De verdachte is in eerste aanleg door de rechtbank van het hem tenlastegelegde vrijgesproken.
HR, 17-12-2024, nr. 22/02819
ECLI:NL:HR:2024:1834
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-12-2024
- Zaaknummer
22/02819
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1834, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑12‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1060
ECLI:NL:PHR:2024:1060, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 15‑10‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1834
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0333
Uitspraak 17‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr). Vrijspraak eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Is oordeel hof dat verklaringen van aangever en getuige betrouwbaar zijn toereikend gemotiveerd? 2. Bewijsklacht medeplegen diefstal van hond. Ad 1. en 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Ad 1. In bewijsoverweging onderkent hof dat aangever en getuige middelen hadden gebruikt “en op (ondergeschikte) onderdelen wisselend hebben verklaard”, maar motiveert hof waarom het niettemin verklaringen van aangever en getuige betrouwbaar vindt en waarom deze voor bewijs gebruikt kunnen worden. Bovendien geeft hof extra kracht aan motivering door te wijzen op aanwezig (steun)bewijs. ’s Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. Uit bewijsmiddelen volgt dat hond van aangever vanuit woning van vriendin van aangever werd meegenomen en trap af werd getrokken en dat verdachte heeft gezegd dat ze hond mee zouden nemen. Hond kon later worden opgehaald op adres in hetzelfde verzamelpand als dat van één van medeverdachten. Oordeel hof dat sprake is van medeplegen van diefstal hond is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 22/02818.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02819
Datum 17 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2022, nummer 21-004001-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.P. Poppe, advocaat in Zwolle, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
2.1
De cassatiemiddelen klagen over de bewezenverklaring.
2.2
De cassatiemiddelen leiden niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zestien maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk en de taakstraf van 240 uren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2024.
Conclusie 15‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Diefstal met (bedreiging van) geweld in verenging (art. 311 Sr). Middel 1: falende klacht i.v.m. gebruik verklaringen aangever en getuige voor bewijs. Middel 2: eveneens falende klacht gericht tegen oordeel medeplegen diefstal van hond. De AG merkt ambtshalve op dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden. De conclusie strekt tot gedeeltelijke vernietiging en verder tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02819
Zitting 15 oktober 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte
I. Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, heeft de verdachte bij arrest van 13 juli 2022 wegens, kort gezegd, ‘diefstal met (bedreiging van) geweld in vereniging’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, en een taakstraf van 240 uur.1.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/02818. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft D.P. Poppe, advocaat in Zwolle, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II. Bewezenverklaring en bewijsvoering
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 8 juni 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen,
- een mobiele telefoon,
- een hond,
die aan [slachtoffer] toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging, met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door;
- Die [slachtoffer] de gang van dé woning in te trekken en/of de centrale hal van het pand in te trekken,
- meerdere messen op die [slachtoffer] te richten,
- die [slachtoffer] eenmaal, met een honkbalknuppel tegen zijn (boven)arm te slaan.”
5. Het hof heeft met betrekking tot het bewijs het volgende overwogen:2.
“Standpunt raadsman
De raadsman heeft verzocht om de verdachte integraal vrij te spreken. De verklaringen van aangever [slachtoffer] en [getuige] zouden onbetrouwbaar zijn vanwege inconsistentie en innerlijke tegenstrijdigheden in hun verklaringen en omdat zij beiden onder invloed waren van alcohol en. drugs ten tijde van de tenlastegelegde feiten. Deze verklaringen kunnen daarom niet tot het bewijs worden gebezigd waardoor er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de tenlastegelegde feiten. [slachtoffer] zou hebben gelogen over het geldbedrag en over de snee dié hij in zijn arm had. Bovendien zijn er geen geweldshandelingen gepleegd en heeft verdachte geen goederen weggenomen van aangever en heeft hij ook geen opzet gehad op het plegen van een diefstal met geweld in vereniging.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Op 8 juni 2020 om 04:10 uur kwam de politie aan de [a-straat 1] in [plaats] ter plaatse en sprak aangever [slachtoffer] . Hij gaf gelijk aan zojuist te zijn beroofd. Hij was bij [getuige] in haar woning toen er drie mannen binnenkwamen en hij herkende twee daarvan als verdachte en [medeverdachte 1] .
