijven.
De slotsom: het hoger beroep slaagt
2.5.
De conclusie van het voorgaande is dat het hoger beroep van [appellante] en [appellant] slaagt en dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd.
2.6.
Bosma B.V. zal worden veroordeeld de onder 2.2. bedoelde rentebedragen aan [appellante] en [appellant] te voldoen. Ook zal Bosma B.V. worden veroordeeld de reeds door [appellante] en [appellant] betaalde proceskosten van de eerste aanleg aan hen terug te betalen. Omdat [appellante] en [appellant] niet hebben aangegeven dat Bosma B.V. daarvoor reeds eerder in verzuim is komen te verkeren, zal de wettelijke rente over de door [appellante] en [appellant] betaalde proceskosten worden toegewezen vanaf de datum van de appeldagvaarding.
2.7.
Bosma B.V. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van beide instanties worden veroordeeld. Onder die kosten vallen ook de nakosten en de wettelijke rente daarover, zonder dat het hof deze kosten in het dictum hoeft te specificeren.1.
3. De beslissing
Het hof:
1. vernietigt het vonnis waarvan beroep;
2. veroordeelt Bosma B.V. tot betaling van een bedrag van € 43.312,52 aan rente voor [appellant] en van een bedrag van € 39.435,05 aan rente voor [appellante] , beide te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding;
3. veroordeelt Bosma B.V. om aan [appellante] en [appellant] de door hen betaalde proceskosten van de eerste aanleg terug te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van de appeldagvaarding;
4. veroordeelt Bosma B.V. in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellante] en [appellant] wat betreft de procedure bij de rechtbank vastgesteld op:- € 103,83 aan explootkosten,- € 952,- aan griffierecht,- € 2.228,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten liquidatietarief x tarief IV € 1.114,- per punt)
en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op:
- € 124,21 aan explootkosten,- € 783,- aan griffierecht,- € 5.392,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2,5 punten liquidatietarief x tarief IV á € 2.157,- per punt);
5. bepaalt dat de onder 4. bepaalde proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
6. verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
7. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, C. Koopman, en K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
6 juni 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑06‑2023
Uitspraak 31‑01‑2023
Inhoudsindicatie
Uitleg mondelinge overeenkomst over rentevergoeding lening. Haviltex.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.304.834/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 177491)
arrest van 31 januari 2023
in de zaak van
1. [eiseres] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna: [eiseres],2. [eiser] ,
wonende te [woonplaats1] ,
hierna: [eiser],
appellanten,
bij de rechtbank: eisers,
advocaat: mr. W.R. Kamminga, die kantoor houdt te Oosterwolde,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidHandel- en Exploitatie Maatschappij voor Onroerende Goederen Bosma B.V.,
gevestigd te Heerenveen,
hierna: Bosma B.V.
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
advocaat: mr. B. Cornelissen, die kantoor houdt te Utrecht.
1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof
1.1.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 17 mei 2022 hier over.
1.2.
Naar aanleiding van het tussenarrest heeft op 8 december 2022 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte verslag (proces-verbaal) is aan het dossier toegevoegd.
1.3.
Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2. De feiten
2.1.
[eiseres] (geboren [in] 1998) en [eiser] (geboren [in] 2000) zijn de kinderen van [de vader] ( [de vader] ). [de vader] heeft een broer, [naam1] , en een zus, [naam2] .
2.2.
De grootouders van [eiseres] en [eiser] hebben bij (Belgische) notariële schenkingsakte van 6 januari 2010 aan elk van de kleinkinderen ( [eiseres] , [eiser] en de twee kinderen van [naam1] ) een bedrag geschonken van € 200.000,-.
2.3.
In de schenkingsakte is de volgende last opgenomen:6) LAST
Als last van deze schenking verbinden de begiftigden zich:
-a ) elkeen de geschonken sommen van tweehonderd duizend euro elk ten titelvan lening te verstrekken aan de schenkers voor een onbepaalde duur aan eenvariabele intrestvoet overeenkomend met een normale marktrentevoet nadertussen partijen overeen te komen qua betaling van de intresten en kapitaal.
-b) gedurende de minderjarigheid van de begiftigden en tot aan de leeftijd van25 jaar zal het beheer van de geschonken goederen waargenomen worden doorhun respectievelijke vaders, hier aanwezig en dewelke zich verbinden de gelden tebeheren als een goed huisvader en de gelden enkel aan te wenden voorstudieopleidingen van de begiftigden of duurzame investeringen ten voordele vande begiftigden.
