Hof Den Haag, 14-02-2023, nr. 200.244.766/01
ECLI:NL:GHDHA:2023:598, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
14-02-2023
- Zaaknummer
200.244.766/01
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Goederenrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2023:598, Uitspraak, Hof Den Haag, 14‑02‑2023; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:6350, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2024:1475
ECLI:NL:GHDHA:2018:3109, Uitspraak, Hof Den Haag, 06‑11‑2018; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
Notamail 2023/107
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2023/291
Uitspraak 14‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Man koopt tijdens het huwelijk twee appartementen. De man was toen nog in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Dertig jaar na ontbinding van het huwelijk komt de ex-echtgenote er achter dat de man twee appartementen in het kader van de verdeling heeft verzwegen. Bij de aankoop van de appartementen had de man gezegd aan de notaris dat hij ongehuwd was.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team familie
Zaaknummer : 200.244.766/01
Zaak- rolnummer rechtbank : C/10/529869/ HA ZA 17-625
Arrest 14 februari 2023
Inzake
[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K. Hoesenie Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W. de Vries te Den Haag.
Het verdere verloop van het geding
Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 24 december 2019, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.
Bij voornoemd tussenarrest heeft het hof aan de man een bewijsopdracht verleend.
Op 18 maart 2021 is een enquête gehouden.
Op 30 september 2021 is de enquête voortgezet en is tevens een contra-enquête gehouden.
Op 17 juni 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden aangezien twee van de drie raadsheren die het tussenarrest van 24 december 2019 hebben gewezen niet meer aan het hof verbonden zijn. Door de man zijn op 17 juni 2022 pleitaantekeningen in het geding gebracht. Tevens heeft op 17 juni 2022 nog een enquête plaatsgevonden. Beide advocaten hebben ter mondelinge behandeling verklaard geen behoefte meer te hebben aan het nemen van een memorie na enquête.
De verdere beoordeling van het hoger beroep
Relevante feiten
1. Voor de leesbaarheid van dit arrest geeft het hof, onder verwijzing naar het tussenarrest van 24 december 2019, een korte uiteenzetting van de relevante feiten voor zover thans nog van belang.
2. Partijen zijn sinds [huwelijksdatum] 1972 in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest. Het huwelijk is op 25 februari 1997, door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 20 januari 1997 in de daartoe bestemde registers, ontbonden.
3. Aan de man is geleverd een appartement en parkeerplaats gelegen [adres 1] te [plaats 1] (appartement 1), bij notariële akte op 16 maart 1995 verleden. Daarnaast is aan de man geleverd een appartement [adres 2] te [plaats 1] (appartement 2), bij notariële akte op 3 januari 1996 verleden. In de comparitie van deze akten van levering staat vermeld dat de man volgens diens verklaring ongehuwd is. Dit staat ook zo vermeld in de met deze akten van levering verband houdende hypotheekakten die tevens op de vermelde data zijn verleden.
4. De peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap was, onder het destijds geldende recht, de datum van inschrijving van de echtscheiding, in dit geval dus 25 februari 1997.
5. Gelet op de peildatum van 25 februari 1997 behoren de twee aan de man geleverde appartementen tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen. De appartementen zijn immers aan de man geleverd tijdens het huwelijk en op de peildatum stonden de appartementen nog steeds op zijn naam.
Geschil
6. Volgens de vrouw heeft de man in het kader van de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap de twee appartementen opzettelijk verzwegen. De man is van mening dat de vrouw van de aankoop door hem van de twee appartementen wist.
7. In het tussenarrest van 24 december 2019 heeft het hof geoordeeld voorshands van mening te zijn dat er sprake is van het opzettelijk door de man buiten de verdeling houden van de twee appartementen in de zin van art. 3:194 BW, tenzij de man kan aantonen dat – zoals hij stelt – de vrouw op het moment van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen wist dat hij de twee appartementen in eigendom had.
8. Het hof heeft de man vervolgens toegelaten om door alle middelen rechtens, in het bijzonder door middel van het horen van getuigen, te bewijzen dat de vrouw wist dat hij appartement 1 en appartement 2 in eigendom had en daarvoor schulden was aangegaan op het moment van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen.
