Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/5.5.7:5.5.7 De Nederlandse context
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/5.5.7
5.5.7 De Nederlandse context
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS369452:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
V erordening (EG) Nr. 2157/2001 van de Raad van de Europese Unie van 8 oktober 2001 betreffende het statuut van de Europese vennootschap (PbEG 2001, L 294/1).
Zie ten aanzien van de te volgen procedure en de geldende voorschriften bij grensoverschrijdende omzetting onder meer Stroeve 2013, p. 71-76, Van Veen 2013, p. 512-525 en Roelofs 2012, 792-798. Zie ook Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/151.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse wet voorziet, op de eerdere genoemde bijzondere regelingen na, niet in een regeling van grensoverschrijdende omzetting. De rechtspraak van het Hof heeft echter directe werking binnen de Nederlandse rechtssfeer. Op grond van het Cartesio-arrest kan Nederland het ‘uitreizen’ van Nederlandse vennootschappen niet tegengaan. En aangezien Nederland een nationale omzetting toestaat, moet op grond van het VALE-arrest Nederland een omzetting van een buitenlandse vennootschap naar een Nederlandse vennootschap eveneens toestaan.
Zoals eerder beschreven in onder 5.2 worden er in artikel 2:18 lid 2 BW voor de omzetting van een rechtspersoon in een nationale situatie enkele (constitutieve) vereisten gesteld:
een omzettingsbesluit;
een besluit tot statutenwijziging;
een notariële akte; en
in het geval van omzetting in een stichting of vereniging een rechterlijke machtiging.
Daarnaast is het verplicht om de omzetting te melden aan het handelsregister waar de rechtspersoon is ingeschreven.
Gezien het Cartesio-arrest en het VALE-arrest dient voor invulling van de procedure van een grensoverschrijdende omzetting te worden aangesloten bij de nationale regels. Hierbij lijkt de armslag van de autoriteiten (notaris, rechter en handelsregister) om hun medewerking aan een intracommunautaire omzetting te onthouden beperkt. Het ‘inreisland’ zal zijn omzettingsregels hebben, daarnaast zal het oorsprongland zijn eigen procedurevoorschriften hebben. Daarvoor lijkt een ruime invullingsvrijheid te bestaan, maar de grens is getrokken daar waar de procedurevoorschriften de grensoverschrijdende omzetting onmogelijk dreigen te maken waar dit naar nationaal recht wel mogelijk is.
Ik denk dat er inmiddels geen twijfel meer over kan bestaan of grensoverschrijdende omzetting, zowel outbound als inbound, naar Nederlands recht mogelijk is. De supranationaal geldende rechtspraak van het Hof is daarover eenduidig. Dat het Nederlandse recht voor grensoverschrijdende omzetting vooralsnog geen regels heeft, doet daaraan niet af. Het stelt de praktijk hooguit voor een aantal vragen omtrent de te volgen procedure. Bij gebreke van een Nederlandse regeling voor grensoverschrijdende omzetting kunnen de daarbij opkomende vragen op dit moment wellicht het best naar analogie met bestaande rechtsfiguren (zoals grensoverschrijdende juridische fusie en de grensoverschrijdende zetelverplaatsing van een Societas Europaea (‘SE’) als opgenomen in de SE-Verordening1) ingevuld worden.2 De praktijk zou echter gebaat zijn bij een Nederlandse (of communautaire) regeling die de bestaande vraagpunten oplost.