2.4.
Ten tijde van de schenking waren [de vader] , [naam1] en [naam2] aandeelhouders van [naam3] B.V. Eind 2015 heeft [de vader] zijn aandelen in deze vennootschap verkocht aan de andere twee aandeelhouders. Op 9 oktober 2018 heeft [naam2] haar aandelen verkocht aan [naam1] , die vanaf die datum enig aandeelhouder is van [naam3] B.V.
2.5.
In afwijking van de in de akte opgenomen last hebben de grootouders, [de vader] en [naam1] als wettelijke vertegenwoordigers van de kleinkinderen en [naam3] B.V. mondeling de afspraak gemaakt dat de aan de kleinkinderen geschonken bedragen zouden worden uitgeleend aan [naam3] B.V. in plaats van aan de grootouders.
2.6.
[naam3] B.V. heeft over de jaren 2010, 2011 en 2012 over de leningen een rente vergoed van 4%. Over de jaren 2013 tot en met 2017 is door [naam3] B.V. een rente vergoed van 2,5%. Vanaf 2018 is door haar een rente vergoed van 1,5%.
2.7.
[naam3] B.V. heeft in 2018 aan [eiseres] een bedrag van € 16.000,- terugbetaald op de lening, in 2019 een bedrag van € 11.000,-, in 2020 een bedrag van € 2.400,- en op
17 maart 2020 een bedrag van € 225.468,21. Op 16 januari 2020 is door [naam3] B.V. aan [eiser] een bedrag van € 252.142,80 terugbetaald.
2.8.
In een schriftelijke verklaring van januari 2021 heeft grootmoeder [naam4] het navolgende verklaard:
Hierbij verklaar ik, [naam4] grootmoeder
van [eiseres] , [eiser] , [naam5] en [naam6]
, dat bij de schenkingen is afgesproken dat de
schenkingen niet worden terug geleend door ons maar worden
geleend aan Handel - en Exploitatie Maatschappij voor
Onroerende goederen [naam3] B.V. Daarbij is overeengekomen
dat de rente 4% is. Dat is ook bedoeld anders zouden wij de
gelden zelf hebben terug geleend en ook die rente betaald
hebben.
Wij zijn bereid deze verklaring onder ede te herhalen.
3. De procedure bij de rechtbank
3.1.
[eiseres] en [eiser] hebben - samengevat - bij de rechtbank gevorderd dat [naam3] B.V. wordt veroordeeld om aan [eiseres] een achterstallige rente van € 42.617,82, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020, te voldoen, en aan [eiser] een bedrag van € 43.312,52, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2020.
3.2.
[naam3] B.V. heeft verweer gevoerd.
3.3.
De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft in het bestreden vonnis van 20 oktober 2021 de vordering afgewezen, en [eiseres] en [eiser] veroordeeld in de kosten van het geding en de nakosten.
4. De grieven en de vorderingen bij het hof
4.1.
[eiseres] en [eiser] zijn met vijf grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Zij willen dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat hun vorderingen alsnog worden toegewezen. Verder vorderen zij dat [naam3] B.V. in de proceskosten in eerste aanleg en in die van het hoger beroep wordt veroordeeld.
4.2.
[naam3] B.V. vindt dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, en dat [eiseres] en [eiser] moeten worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
5. 5. De beoordeling
5.1.
In de kern draait de zaak om de vraag welke afspraak destijds is gemaakt over de door [naam3] B.V. aan [eiseres] en [eiser] te vergoeden rente over hun leningen aan [naam3] B.V. [eiseres] en [eiser] hebben gesteld dat destijds tussen de grootouders, hun vader en de bv is afgesproken dat een rente zou worden vergoed van 4% per jaar. [naam3] B.V. betwist dit, en stelt dat destijds een variabele rente is overeengekomen, daarbij verwijzend naar
(als aanknopingspunt) het bepaalde onder 6a van de schenkingsakte.
5.2.
Het hof stelt het volgende voorop. Ook bij de uitleg van een mondelinge overeenkomst komt het aan op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de door hen gebezigde bewoordingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf).1.Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en kan acht worden geslagen op het feitelijk handelen van partijen; ook gedragingen van partijen na het sluiten van de overeenkomst kunnen van belang zijn voor de aan de overeenkomst te geven uitleg.2.