Hij verklaarde dat hij door de drie mannen de gang is ingetrokken en dat verdachte en [medeverdachte 1] een mes vasthielden en de derde, voor aangever onbekende, man een honkbalknuppel. Aanvankelijk verklaarde hij dat de mannen naast zijn mobiele telefoon en zijn hond ook 2800 euro hadden meegenomen.
Op dezelfde dag om 07:45 uur werd aangever uitgebreider gehoord en hij kwam bij aanvang van het verhoor uit zichzelf - dus niet naar aanleiding van een vraag daarover - terug op zijn eerdere verklaring dat er € 2.800,- was weggenomen. Hij zou niet weten hoeveel geld er was weggenomen. Vervolgens verklaarde aangever ook nu weer dat er drie mannen binnenkwamen die hem de hal introkken. Aangever noemt opnieuw dat hij verdachte en [medeverdachte 1] herkende en dat zij beiden messen vasthielden en dat de onbekende man een honkbalknuppel vasthield. Aangever verklaarde dat zijn telefoon is meegenomen en dat het mes dreigend voor hem werd gehouden en dat hij met de honkbalknuppel op zijn linkerschouder werd geslagen. Daarna zag aangever dat de onbekende man zijn hond, die al bij de drie verdachten in de hal was, aan de halsband van de trap trok. Aangever ging daarop naar buiten en daar zag hij verdachte met [medeverdachte 1] en de onbekende man staan zonder de hond. De onbekende man kwam weer dreigend op hem af met de honkbalknuppel, waarna aangever weer naar binnen vluchtte.
In het derde verhoor van aangever, wat plaatsvond op 9 juni 2020, herhaalt aangever zijn verklaring dat er drie mannen binnen waren gekomen, dat ze zijn telefoon en hond hebben meegenomen en dat hij daar achteraan wilde, maar dat buiten de man met de honkbalknuppel op hem af kwam. Aangever verklaart dat een persoon genaamd [medeverdachte 2] ook buiten stond. In het verhoor merkt de verbalisant op dat aangever een snijwond op zijn rechterarm heeft. Hem wordt gevraagd hoe hij daar aan komt. Aangever geeft dan aan dat het is gebeurd in de worsteling met de drie jongens toen hij zijn hond terug wilde pakken. Wanneer de verbalisant vraagt naar het letsel op de linkerschouder dat is veroorzaakt door de honkbalknuppel, toont aangever een blauwe plek op zijn bovenarm.
Het hof is van oordeel dat bovenstaande verklaringen van aangever gebezigd kunnen worden voor het bewijs, omdat de verklaringen grotendeels steun vinden in andere onderdelen van het dossier.
Dat aangever [slachtoffer] en [getuige] middelen hadden gebruikt en op (ondergeschikte) onderdelen wisselend hebben verklaard, maakt dit niet anders. Ook het feit dat [slachtoffer] aanvankelijk anders heeft verklaard over de hoogte van het gestolen geldbedrag, maakt niet dat het hof zijn gehele verklaring ongeloofwaardig vindt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat verdachte3.midden in de nacht is gehoord en enkele uren later uit eigen beweging die verklaring over dat geldbedrag heeft gerectificeerd. Ten aanzien van het letsel merkt het hof op, dat het niét aannemelijk is geworden dat aangever de snee in zijn arm zelf heeft gemaakt om zijn verhaal kracht bij te zetten, zoals de verdediging suggereert. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat aangever niet uit zichzelf over die snee is gaan verklaren, maar alleen in antwoord op vragen van de politie.
Het hof voert als steunbewijs voor [slachtoffer] aangifte het volgende aan.
Ten aanzien van (de dreiging met) het geweld en wapens
Bij de aanhouding van verdachte en [medeverdachte 1] (naast elkaar gehurkt en zich verstoppend in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] ) zijn twee messen aangetroffen, één in zijn broekzak en één lag haast hem en verdachte op de grond. Verdachte heeft ook bij de politie verklaard dat hij een mes bij zich droeg. [medeverdachte 1] verklaarde in zijn tweede verhoor bij de politie eveneens dat hij een mes bij zich had. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat ze naar aangever waren gegaan om verhaal te halen. Voor het hof staat dan ook vast dat verdachte en [medeverdachte 1] bij [getuige] zijn geweest om aangever te ontmoeten en dat zij messen bij zich hadden.