Getuigenverhoor
9. Als getuigen zijn gehoord:
- op 18 maart 2021: de heer [getuige 1] en de man;
- op 30 september 2021: de vrouw, mevrouw [getuige 2] en mevrouw [getuige 3] ;
- op 17 juni 2022: de heer [getuige 4] .
Verdere oordeel hof
10. Het hof gaat thans nader in op hetgeen de getuigen hebben verklaard, of het bewijs door de man is geleverd en wat de verdere gevolgen zijn.
11. De getuige de heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) is op 18 maart 2021 als getuige gehoord. [getuige 1] kende beide partijen. Hij heeft medio 1995 de man en de vrouw bezocht in hun woning aan de [adres 3] in [plaats 2] . Dit was volgens [getuige 1] de echtelijke woning van partijen. De man heeft toen aan hem meegedeeld dat hij ging scheiden, hetgeen bij [getuige 1] aankwam als een donderslag bij heldere hemel. In het gesprek dat hij voerde met de man heeft de man tegen hem gezegd dat hij een appartement [adres 4] had gekocht en daar zou gaan wonen. Volgens [getuige 1] was de vrouw op dat moment in de kamer aanwezig en was zij de planten aan het verzorgen. Voorts volgt uit de verklaring van [getuige 1] dat hij appartement 1 als Hindoestaans priester heeft ingewijd. Volgens [getuige 1] heeft de man in 1996 tegen hem gezegd dat de vrouw de kinderen kwam ophalen bij het appartement.
12. Het hof overweegt als volgt. Het hof twijfelt aan de betrouwbaarheid van hetgeen [getuige 1] heeft verklaard. [getuige 1] is op 18 maart 2021 met de man naar het getuigenverhoor gereden. De raadsheer-commissaris heeft [getuige 1] tijdens het getuigenverhoor nog gewezen op het feit dat hij de belofte had afgelegd.
[getuige 1] heeft geen verklaring afgelegd met betrekking tot appartement 2. [getuige 1] verklaart alleen dat de man aan hem gezegd heeft dat hij een appartement had gekocht, dus niet dat de man eigenaar was van appartement 1. Ook volgt niet uit zijn verklaring dat de vrouw - tijdens het bezoek van [getuige 1] aan de man in de woning te [plaats 2] - de mededeling van de man heeft gehoord dat de man een appartement had gekocht. De vrouw was volgens [getuige 1] in de kamer aanwezig en wel op 3 meter afstand. Dat de vrouw instemmend heeft geknikt, zoals [getuige 1] heeft verklaard, vormt ook geen bewijs dat de vrouw wist dat de man eigenaar was van appartement 1. Bij de geestelijke inwijding door [getuige 1] van appartement 1 was de vrouw niet aanwezig. De getuige heeft niet gezien dat de vrouw de kinderen bij appartement 1 ophaalde en ook heeft de getuige de vrouw nooit in het appartement gezien. Op basis van voormelde getuigenverklaring kan niet worden vastgesteld dat de vrouw op het moment van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wist dat de man eigenaar was van appartement 1 en 2.
13. Op 30 september 2021 is [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat zij contact met de advocaat van de man heeft gehad maar dat zij niet met hem heeft gesproken over wat zij zou getuigen. De man was volgens [getuige 2] de eerste neef die in die tijd ging scheiden. Volgens [getuige 2] is er in 1994/1995 bij haar ouders gesproken over de appartementen. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat zij wist dat de appartementen waren gekocht maar dat zij niet weet of dit onderling is besproken door de man en de vrouw.
Naar het oordeel van het hof draagt ook deze getuigenverklaring niet bij aan de aan de man verstrekte bewijsopdracht. [getuige 2] weet niet uit eigen wetenschap of de man en vrouw met elkaar hebben gesproken over de twee appartementen. Dat [getuige 2] weet dat de man twee appartementen had en dat er over gesproken werd is niet relevant voor de onderhavige bewijsopdracht. Vermoedens van [getuige 2] dat zij zich haast niet kan voorstellen dat de vrouw niet van de appartementen geweten zou hebben acht het hof niet relevant, aangezien vermoedens geen feiten zijn en behoren tot het gevoel van deze getuige.
