Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/1.4
1.4 Wetenschappelijke relevantie ten opzichte van de bestaande juridische literatuur
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397293:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld Van der Burg & Voermans 2012; Jans e.a. 2011; Jans e.a. 2007; Becker 2007; Jans 2005A; Mortelmans, Van Ooik & Prechal 2004; A. van den Brink 2004; Prinssen 2004; Gellermann 2003; Galetta 2001; Kadelbach 1999; Bonnes 1994.
Comijs 1998.
Schouten 1997.
Zie bijvoorbeeld Ortlep 2011; J.E. van den Brink 2010; Ortlep 2009; Den Ouden 2008; Jacobs, Den Ouden & Verheij 2008; De Moor-van Vugt 2007; Jacobs 2007; De Moor-van Vugt 2002; Barents 2001.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011.
Schenk 2006.
Craig 2012B.
Kapteyn, VerLoren van Themaat 2008; Kapteyn, VerLoren van Themaat 2003 en Kapteyn, VerLoren van Themaat 1995.
McMahon 2007.
Cardwell 2004.
Barents 1994.
Zie bijvoorbeeld Baun & Marek 2008; Leonardi 2005; Allen 2005; Pollacks 2003; Sutcliffe 2000; Andy Smith 1998; Armstrong 1995; Scott 1995; Armstrong 1993; Butler 1993; Marks 1992.
Dit onderzoek ziet specifiek op de uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland. In dat kader komen allerlei doorwerkingsvraagstukken aan bod.
In algemene zin is veel over de doorwerking van het Eu-recht in de nationale rechtsorde geschreven.1 In dit boek wordt in aanvulling daarop bezien hoe de doorwerking plaatsvindt op een specifiek Eu-beleidsterrein, namelijk de verstrekking van Europese subsidies.
Het onderzoek naar de juridische uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland is voornamelijk beperkt gebleven tot de structuurfondsen. In dat verband wijs ik op het proefschrift uit 1998 van Comijs die onderzoek heeft gedaan naar de uitvoering van de structuurfondsen in Nederland2 en de dissertatie van Schouten die met name ziet op ESF-subsidies 3 Binnen de structuurfondsen is in de Nederlandse juridische literatuur veel aandacht besteed aan de Europese subsidies uit het ESF die in Nederland zijn verstrekt; met deze subsidies hebben zich de meeste problemen voorgedaan.4 Aan de uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland in ruime zin wordt slechts aandacht besteed in de mastermonografie Subsidierecht.5
Andere, vooral buitenlandse, juristen hebben zich over de uitvoering van Europese subsidieregelingen gebogen, zonder dat daarbij gedetailleerd is ingegaan op de uitvoering in de lidstaten en de knelpunten die zich daarbij voordoen. Mooie overzichten zijn te vinden in Strukturen und Rechtsfragen der gemeinschaftlichten Leistungsverwaltung van Schenk,6EU administrative law van Craig7 en de verschillende drukken van Kapteyn, VerLoren van Themaat.8 Wat betreft de Structuurfondsen zijn de werken van Schöndorf-Haubold uit 2005 (Die Strukturfonds der Europijischen Gemeinschaft, Rechtsformen und Verfahren europijischer Verbundverwaltung), Bollen, Hartwig & Nicolaides uit 2000 (EU Structural Funds beyond Agenda 2000: Reform and Implication for Current and Future Member States) en Evans uit 1999 relevant (The EU Structural Funds). Op het gebied van het landbouwsubsidierecht zijn de werken van McMahon (EU agricultural law),9 Cardwell (The European Model of Agriculture)10 en Barents (The agricultural law of the EC: an inquiry into the administrative law of the European Community in the field of agriculture)11 lezenswaardig.
Naast de voormelde juridische literatuur is over de uitvoering van Europese subsidieregelgeving veel beleidsmatig georiënteerde literatuur geschreven. Deze literatuur richt zich onder meer op vragen als: op welke wijze kan de Europese subsidieregelgeving bestuurskundig het best worden uitgevoerd en hoe kan de effectiviteit van Europese subsidies worden vergroot?12
Het onderhavige onderzoek vormt een aanvulling op het voormelde reeds gedane onderzoek. Ten eerste wordt in dit boek niet alleen ingegaan op de structuurfondsen, maar komen ook andere voor Nederland relevante Europese subsidieregelgeving, zoals de landbouwfondsen, aan bod. Ten tweede wordt ingegaan op de meest recente programmaperiode 2007-2013; hierover is nog niet veel literatuur verschenen. Ten derde beperkt dit onderzoek zich niet tot een beschrijving van de Europese subsidieregelgeving en de problemen die zich daarbij voordoen, maar wordt vooral aandacht besteed aan de uitvoering daarvan in Nederland, de juridische knelpunten die zich daarbij voordoen en aan de vraag in hoeverre het Nederlandse (subsidie)recht daarop dient te worden aangepast. In voorkomende gevallen wordt ook aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de Europese subsidieregelgeving zou moeten worden aangepast.