[getuige] heeft verklaard dat verdachte en [medeverdachte 1] haar hal binnen zijn gekomen met twee andere mannen. Zij verklaarde dat verdachte zei dat ze [slachtoffer] ‘moesten hebben’ en dat ze zijn hond zouden meenemen. De getuige verklaarde dat verdachte een mes in zijn hand had en schreeuwde dat hij geld moest krijgen van [slachtoffer] . De getuige hoorde [medeverdachte 1] ook schreeuwen en zij verklaarde dat hij iets langs in zijn hand had wat op een stok of knuppel leek. In een latere verklaring gaf de getuige aan dat ze zich niet meer herinnerde wie de knuppel had; verdachte of de derde man, maar ze benoemde wederom dat verdachte een mes had en de punt daarvan richting aangever droeg en dat in ieder geval iemand, een lang voorwerp in zijn handen had. Ook verklaarde [getuige] dat de mannen aangever de hal in trokken. De verklaringen van aangever en getuige ondersteunen elkaar ten aanzien van de dreiging met de wapens en dat aangever de hal in is getrokken. Ook de verklaring van [getuige] acht het hof om die reden betrouwbaar.
De politie heeft vlak nadat zij aangever hadden gesproken in de nacht van 8 juni 2020, gezocht naar de mannen welke volgens aangever bij hem waren geweest. Tijdens de politieachtervolging zagen de verbalisanten dat een van de mannen een honkbalknuppel van zich afgooide. Daarnaast blijkt uit de camerabeelden die door de politie zijn bekeken dat er in de nacht van 7 op 8 juni 2020 vier personen voor de woning aan de [a-straat] te [plaats] staan en dat een persoon een lang voorwerp vasthoudt onder zijn jas. De personen zijn allen naar binnen gegaan en de persoon met het langwerpige voorwerp onder zijn jas, haalt die er onder vandaan wanneer ze naar binnen gaan. Nadat de personen uit beeld zijn verdwenen, komen ze weer terug in beeld en is zichtbaar dat de persoon met het langwerpige voorwerp dit in zijn handen vasthoudt en die boven zijn schouder opheft en er een slaande beweging mee naar voren maakt. Dit komt onder andere overeen met de verklaring van aangever dat hij nadat de mannen binnen waren geweest, naar buiten is gelopen om zijn hond te halen en dat de onbekende man toen dreigend met een honkbalknuppel op hem af kwam. Bovendien vindt de verklaring van aangever en [getuige] dat een persoon een honkbalknuppel had, steun in de bevindingen van de politie. Een van de personen op de beelden is overigens door een verbalisant aangemerkt als [medeverdachte 2].
Uit het WhatsAppgesprek dat is aangetroffen op de telefoon van verdachte blijkt dat hij zijn contactpersoon ‘[betrokkene 1]’ op 8 juni 2020 om 00:30 uur een bericht heeft gestuurd: ‘Ben je wakker. Is belangrijk. Neem die honkbal mee'. Waarop ‘[betrokkene 1]’ antwoordt met: ‘ligt in de bus. En [medeverdachte 2] kan kanker goed vechten.’
Het hof gaat ervan uit dat verdachte in zijn WhatsAppgesprek met ‘[betrokkene 1]’ met ‘[medeverdachte 2]’ verwees naar [medeverdachte 2] en dat [medeverdachte 2] ook aanwezig was toen verdachte verhaal ging halen bij aangever, mede omdat aangever [medeverdachte 2] heeft herkend en een verbalisant [medeverdachte 2] ook herkende op de stills van de camerabeelden. Het hof gaat ervan uit dat in het WhatsAppgesprek met ‘honkbal’ een honkbalknuppel wordt bedoeld, gelet op de camerabeelden en de weggegooide, en door de politie aangetroffen, honkbalknuppel zoals waargenomen door de verbalisanten.
Gelet op het WhatsAppgesprek, de camerabeelden, de bevindingen van de politie die een honkbalknuppel weggegooid zagen worden, de verklaringen van aangever, [getuige] en verdachte en medeverdachte omtrent de messen, staat het voor het hof vast dat er is gedreigd met messen door verdachte en een medeverdachte en dat een van de personen een honkbalknuppel bij zich had waarmee is geslagen.
