Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/13.6.7.1
13.6.7.1 Verplichtingen ten dienste van de belastingheffing van derden
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495869:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In welke mate de Belastingdienst behoefte zal hebben aan contra-informatie, zowel kwalitatief als kwantitatief, is casusspecifiek. Ik noem hier de controlecapaciteit, het controlebeleid, de aard en inhoud van fiscale voorschriften en de feitelijke grondslag waarop deze voorschriften zich richten.
Omdat de inhoudingsplichtige niet ook de belastingplichtige is, gelden de verplichtingen van art. 47 AWR op grond van het bepaalde in art. 53 AWR ook voor de inhoudingsplichtige, indien en voor zover de op grond van art. 47 AWR verlangde medewerking van belang kan zijn voor de heffing van de door hem in te houden en af te dragen belasting.
Persbericht van het Ministerie van Financiën van 28 juni 1996, nr. 96/110, V-N 1996, p. 2591.
Zie Rb. ’s-Gravenhage 28 december 1989, FED 1990/306. Daarin overweegt de rechtbank dat het begrip ‘derden’ op grond van rechtspraak niet uitsluitend ziet op de rechtstreekse relaties van de in art. 53 AWR bedoelde administratieplichtigen, maar ook op relaties van die relaties. Anders: Hamer 1990, p. 201-209.
Zie art. 10.8 Wet IB 2001 jo. art. 22, lid 1 Uitv.besl. Wet IB 2001. De derdenverplichtingen van financiële instellingen worden uitgebreid besproken in Bijl de Vroe/Wijsman 2007 en Bijl de Vroe/Wijsman 2008.
Zie hierover nader Vennix 2009 en Van de Kerkhof 2009.
Het gebruik van inlichtingen en gegevens die belastingplichtigen zelf aan de Belastingdienst hebben verstrekt, maakt de belastingheffing gevoelig voor misbruik en oneigenlijk gebruik. Een adequate uitvoering van de belastingwet vereist dat de Belastingdienst informatie kan vergaren en verifiëren bij anderen dan de belastingplichtige. De van derden verkregen contra-informatie stelt de dienst in staat om onafhankelijk van de belastingplichtige vast te stellen of hij de belastingwet juist en volledig naleeft.1
De gehoudenheid van (bepaalde) belastingplichtigen om informatie over derden te verstrekken, is geregeld in art. 53 AWR. In het eerste lid is vastgelegd dat de verplichtingen in art. 47 en 48 tot en met 50 AWR van overeenkomstige toepassing zijn ten behoeve van de belastingheffing van derden (sub a) en de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen (sub b)2. De medewerking op de voet van art. 53 AWR betreft enkel de in art. 52 AWR genoemde administratieplichtigen. Dit sluit in ieder geval particulieren uit van de verplichting om de inspecteur informatie over derden te verstrekken.
Heffingsbelang in derdenverhoudingen
De analoge toepassing van art. 47 AWR op het derdenonderzoek brengt met zich mee dat het heffingsbelang in art. 47 moet worden vertaald naar de in art. 53 AWR geregelde medewerking ten dienste van de belastingheffing van derden. Het voor de belastingheffing van derden ‘van belang kunnen zijn’, veronderstelt volgens het persbericht van het Ministerie van Financiën van 28 juni 1996, nr. 96/110, dat zich bij de derde waarop de controle zich richt een fiscaal relevant feit heeft voorgedaan, althans dat een dergelijke gebeurtenis redelijkerwijs is te verwachten.3 Aangenomen moet worden dat het begrip ‘derden' in ieder geval ziet op de rechtstreekse relaties van de in art. 53 AWR bedoelde administratieplichtigen.4 Mogelijk ziet het ook op relaties van die relaties.5
Medewerking op verzoek en uit eigen beweging
Ook voor het derdenonderzoek op de voet van art. 53 AWR geldt als uitgangspunt dat de medewerking desgevraagd moet worden verleend. Vanwege het massale karakter van het heffings- en invorderingsproces zijn kort gezegd (professionele) vermogensbeheerders zoals banken, verzekeraars en effectenbeheerders administratieplichtigen6 op grond van art. 53, lid 2 en 3 AWR, met ingang van 1 januari 2001 verplicht uit eigener beweging periodiek bepaalde gegevens over cliënten aan de Belastingdienst te verstrekken, dus zonder dat daaraan een verzoek van de inspecteur ten grondslag ligt. Deze renseigneringsplicht betreft onder meer rekeninginformatie en informatie betreffende bepaalde verzekeringen. Ik laat dit verder onbesproken.7
Potentiële zelfbelasting bij derdenonderzoeken
De administratieplichtige die desgevraagd medewerking verleent aan een derdenonderzoek, kan zichzelf daardoor belasten. Uit verstrekte inlichtingen en/of documenten kan bijvoorbeeld blijken dat hij een fiscaal voorschrift heeft overtreden. Vgl. de leverancier die wordt gevraagd mee te werken aan een onderzoek naar de aanvaardbaarheid van de door haar afnemer verantwoorde inkopen. Uit het onderzoek kan volgen dat niet alleen de afnemer, maar ook de leverancier bepaalde transacties (opzettelijk) niet in diens administratie heeft verantwoord.
Ik wijs hier ook op art. 5:1, lid 2 Awb. Daarin is vastgelegd dat een bestuurlijke boete zowel aan de pleger als aan een medepleger kan worden opgelegd. Naast de belastingplichtige zelf (als pleger) kan dus ook de belastingadviseur (als medepleger) worden beboet in verband met de overtreding van een voorschrift.8 In belastingzaken kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een belastingadviseur die in nauwe samenwerking met de belastingplichtige, een onjuiste aangifte opstelt en indient. Het fiscaal boeterecht is door de invoering van art. 67o AWR per 1 januari 2014 uitgebreid met nieuwe deelnemingsvormen, te weten doen plegen, uitlokken en medeplichtigheid.
Het derdenonderzoek komt in het vervolg min of meer terloops aan de orde. Deze geringe aandacht steunt op twee overwegingen. De eerste is dat de kans op gedwongen zelfbelasting waarschijnlijk groter is, wanneer de eigen belastingaangelegenheden voorwerp van onderzoek zijn. De tweede overweging is dat de nemo tenetur-problematiek niet wezenlijk verschilt naar gelang sprake is van een onderzoek naar de eigen belastingaangelegenheden of die van derden. In het laatste geval kan wel het fiscaal verschoningsrecht een rol spelen.