14. [getuige 3] ( [getuige 3] ) heeft op 30 september 2021 een getuigenverklaring afgelegd. Zij heeft van 1994 tot 1999 een relatie gehad met de zoon van partijen. In de tijd dat zij met de zoon van partijen in de woning van partijen woonde wist zij niet dat de man en de vrouw uit elkaar waren. De man woonde nog steeds bij de vrouw aldus [getuige 3] . [getuige 3] schatte dat de man en de vrouw rond 1997 zijn gescheiden. [getuige 3] weet niet of de vrouw in 1997 wist dat de man de appartementen [adres 4] had. Ook op basis van deze verklaring kan het hof niet vaststellen dat de vrouw bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap wist dat er twee appartementen toebehoorden aan de man.
15. Op 17 juni 2022 is als getuige gehoord de heer [getuige 4] ( [getuige 4] ). [getuige 4] heeft verklaard: “U vraagt mij of ik aan mijn schoonzus heb gevraagd of zij weet dat er appartementen zijn gekocht. Dat heb ik niet gedaan. U vraagt mij of ik aan mijn neef heb gevraagd of hij dit aan zijn vrouw had meegedeeld. Dat antwoord is neen. Ik ben niet in het appartement geweest.”
Naar het oordeel van het hof verklaart ook [getuige 4] niets concreets over hetgeen de vrouw wist bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap met betrekking tot de twee appartementen [adres 4] . [getuige 4] heeft het over familiebijeenkomsten maar de vraag wat op die familiebijeenkomsten concreet door de vrouw en de man is besproken inzake de appartementen wordt door de verklaring van [getuige 4] niet beantwoord. Ook deze getuigenverklaring heeft geen waarde voor de aan de man verstrekte bewijsopdracht.
16. De man en de vrouw zijn als partijgetuigen gehoord. Het hof gaat thans nader in op de partijgetuigenverklaringen.
De man heeft op 18 maart 2021 verklaard dat de vrouw wist dat hij twee appartementen had gekocht. Voorts heeft de man verklaard dat hij met de vrouw appartement 1 begin 1995 heeft bezichtigd. De kinderen wisten ook dat hij het appartement had gekocht. De man weet niet waarom in het echtscheidingsconvenant de twee appartementen niet zijn opgenomen. De vrouw is diverse keren in het appartement geweest nadat het gekocht was. De kinderen zijn ook in het appartement geweest, ook na 1997.
Door de vrouw wordt ontkend dat zij tijdens het huwelijk in appartement 1 is geweest. Eerst in 2001 is zij in het appartement geweest aangezien in appartement 2 het bedrijf van de man was gevestigd. Bij de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de vrouw de woning te [plaats 2] gekregen en de hypothecaire geldlening overgenomen. Door de vrouw is eveneens ontkend dat zij met de man appartement 1 heeft bezichtigd. De vraag van de advocaat van de man of de vrouw als een donderslag bij heldere hemel was getroffen toen zij van de notaris hoorde dat er nog twee appartementen waren heeft de vrouw bevestigend beantwoord. Zij begreep niet hoe de man dit voor elkaar had gekregen.
17. Het hof overweegt als volgt. Door partijen is in januari 1997 een echtscheidingsconvenant ondertekend. In dit echtscheidingsconvenant is expliciet vermeld dat de woning te [plaats 2] aan de [adres 3] aan de vrouw wordt toegedeeld en dat zij de hypothecaire geldlening overneemt. Als er bij de advocaten van partijen wetenschap was geweest dat er nog appartementen waren, hadden de advocaten dit zeker met partijen besproken aangezien de appartementen destijds in goederenrechtelijke zin tot de huwelijksgemeenschap behoorden. Er kan alleen een einde aan de onverdeeldheid van de appartementen worden gemaakt door verdeling. Op het moment van de levering van de appartementen wist de man dat hij nog getrouwd was met de vrouw, maar desondanks verklaarde de man in meerdere notariële akten dat hij ongehuwd was. Gezien de vorenstaande feiten kan het hof geen waarde hechten aan de verklaring van de man als partijgetuige.