Ten aanzien van de diefstal van de hond
Zowel aangever als [getuige] heeft verklaard dat verdachte en de andere mannen de hond van aangever hebben meegenomen. [getuige] heeft daarnaast verklaard dat zij verdachte hoorde zeggen dat ze [slachtoffer] zijn hond zouden meenemen. Aangever heeft zijn hond weer terug gekregen door een bericht op Facebook te plaatsen en vervolgens kon hij zijn hond ophalen bij ene [betrokkene 2], die woonachtig was op hetzelfde adres ais [medeverdachte 2].
De verklaringen van aangever en getuige ondersteunen elkaar in zoverre dat het hof ervan uitgaat dat de hond van aangever is gestolen door verdachte en zijn medeverdachten. Dat de hond later kon worden opgehaald bij het adres van een medeverdachte, maakt dat het hof ervan uitgaat dat verdachte en medeverdachten de hond van aangever hebben gestolen en dat de hond niet zomaar naar buiten is gelopen, zoals gesteld door de verdediging.
Ten aanzien van de diefstal van de telefoon
Aangever heeft in zijn aangifte verklaard dat zijn telefoon was gestolen. Bij de aanhouding van [medeverdachte 1] werden twee telefoons aangetroffen, waarbij één telefoon een foto van aangever als achtergrond had. Bij de politie verklaart [medeverdachte 1] daarover dat aangever de telefoon liet vallen en hij die oppakte en meenam. Op de vraag waarom hij die dan niet teruggaf, antwoordt hij: ‘Waarom zou ik dat doen als hij zelf wegloopt. Ik ga toch geen moeite doen om achter hem aan te gaan, als hij zelf wegloopt.’
Door de telefoon in zijn zak te steken en niet uit eigener beweging terug te geven, heeft [medeverdachte 1] als heer en meester over die telefoon beschikt en zich als heer en meester over die telefoon gedragen. Hij is dan ook schuldig aan de diefstal van de telefoon.
Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] ten aanzien van de diefstal van de telefoon is komen vast te staan. Uit de verklaring van aangever is gebleken dat zijn zakken werden doorzocht en dat [medeverdachte 1] de op de grond gevallen telefoon in zijn zak heeft gestoken. Verdachte was ten tijde van de diefstallen samen met [medeverdachte 1] ter plaatse en had net als de medeverdachten een wapen bij zich. Hiermee heeft hij ook gedreigd.
Uit het WhatsAppgesprek dat verdachte vooraf heeft gevoerd met medeverdachten [medeverdachte 2] over ‘vechten’, het meebrengen van de wapens, dat verdachte heeft gezegd dat zede hond zouden meenemen en dat verdachte heeft gedreigd met het wapen, leidt het hof af dat er sprake is geweest van een gezamenlijke voorbereiding met als doel (om onder dreiging van geweld) goederen weg te nemen bij aangever. De bewuste en nauwe samenwerking vindt daarnaast steun in het gezamenlijk ter plaatse zijn en weer vertrekken uit de woning van [getuige] . Verdachte en [medeverdachte 1] worden vervolgens kort na het feit samen aangetroffen in de woning aan de [b-straat 1] in [plaats] door de politieagenten waar zij zich hebben verstopt. Hoewel ieder van de verdachten andere goederen heeft weggenomen, is de bijdrage van verdachte aan de diefstal van de door [medeverdachte 1] weggenomen telefoon van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarom is verdachte eveneens schuldig aan het medeplegen van de diefstal van de telefoon.
Alle bovengenoemde bewijsmiddelen ondersteunen de verklaringen van aangever [slachtoffer] en die van de [getuige] . Het hof is dan ook van oordeel dat die verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
Primair of subsidiair? (Bedreiging met) geweld met het oogmerk op de diefstal
De advocaat-generaal heeft gevorderd om verdachte vrij te spreken van het primair tenlastegelegde, omdat (dé bedreiging met) het geweld niet gepleegd zou zijn met het oogmerk op de diefstal.
Anders dan de advocaat-genéraal is het hof van oordeel dat de bedreiging met geweld en het toepassen van geweld wel zijn gepleegd met het doel om wederrechtelijk goederen van aangever weg te nemen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat verdachte bij binnenkomst al zei dat ze de hond van aangever zouden meenemen. Daarnaast begonnen de mannen, volgens aangever, direct zijn zakken te doorzoeken en heeft [medeverdachte 1] de telefoon van aangever, die op de grond viel, gepakt en in zijn zak gestopt. Deze handelingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld.