5.3.
In lijn met hetgeen [eiseres] en [eiser] over de overeengekomen rente hebben gesteld, heeft grootmoeder - één van de contractspartijen - in januari 2020 schriftelijk verklaard dat destijds een rente is afgesproken van 4%. Dat in deze schriftelijke verklaring staat dat de schenkingen ‘niet worden terug geleend door ons’ in plaats van ‘aan ons’, waar [naam3] B.V. naar heeft verwezen en waaruit volgens [naam3] B.V. moet worden opgemaakt dat grootmoeder zich niet meer goed kan herinneren hoe alles is gegaan, doet daar niet aan af. Een dergelijke spraakverwarring, zo die daarin al zou moeten worden gelezen, is niet ongebruikelijk en maakt evenmin dat de rest van de verklaring daarmee van onwaarde zou zijn. Ook [naam1] heeft in zijn stukken, en ook op de zitting bij het hof, verklaard dat het de bedoeling van de grootouders was dat er over het uit te lenen geld een rendement van 4% zou worden behaald. Verder hecht het hof belang aan het feit dat deze 4% ook gedurende een aantal jaren daadwerkelijk door [naam3] B.V. is betaald, hetgeen eveneens erop wijst dat deze 4% destijds contractueel is overeengekomen. Uit niets blijkt daarentegen dat de contractspartijen hebben willen aansluiten bij hetgeen in de schenkingsakte onder 6a is opgenomen. Dat het, bij gebrek aan een schriftelijke overeenkomst, logisch zou zijn om ‘als aanknopingspunt’ hierbij aan te sluiten, zoals [naam3] B.V. op de zitting bij het hof heeft betoogd, volgt het hof niet. Het gaat immers niet om wat mogelijk logisch zou zijn, maar om wat partijen daadwerkelijk zijn overeengekomen. Overigens heeft [naam3] B.V. in de stukken uitgebreid uiteengezet dat een rente van 4% de normale marktrente, de term die in de schenkingsakte wordt genoemd, ver te boven ging. Ook dat wijst er op dat partijen niet bij de in de akte genoemde normale marktrente hebben willen aansluiten.
5.4.
Het hof is op grond van bovenstaande uitleg van oordeel dat, zoals [eiseres] en [eiser] hebben betoogd, een rente van 4% per jaar is afgesproken. Dat [de vader] destijds, als bestuurder van de vennootschap, heeft ingestemd met de renteverlagingen, zoals [naam3] B.V. heeft aangevoerd, maakt niet dat [eiseres] en [eiser] daaraan als leninggevers zijn gehouden. Evenmin geldt dit voor het gegeven dat [eiseres] en [eiser] in de periode vanaf 2013 niet hebben geageerd tegen deze verlagingen. [eiseres] en [eiser] waren toen nog erg jong, en mochten er op vertrouwen dat deze - buiten hen om - gemaakte uitleenafspraak, en de voorwaarden waaronder die zou plaatsvinden, zou worden nagekomen. Zij hebben jegens [naam3] B.V. dan ook recht op de afgesproken vergoeding van 4%. De door [naam3] B.V. overgelegde mail van de notaris van 17 juni 2021, waarin staat dat de rente dient te worden betaald door de schenkers, is naar het oordeel van het hof niet relevant. Deze rentebetaling ziet immers op de situatie dat de grootouders het bedrag zouden terug lenen, en die situatie doet zich hier - daar zijn partijen het over eens - niet voor.
5.5.
De vorderingen van [eiseres] en [eiser] liggen gelet op het voorgaande voor toewijzing gereed. Omdat [naam3] B.V. de hoogte van de door [eiseres] en [eiser] berekende vorderingen heeft betwist - gesteld wordt dat de renteberekeningen niet zouden kloppen - en geen van partijen een deugdelijke berekening in het geding heeft gebracht, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om zich hierover uit te laten, in die zin dat zij aan het hof elk hun berekening kunnen overleggen van de achterstallige rente.
6. De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de rol van 28 februari 2023 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiseres] en [eiser] als bedoeld in rov. 5.5., waarop [naam3] B.V. bij antwoordakte zal mogen reageren;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, P.S. Bakker en K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
31 januari 2023.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑01‑2023
HR 4 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6319
HR 12 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5572