18. Het vorenstaande in ogenschouw nemend is het hof dan ook van oordeel dat de man niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd dat de vrouw op het moment van de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen wist dat hij appartement 1 en appartement 2 in eigendom had en/of daarvoor schulden was aangegaan. Het vorenstaande heeft tot gevolg dat er voldaan is aan de voorwaarden van art. 3:194 lid 2 BW en de man dus zijn aandeel in de appartementen 1 en 2 aan de vrouw heeft verbeurd.
Proceskosten
19. Gezien de proceshouding van de man is het hof van oordeel dat de man in de kosten van de procedure moet worden veroordeeld zowel in eerste aanleg als in appel.
Vernietiging bestreden uitspraak
20. Gezien het hof in zijn arrest van 24 december 2019 heeft overwogen alsmede hetgeen het hof in dit arrest heeft overwogen dient het bestreden vonnis te worden vernietigd. Derhalve wordt het primair door de vrouw gevorderde toegewezen, en wel de vordering om voor recht te verklaren dat de man zijn aandeel in de appartementen 1 ( [adres 1] te [plaats 1] ) en appartement 2 ( [adres 2] te [plaats 1] ) aan de vrouw heeft verbeurd.
De vrouw heeft onder het primair gevorderde tevens gevorderd de man te verplichten om haar te vrijwaren voor eventuele vorderingen en rechten verbonden aan de onroerende zaken. Deze vordering wijst het hof af, nu deze vordering onvoldoende bepaalbaar is. Het is het hof niet duidelijk of het gaat om de lasten ten tijde van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap of om de lasten per heden. Het hof wijst beide partijen er wel op dat als de man ten tijde van de gemeenschap een geldlening is aangegaan dit een gemeenschapsschuld is waarvoor beide partijen gelijk draagplichtig zijn. Voor wat betreft de omvang is bepalend de datum van ontbinding van het huwelijk.
Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2018 tussen partijen gewezen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de man zijn aandeel in het appartement [adres 1] te [plaats 1] en het appartement [adres 2] te [plaats 1] aan de vrouw heeft verbeurd;
veroordeelt de man in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als in appel, tot aan deze uitspraak begroot op € 4.039,- en aldus gespecificeerd:
eerste aanleg:
- € 291,- griffierecht,
- € 922,- salaris advocaat,
hoger beroep:
- € 318,- griffierecht,
- € 2.508,- salaris advocaat,
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, R.L.M.C. Janssen en L.A.G.M. van der Geld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023 in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 06‑11‑2018
Inhoudsindicatie
Verdeling. Scheiding in 1997. In het convenant zijn twee appartementen niet opgenomen. Behoren wel tot de ontbonden huwelijksgemeenschap. Rechtbank beveelt alsnog verdeling. Vrouw vraagt schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het betreffende vonnis. Criterium. Vordering afgewezen.
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel, team familie
Zaaknummer : 200.244.766/01
Rol-/zaaknummer rechtbank : C/10/529869 / HA ZA 17-625
arrest in het incident d.d. 6 november 2018
inzake
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. K. Hoesenie te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. W. de Vries te Den Haag.
Het geding
De vrouw is bij exploot van 16 augustus 2018 in hoger beroep gekomen van het vonnis van 18 juli 2018 van de rechtbank Rotterdam, team handel en haven, gewezen tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde, hierna: het bestreden vonnis.
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het bestreden vonnis.
De vrouw heeft in de appeldagvaarding dertien grieven aangevoerd.
De vrouw heeft voorts in de appeldagvaarding een vordering in incident genomen, waarin zij de schorsing vordert van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis.
De man heeft een memorie van antwoord in het incident ingediend.
Beide partijen hebben hun procesdossier gefourneerd en arrest in het incident gevraagd.
Beoordeling van het incident
1. Het hof gaat uit van de volgende feiten. De man en de vrouw zijn gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Het huwelijk van partijen is [in] februari 1997 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers. Aan de man is op 16 maart 1995 een appartement en parkeerplaats gelegen aan het [adres] geleverd (hierna: appartement 1) en op 3 januari 1996 een appartement gelegen aan [adres] (hierna: appartement 2). Partijen zijn in januari 1997 een echtscheidingsconvenant overeengekomen. In dit convenant zijn voornoemde appartementen niet opgenomen.