Het hof acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - diefstal met geweld in vereniging.”
III. De cassatiemiddelen en de bespreking daarvan
6. Het eerste middel keert zich tegen ’s hofs motivering van de bewezenverklaring en houdt in dat “de vaststelling van het Hof dat de verklaringen van aangever kunnen worden gebezigd voor het bewijs omdat de verklaringen grotendeels steun vinden in andere onderdelen van het dossier niet zonder meer begrijpelijk [is]”. Daartoe wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het oordeel van het hof4.onbegrijpelijk (gemotiveerd) is, daar volgens de steller van het middel de verklaringen van de aangever innerlijk tegenstrijdig zijn. Omdat het hof ten onrechte is uitgegaan van de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangever, het vervolgens vaststelt dat de verklaringen van de aangever en de [getuige] met elkaar overeenkomen en het om die reden óók de verklaring van [getuige] betrouwbaar acht, is ook dit laatste oordeel van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
7. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren.5.
8. Kennelijk omdat de raadsman van de verdachte ook in hoger beroep de inconsistenties en tegenstrijdigheden heeft aangekaart, waarvan volgens hem in de verklaringen van de aangever en de getuige sprake is, heeft het hof daarover een uitvoerige bewijsoverweging opgenomen in het bestreden arrest. In deze bewijsoverweging onderkent het hof dat de aangever en de getuige middelen hadden gebruikt “en op (ondergeschikte) onderdelen wisselend hebben verklaard”, maar motiveert het hof in zoveel woorden waarom het desniettemin de verklaringen van de aangever en de getuige betrouwbaar vindt en waarom deze verklaringen voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Bovendien geeft het hof extra kracht aan deze motivering door te wijzen op het aanwezige (steun)bewijs. Het bestreden oordeel van het hof is naar mijn inzicht dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
9. Het middel faalt.
10. Het tweede middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van de diefstal van een telefoon en een hond.
11. Gezien de toelichting op het middel betreft de klacht enkel de bewezenverklaring van het medeplegen van de diefstal van de hond, zodat ik mij daartoe beperk. Aangevoerd wordt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte de hond van de aangever heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, nu uit “het dossier geen wegnemingshandeling kan worden gedestilleerd, laat staan dat een wegnemingshandeling kan worden vastgesteld”.
12. De tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen die in dit verband relevant zijn, houden het volgende in:
“3. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 8 juni 2020 (p. 74-76 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :
“[…] Op een bepaald moment werd het stiller en deed ik de deur open. Ik zag dat mijn hond aan de halsband van de trap werd getrokken. Dit deed de onbekende persoon. Ik ben erachteraan gegaan en buiten zag ik [medeverdachte 1] en [verdachte] met de onbekende man staan. De man kwam direct weer dreigend met de honkbalknuppel op mij af. Ik zag de hond niet meer bij de mannen staan.”
4. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 9 juni 2020 (p. 77-80 van het politiedossier), voor zover inhoudende als, verklaring van [slachtoffer] :
“Al heel snel daarop kwamen die drie jongens ineens naar de woning, van [getuige] toe. Ik herinner mij nu ook, dat toen mijn hond door de jongens mee naar buiten werd genomen en ik erachteraan liep naar buiten, ik toen op straat ene [medeverdachte 2] bij die 3 jongens zag. Hij deed verder niets, maar hij stond wel ineens bij deze 3 jongens. Ik kon toen niet verder lopen, want die jongen met de honkbalknuppel kwam op mij aflopen waardoor ik moest vluchten.
(…)
Toen die 3 jongens bij de voordeur van [getuige] kwamen, zijn ze 2 stappen paar binnen gekomen. Alleen de achterste persoon, de onbekende verdachte, pakte mijn hond bij de ketting vast. (...) (Het hof begrijpt dat ‘V’ de vraag van verbalisant is en ‘A’ het antwoord van [slachtoffer] )
V: Ik zie dat jij een flinke verse snijwond aan jou rechteronderarm hebt. Hoe kom je aan deze verwonding?
A: Nou, dat is gebeurd in de worsteling met die 3 jongens, toen ik mijn hond terug wilde pakken: [verdachte] en [medeverdachte 1] hadden ieder een mes vast, maar ik weet niet precies wie dit heeft gedaan.
[…]
8. Een proces-verbaal van verhoor, d.d. 8 juni 2020,(p. 121-122 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van getuige [getuige] :
“[…] Ik zag dat de hond van [slachtoffer] ook op de gang liep. Ik hoorde dat [verdachte] zei, dat ze de hond van [slachtoffer] mee zouden nemen […].”
14. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 14 juni 2020 (p. 1 19 van het politiedossier), voor zover inhoudende als verklaring van de [verbalisant]:
“Het bleek dat aangever [slachtoffer] op dinsdag 9 juni 2020 na een oproep op Facebook, zijn weggenomen hond weer terug had. [slachtoffer] had via Messenger een bericht van Calvin Woning ontvangen. Woning wist waar de hond van [slachtoffer] was en had [slachtoffer] het 06-nummer van ene [betrokkene 2] gegeven. [slachtoffer] had deze [betrokkene 2] gebeld, er werd op straat afgesproken en de hond, werd teruggegeven.”
15. Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 13 augustus 2020 (p. 66 van het - politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van de [verbalisant]:
“Uit nader onderzoek bleek deze [betrokkene 2] de navolgende persoon te zijn:
[betrokkene 2], geboren [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], wonende aan de [c-straat 1] te [plaats] .
Verdachte [medeverdachte 2] is in hetzelfde kamer verzamelpand woonachtig op het adres [c-straat 2].”
13. Ook hier geldt hetgeen bij de bespreking van het eerste middel is vooropgesteld, kort gezegd dat de feitenrechter een grote vrijheid heeft in de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal. Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat de hond van de aangever vanuit de woning van de vriendin van de aangever werd meegenomen en de trap af werd getrokken en dat de verdachte heeft gezegd dat ze de hond mee zouden nemen. De hond kon later worden opgehaald op een adres in hetzelfde verzamelpand als dat van één van de medeverdachten. Ook gelet daarop is het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van de diefstal van de hond, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
14. Het tweede middel faalt.
IV. Ambtshalve opmerking
15. Het cassatieberoep is ingesteld op 26 juli 2022. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren sinds het instellen van dat cassatieberoep zijn verstreken. Dat dient te leiden tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf.
V. Slotsom
16. Beide middelen falen.
17. Andere gronden – dan de hierboven genoemde redelijke termijn – waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde straf volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 15‑10‑2024
De bewezenverklaring steunt op zestien bewijsmiddelen. Gezien de middelen (zie hierna de randnummers 6, 10 en 11) en de uitvoerige bewijsoverweging van het hof, waarin een beschrijving wordt gegeven van hetgeen volgens het hof is voorgevallen, meen ik dat de tot het bewijs gebezigde bewijsmiddelen hier niet behoeven te worden weergegeven.
Ik, A-G, begrijp: de aangever.
In de woorden van de steller van het middel inhoudend dat de vaststellingen met betrekking tot de verklaringen van de aangever (wisselend verklaren, aantoonbaar onjuist verklaren), niet tot gevolg heeft dat de gehele verklaring van de aangever ongeloofwaardig is.
HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. De tweede volzin van het tweede lid van art. 359 Sv doet niet af aan dat uitgangspunt van de selectie- en waarderingsvrijheid van het bewijsmateriaal. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter zijn beslissing nader zal dienen te motiveren wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Het hof heeft het ter terechtzitting gevoerde verweer kennelijk als zodanig aangemerkt – in cassatie wordt echter niet aan dit verweer gerefereerd zodat het, afgezien van deze voetnoot, buiten beschouwing blijft. Hoe dan ook, indien de rechter van een dergelijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt afwijkt, dient hij in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid, waarbij de mate van motivering afhangt van de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten en in welk geval geldt dat de motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Zie bijv. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Buruma (rov. 3.8.4 onder d); HR 21 mei 2019, ECLI:NL:NL:HR:2019:780, NJ 2019/338, m.nt. Reijntjes; HR 14 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:646; HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. Zie ook A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 284 (7.1.3) en 328 (7.4.2).