Onder het voor 1 januari 2012 geldende recht was de peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, derhalve in dit geval 25 februari 1997. Gelet op deze datum behoren de aan de man geleverde appartementen tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen.
2. De vrouw heeft, kort gezegd, in onderhavige zaak primair gevorderd te verklaren voor recht dat de man de appartementen verbeurt aan haar en hem te verplichten haar te vrijwaren voor eventuele vorderingen en rechten van derden verbonden aan de appartementen ontstaan na de echtscheiding. Subsidiair heeft zij, kort gezegd, gevorderd de verdeling van de appartementen vast te stellen dan wel te gelasten en de man te bevelen stukken over te leggen met betrekking tot de financiën aangaande de appartementen.
3. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank:
- partijen bevolen over te gaan tot verdeling van de appartementen, binnen drie maanden na betekening van dit vonnis, conform de conceptakte van verdeling, zoals opgesteld door notaris D. [volgt naam] ;
- de man veroordeeld tot betaling van € 9.681,- aan de vrouw, te voldoen bij de ondertekening van de hiervoor genoemde akte van verdeling;
- het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de kosten van de procedure gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
4. De vrouw vordert thans in het incident dat het het hof behage de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen voor de duur van het onderhavige hoger beroep, met veroordeling van de man in de kosten van dit incident, onder de bepaling dat, indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop het arrest is gewezen aan de man zullen zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente verschuldigd is. 8
5. De man voert verweer en vordert dat het hof de vorderingen van de vrouw afwijst, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit incident, onder de bepaling dat indien de proceskosten niet binnen veertien dagen na de dag waarop arrest is gewezen aan de man zullen zijn voldaan, daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente verschuldigd is.
6. De vrouw stelt dat haar belang daarin is gelegen dat zij bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis haar (leverings)rechten op de appartementen (hoogstwaarschijnlijk) niet meer geldend kan maken. De onroerende zaken komen dan volledig in eigendom van de man die deze vervolgens kan verkopen en leveren aan een derde of deze volledig aan een derde in gebruik kan geven. De vrouw voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat de rechtbank geen acht heeft geslagen op door haar overgelegde correspondentie tussen de advocaten van partijen ten tijde van het opstellen van het echtscheidingsconvenant, waaruit blijkt dat zijzelf en haar advocaat niet op de hoogte waren van de appartementen en dat de man heeft aangegeven dat er geen andere onroerende zaken waren dan de voormalige echtelijke woning. Deze correspondentie onderbouwt ook haar stelling dat zij in haar rechten is verkort doordat de man heeft gezwegen over de onroerende zaken terwijl hij wist dat deze nog moesten worden verdeeld en er sprake was van overwaarde. Voorts voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte haar bewijsaanbod om de advocaten van destijds als getuigen te horen heeft afgewezen. Tevens voert de vrouw aan dat het vonnis is gebaseerd op de evident onjuiste stelling van de man dat zij niets heeft bijgedragen aan de hypothecaire lasten van de onroerende zaken. Voorts is de rechtbank volgens de vrouw buiten de rechtsstrijd getreden door in haar oordeel mee te nemen dat de vrouw aan de man een vergoeding zou moeten betalen voor de periode dat zij niet heeft bijgedragen aan de hypothecaire verplichtingen, immers dit standpunt is door de man niet ingenomen. Tot slot is de vrouw het niet eens met de redenering van de rechtbank ten aanzien van de bepaling van de waardepeildatum met betrekking tot de onroerende zaken.
7. De man voert verweer. Het belang van de man bij tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis is, zo stelt hij, daarin gelegen dat hij de appartementen reeds anderhalf jaar wenst te verkopen, mede vanwege zijn financiële positie jegens de bank bij wie hij een schuld van ruim € 400.000,- heeft. De appartementen zijn in de tussentijd ook leeg komen te staan, mede gelet op de beoogde verkoop, waardoor de man nu nog wel de financiële lasten van de appartementen heeft maar daar geen (huur)inkomsten meer tegenover staan. De man is van mening dat er niet sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag.
8. Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis op de voet van artikel 351 Rv geldt in het licht van de rechtspraak van de Hoge Raad (HR 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5012 en HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:688) het volgende:
(I) De eiser in het incident moet belang hebben bij de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging.
(II) Bij de beoordeling moeten de belangen van partijen worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval.
(III) Bij deze afweging moet ervan worden uitgegaan dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis heeft verkregen, in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het vonnis hoger beroep is ingesteld. Uitgangspunt zijn de bestreden beslissing en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende rechtsmiddel blijft in beginsel buiten beschouwing. Dit kan anders zijn indien het bestreden vonnis, waarvan beroep is ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
(IV) Indien in de vorige instantie een gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, zal de incidenteel eiser die wijziging van deze beslissing wenst, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag moeten leggen die bij de door de vorige rechter gegeven beslissing niet in aanmerking konden worden genomen doordat zij zich eerst na de uitspraak van de vorige rechter hebben voorgedaan, en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
(V) Indien in de vorige instantie geen gemotiveerde beslissing is gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, geldt de hiervoor onder (IV) vermelde eis niet en dient te worden beslist met inachtneming van het hiervoor onder (I)-(III) vermelde.
9. Nu de rechter in eerste aanleg geen gemotiveerde beslissing heeft gegeven over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad, dient het hof te oordelen met inachtneming van het in de vorige rechtsoverweging onder (I)-(III) vermelde. Het hof oordeelt als volgt.
10. Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een kennelijke juridische of feitelijke misslag waarop het bestreden vonnis zou rusten. Van een kennelijke misslag is pas sprake indien naar objectieve maatstaven buiten twijfel staat dat een beslissing evident onjuist is. In hetgeen de vrouw ter onderbouwing van haar vordering naar voren heeft gebracht, ziet het hof slechts gronden die volgens de vrouw tot de conclusie zouden moeten leiden dat het hof tot een ander oordeel zou moeten komen. Dit is echter onvoldoende om aan te nemen dat het bestreden vonnis op een kennelijke misslag berust. De vraag of het bestreden vonnis al dan niet geheel juist is en of de beslissing in hoger beroep in stand zal blijven, vormt niet de maatstaf aan de hand waarvan in dit executiegeschil moet worden beslist.
11. Voor zover de misslag er uit zou bestaan dat de rechtbank ten onrechte het bewijsaanbod van de vrouw heeft afgewezen, overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis geoordeeld niet aan bewijslevering toe te komen nu de vrouw haar stellingen, dat de man het oogmerk had om de rechten van de vrouw te verkorten niet met feiten heeft onderbouwd noch een begin van bewijs heeft geleverd. Dit oordeel kan weliswaar in hoger beroep aan de orde worden gesteld, maar vormt geen klaarblijkelijke misslag op grond waarvan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad geschorst kan worden.
12. Het hof is voorts niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden van na het bestreden vonnis die maken dat van de beslissing dient te worden afgeweken.
13. In de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat het belang van de man bij een uitvoering van het bestreden vonnis zwaarder weegt dan het belang dat de vrouw stelt te hebben indien het bestreden vonnis wordt geschorst. De vordering van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het bestreden vonnis wordt derhalve afgewezen.
14. In het vorenstaande ziet het hof aanleiding om de vrouw, zoals door de man is verzocht, te veroordelen in de kosten van het incident.
15. Derhalve wordt als volgt beslist.
Beslissing
Het hof:
wijst af de vordering van de vrouw tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis van 18 juli 2018 van de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen;
veroordeelt de vrouw in de kosten van dit incident, begroot op € 1.074,- met de bepaling dat de vrouw, indien zij niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest de proceskosten aan de man heeft voldaan daarover vanaf de vijftiende dag wettelijke rente verschuldigd is;
verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst de zaak voor de hoofdzaak naar de rol van 18 december 2018 voor memorie van antwoord in de hoofdzaak.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.N. Labohm, E.A. Mink en O.I.M. Ydema en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 november 2018 in aanwezigheid van de griffier.